Op zekeren dag, terwijl zijn dochter de fleschjes en kopjes op het marmer der commode terecht zette, zeide de heer Gillenormand, over Marius gebogen, en op den teedersten toon: „Hoor, Mariusje, in uw plaats zou ik nu meer vleesch dan visch eten. Een gestoofde tong is uitmuntend als men begint te herstellen, maar om den zieke op de been te brengen, is een kotelet beter.”
Marius, wiens krachten bijna geheel waren teruggekeerd, spande ze in, richtte zich ten halve lijve op, steunde met de vuisten op de beddelakens, zag zijn grootvader strak in de oogen, nam een vreeselijke houding aan, en zeide:
„Dit geeft mij aanleiding u iets te zeggen.
„Wat?”
„Ik wil trouwen.”
„Ik had het voorzien,” zei de grootvader, terwijl hij luid begon te lachen.
„Hoe, voorzien?”
„Ja, voorzien. Ge zult uw meisje hebben.”
Marius, verstomd en verbijsterd, beefde aan al zijn leden.
De heer Gillenormand hernam:
„Ja, ge zult haar hebben, uw schoon, lief, klein meisje. Zij komt alle dagen in de gedaante van een oud heer naar uw gezondheid vernemen. Sinds gij gewond zijt, brengt zij haar tijd door met weenen en pluksel te maken. Ik heb er naar onderzocht. Zij woont in de rue de l’Homme-Armé No. 7. Ha! nu zijn wij er! Ge wilt haar. Nu, ge zult haar hebben. Dat verrast u. Gij hadt bij u zelven een complot gemaakt en gezegd: Ik zal het dien grootvader, die mummie van het regentschap en het Directoire, dien voormaligen pronker, ronduit zeggen; hij heeft ook zijn dagen van lichtzinnigheid en verliefdheid, hij heeft ook zijn grisetten en Cosettes gehad; hij is jong geweest, hij heeft vleugels gehad, het brood der lente gegeten; dit moet hij zich herinneren. Wij zullen zien! Wij zullen vechten! Ha! ge grijpt de koe bij de hoornen. Goed, ik bied u een kotelet aan en gij antwoordt mij: Ik wil trouwen. Dat is een overgang. Ha! ge hadt op verzet gerekend! Ge wist niet, dat ik een oude lafaard was. Wat zegt ge ervan? Gij mokt, ge verwachtet niet, uw grootvader nog dommer dan u zelven te zien! de redevoering, welke ge tot mij houden wildet, is nu verloren, mijnheer de advocaat; dat is jammer. Nu, des te erger; wreek u. Ik doe wat ge wilt; dat verbluft u. Hoor, ik heb onderzoek gedaan, ik ben ook een gluiperd; zij is bekoorlijk, deugdzaam, de lansier heeft gelogen; zij heeft hoopen pluksel gemaakt; zij is een juweel; zij aanbidt u; zoo gij gestorven waart, zouden er drie gestorven zijn; haar doodkist zou de mijne vergezeld hebben. Ik had gedacht, haar, zoodra ge hersteld waart, eenvoudig voor uw bed te plaatsen; maar alleen in romans brengt men de meisjes zoo onverhoeds aan het bed der schoone gewonden, in wie zij belang stellen. Dat gebeurt niet. Wat zou uw tante gezegd hebben? Ge laagt drie-vierde van den tijd geheel naakt, mijn jongen. Vraag Nicolette, die u geen minuut verlaten heeft, of er een vrouw tegenwoordig kon zijn. En wat zou de dokter gezegd hebben? Een jong meisje geneest de koorts niet. Kortom, ’t is goed, spreken wij er niet meer van; ’t is gezegd, ’t is gedaan, ’t is vastgesteld, neem haar. Zoo wreed ben ik nu. Hoor, ik zag, dat ge niet van mij hieldt, en zeide: Wat moet ik toch doen, opdat die snaak van mij houde? Ik zeide: Wacht, ik heb de kleine Cosette bij de hand, ik zal ze hem geven; dan zal hij mij wel een weinig moeten liefhebben of de reden zeggen. Ha, gij meendet, dat de oude zou gaan vloeken en razen, neen zeggen, en den stok tegen al dat teedere opheffen. Volstrekt niet. Cosette, goed; beminnen, goed; ik wil niets liever. Mijnheer, wees zoo goed te trouwen. Wees gelukkig, mijn geliefd kind.” Toen hij dit gezegd had, begon de grijsaard te snikken. Hij nam het hoofd van Marius en drukte het in zijn armen, tegen zijn oude borst, en beiden weenden. Dit is een der vormen van het hoogste geluk.
„Mijn vader!” riep Marius.
„Ha, gij bemint mij dus!” zei de grijsaard.
Er ontstond een onbeschrijfelijk oogenblik. Zij konden van aandoening niet spreken.
Eindelijk stamelde de grijsaard:
„Nu, eindelijk is het er uit: hij heeft „mijn vader” gezegd.”
Marius wond zijn hoofd uit de armen van den grootvader, en zeide zacht:
„Maar, vader, thans, nu ik mij wel bevind, dunkt mij, dat ik haar zou kunnen zien.”
„Ook voorzien; morgen zult ge haar zien.”
„Vader!”
„Wat?”
„Waarom niet heden?”
„Nu, het zij zoo, heden. Ge hebt mij driemaal „vader” genoemd; dit is het wel waard. Ik zal er voor zorgen. Men zal haar bij u brengen. Ik heb het voorzien, zeg ik u. ’t Is reeds in rijm gebracht. ’t Is de ontknooping van de elegie „de jonge zieke” van André Chénier, van André Chénier, die door de schur… door de reuzen van 93 vermoord werd.”
Mijnheer Gillenormand meende een licht fronsen der wenkbrauwen van Marius te merken, die in waarheid, wij moeten ’t zeggen, niet meer naar hem luisterde, maar in verrukking baadde en meer aan Cosette dan aan 1793 dacht. De grootvader, bekommerd, zoo ontijdig André Chénier aangevoerd te hebben, hernam haastig:
„Vermoorden is het eigenlijke woord niet. De zaak is, dat de groote revolutionnaire genieën, die niet slecht waren, dat is zeker, die voor den drommel, helden waren, vonden, dat André Chénier hen een weinig hinderde en zij lieten hem guillot… Dat wil zeggen, dat deze groote mannen, den 7 Thermidor, in het algemeen belang André Chénier verzochten, wel te willen gaan…”
De heer Gillenormand, wiens eigen woorden hem verstikten, kon niet voortgaan; de grijsaard, zijn zinsnede noch kunnende voleinden noch herroepen, verliet, terwijl zijn dochter het hoofdkussen achter Marius opschudde, zoo haastig als zijn hooge jaren hem vergunden, de slaapkamer, stiet de deur achter zich dicht, en rood, stikkend, verwoed, met uitpuilende oogen, stond hij eensklaps voor den eerlijken Basque, die in de voorkamer de laarzen poetste. Hij greep Basque bij den kraag en schreeuwde hem woedend in het gezicht: „Bij de honderd duizend duivels, die schelmen hebben hem vermoord!”
„Wien, mijnheer?”
„André Chénier!”
„Ja, mijnheer,” zei Basque verschrikt.
















