Het geluk, hoe groot het ook was, wischte evenwel geen andere gedachten uit den geest van Marius.
Terwijl men de toebereidselen voor het huwelijk maakte, en het bepaalde tijdstip afwachtte, liet hij omstandig en nauwkeurig het gebeurde onderzoeken.
Hij was aan verschillende zijden dank schuldig; zoowel voor zijn vader als voor zich zelven.
Er was Thénardier; er was de onbekende, die hem, Marius, bij den heer Gillenormand gebracht had.
Marius stelde er veel belang in, beide mannen weder te vinden, wijl hij meende, niet te mogen trouwen en gelukkig te zijn, zoo hij hen vergat, en vreezende dat een onbetaalde schuld een schaduw op zijn thans zoo helder leven zou werpen. ’t Was hem onmogelijk al die oude schuld in het vergeetboek te laten, en eer hij de gelukkige toekomst inging, wilde hij een kwijtbrief van het verledene hebben.
Dat Thénardier een schurk was, ontnam niets aan het feit, dat hij den kolonel Pontmercy had gered. Thénardier was voor iedereen een bandiet, behalve voor Marius.
En Marius, onbekend als hij was met de juiste toedracht der zaak op het slagveld van Waterloo, wist niet, dat zijn vader tegenover Thénardier in den zonderlingen toestand was, van hem het leven verschuldigd te zijn, zonder hem dankbaarheid schuldig te wezen.
Aan geen der verschillende agenten, welke Marius gebruikte, gelukte het Thénardiers spoor te vinden. De verdwijning van dezen persoon scheen volkomen. Vrouw Thénardier was, gedurende het onderzoek van het proces, in de gevangenis overleden. Thénardier en zijn dochter Azelma, de twee eenige [192]overgeblevenen van deze erbarmelijke groep, waren weder in de duisternis verzonken. De afgrond van het maatschappelijke onbekende had zich stil boven deze wezens gesloten. Men zag zelfs niet meer op de oppervlakte die rimpels, die beving, die donkere, zich samentrekkende kringen, welke aankondigen, dat er iets in is gevallen en men er de dreg in moet werpen.
Vrouw Thénardier was dood, Boulatruelle was buiten beschuldiging gesteld, Claquesous was verdwenen, de hoofdbeschuldigden waren uit de gevangenis gevlucht, het proces wegens den moordaanslag in het huis Gorbeau was op schier niets uitgeloopen. De zaak was tamelijk duister gebleven. Het hof van Assises had zich met twee ondergeschikten moeten tevreden stellen, met Panchaud, bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, en met Demi-Liard bijgenaamd Deux-Milliards, die tot tien jaren galeistraf waren veroordeeld. Tegen hun ontsnapte en voortvluchtige medeplichtigen was eeuwigdurende galeistraf uitgesproken. Thénardier, het hoofd en de aanvoerder was, bij verstek, ter dood veroordeeld. Dit vonnis was het eenige, dat van Thénardier overbleef, en het wierp op den begraven naam zijn akelig schijnsel, als een kaars naast een doodkist.
Deze veroordeeling vermeerderde overigens de dikke duisternis, welke Thénardier omgaf, doordien zij hem in de laagste diepten drong, uit vrees van weder gevat te worden.
Wat den anderen, den onbekenden man betreft, die Marius had gered, de navorschingen naar hem hadden aanvankelijk eenige uitkomst, doch bleven eensklaps staken. Men slaagde er in den huurkoetsier te vinden, die Marius in den avond van den 7 Juni naar de straat des Filles du Calvaire had gevoerd. De koetsier verklaarde, dat hij den 6 Juni op bevel van een politieagent van 3 uren des namiddags tot des avonds op de kade der Champs-Elysées, voorbij den uitgang van het groote riool „gestationneerd” had; dat tegen negen uren des avonds het hek van het riool, dat aan den waterkant uitkomt, zich geopend had; dat een man er was uitgekomen, die een ander, schijnbaar dooden man op de schouders droeg; dat de agent, die dat punt bewaakte, den levenden man aangehouden en den dooden man opgenomen had; dat hij, koetsier, op bevel van den agent, al die lieden in zijn rijtuig had genomen; dat men vooreerst naar de straat des Filles du Calvaire was gereden; dat men er den dooden man gelaten had; dat de doode man mijnheer Marius was en dat hij, koetsier, hem goed herkende, hoewel hij „dezen keer” levend was; dat men vervolgens weder in zijn rijtuig had plaats genomen, dat [193]hij zijn paarden voortgezweept had, dat men hem op eenige schreden van de deur der Archiven had toegeroepen, dat hij moest stilhouden; dat men hem dáár, in de straat, betaald en verlaten had, en dat de agent den anderen man had medegenomen, en hij verder niets wist; dat ’t een donkere avond was geweest.
Marius, zooals gezegd is, wist daar niets van. Alleen herinnerde hij zich, dat hij van achteren door een forsche hand was gegrepen, toen hij achterover in de barricade viel; verder was alles duister voor hem. Hij had eerst ten huize van den heer Gillenormand zijn bewustzijn herkregen.
Hij verloor zich in gissingen.
Hij kon niet aan zijn eigen persoon twijfelen. Maar hoe kwam het, dat hij, in de straat Chanvrerie gevallen, door den agent van politie aan den oever der Seine bij de brug der Invaliden was opgenomen? Iemand had hem uit de wijk der Hallen naar de Champs-Elysées gedragen. En op welke wijze? Door het riool. ’t Was een ongehoorde opoffering!
Iemand? Wie?
’t Was die man, welken Marius zocht.
Van dien man, zijn redder, was niets, geen spoor, niet de minste aanwijzing te vinden.
Marius zette zijn navorschingen tot in de prefectuur van politie voort, hoewel aan die zijde tot groote behoedzaamheid gedwongen. Dáár, evenmin als elders, leidden de ontvangen mededeelingen tot eenige opheldering. Aan de prefectuur wist men minder dan de huurkoetsier. Men wist er niets van een inhechtenisneming, den 6 Juni bij het hek van het Groote Riool gedaan; men had niet het minste rapport van een agent deswege ontvangen; zoodat de geheele zaak aan de prefectuur voor een sprookje werd gehouden. Men schreef dat verzinsel aan den koetsier toe. Een huurkoetsier, die naar fooitjes hunkert, is tot alles in staat, zelfs om iets te verzinnen. Het feit was echter zeker, en Marius kon er niet aan twijfelen, of hij had aan zijn eigen persoonlijkheid moeten twijfelen, zooals wij gezegd hebben.
Alles was onverklaarbaar in dit zonderlinge raadsel.
Wat was van dien man, dien geheimzinnigen man geworden, welken de koetsier uit het hek van het Groote Riool had zien komen, den bewusteloozen Marius op zijn rug dragende, en dien de wachtende politieagent had aangehouden, als op heeterdaad betrapt van een opstandeling te redden? Wat was van den agent zelven geworden? Waarom had deze agent gezwegen? Was het den man gelukt te ontvluchten? Had hij den agent omgekocht? Waarom gaf die man niet het minste teeken van leven aan Marius, die hem alles te danken had? [194]De belangeloosheid was niet minder wonderbaar dan de opoffering! Waarom kwam die man niet weder te voorschijn? Misschien was hij boven een belooning verheven; maar niemand is boven de dankbaarheid verheven. Was hij dood? Welk soort van mensch was het? Hoe zag hij er uit? Niemand kon het zeggen. De koetsier antwoordde, dat de nacht heel donker was. Basque en Nicolette hadden in hun ontsteltenis niets anders dan hun bloedenden jongenheer gezien. De portier, wiens kaars de treurige komst van Marius had verlicht, was de eenige die den bewusten man opgemerkt had, en hij wist er niets anders van te zeggen, dan: „De man zag er afschuwelijk uit!”
In de hoop, er voor zijn navorschingen partij van te kunnen trekken, liet Marius de bebloede kleedingstukken bewaren, welke hij droeg, toen men hem bij zijn grootvader terugvoerde. Bij het nazien van den rok merkte men op, dat een der panden er afgescheurd was.
Zekeren avond sprak Marius in de tegenwoordigheid van Cosette en Jean Valjean van dit zonderlinge avontuur, van de tallooze navorschingen, welke hij gedaan had, en van de vruchteloosheid zijner pogingen. De koele houding van den heer „Fauchelevent” hinderde hem.
Hij riep met een levendigheid, die schier de uitdrukking van toorn had:
„Ja, deze man, hij moge zijn wie hij wil, is inderdaad verheven geweest. Weet ge wat hij gedaan heeft, mijnheer? Hij is als een reddende engel opgetreden. Hij moest zich te midden van het gevecht werpen, mij er aan ontrukken, het riool openen, mij er in brengen, mij er in voortdragen. Hij moest langer dan anderhalf uur door afschuwelijke onderaardsche gangen gaan, gebukt, gebogen, in de duisternis, in de modder; langer dan anderhalf uur, mijnheer, met een lijk op den rug. En met welk doel? Met het eenige doel, dat lijk te redden. En dat lijk was ik. Hij zeide bij zich zelven: Er is misschien nog een vonk leven in, ik zal mijn leven voor deze ellendige vonk wagen! Hij heeft zijn leven niet één-, maar twintigmaal gewaagd. Iedere tred was een gevaar. Het bewijs hiervan werd genomen. Weet ge, mijnheer, dat die man dit alles gedaan heeft? En zonder de minste belooning te verwachten! Wat was ik? Een verwonneling. O! zoo de zeshonderd duizend francs van Cosette mij behoorden…”
„Zij behooren u,” viel Jean Valjean hem in de rede.
„Welnu,” hernam Marius, „dan zou ik ze geven om dien man weder te vinden.”
Jean Valjean zweeg.
















