Marius was langen tijd noch dood noch levend. Hij lag verscheidene weken in ijlende koorts, die met zeer ernstige hersenverschijnselen gepaard gingen, welke meer nog door den schok der hoofdverwonding veroorzaakt waren, dan door de wonden zelve.
Gansche nachten door herhaalde hij den naam Cosette, in de akelige levendigheid van het koortsgekal en met de sombere hardnekkigheid van den doodsstrijd. De grootte van sommige wonden was een ernstig gevaar, wijl de ettering naar binnen kon trekken, en, in zekere gesteldheid van den dampkring, den zieke dooden; bij elke verandering van weder en bij den minsten storm was de geneesheer ongerust. „De lijder mag vooral geen gemoedsaandoeningen hebben,” herhaalde hij. De verbinding was lastig en moeielijk, wijl de sparadrap ter bevestiging der windsels destijds nog niet was uitgevonden. Nicolette gebruikte voor pluksel een beddelaken, dat zoo groot als een wolk was, zooals zij zeide. Met moeite werd het koudvuur door aanwending van chloor en helschen steen tegengegaan. Zoo lang er gevaar bestond was Gillenormand, die niet van het bed zijns kleinzoons week, evenals Marius, noch dood noch levend.
Dagelijks en soms tweemalen daags kwam een zeer goed gekleed heer met wit haar – dit was het signalement dat de portier van hem gaf, – naar den zieke vragen en liet een groot pak pluksel voor het verband achter.
Eindelijk, den 7den September, vier maanden, op den dag af, na den smartelijken nacht toen men hem stervend bij zijn grootvader had gebracht, verklaarde de geneesheer, dat hij behouden was. De genezing begon. Evenwel moest Marius nog langer dan twee maanden op een ziekenstoel liggen, ten gevolge van het gebroken sleutelbeen. Zoo is er altijd een laatste wonde, die zich niet wil sluiten en het volkomen herstel vertraagt, tot groot verdriet van den lijder!
Overigens bevrijdden deze lange ziekte en deze lange herstelling hem voor vervolging. Er is in Frankrijk geen toorn, zelfs geen openbare, die niet in zes maanden wordt verdoofd. In de oproeren der tegenwoordige maatschappij, zijn zoo veel personen betrokken, dat men ten laatste genoodzaakt is de oogen eenigszins te sluiten.
Voegen wij hierbij, dat de ongehoorde ordonnantie van Gisquet, welke den geneesheeren gelastte de gewonden aan te geven, de algemeene verontwaardiging had gewekt, niet alleen bij ’t algemeen, maar bovenal bij den koning, zoodat de gewonden door deze verontwaardiging werden gedekt en beschermd; en dat, behalve degenen die op heeter daad in het gevecht gevangen waren genomen, de krijgsraden niemand anders durfden verontrusten. Men liet dus Marius met vrede.
De heer Gillenormand had eerst alle angsten en toen alle vreugd door te staan. Met veel moeite belette men hem, alle nachten bij den lijder door te brengen; hij liet zijn grooten armstoel bij het bed van Marius brengen; hij wilde dat zijn dochter het fraaiste linnen zou nemen om er compressen en windsels van te maken. Juffrouw Gillenormand, als een verstandige en overleggende persoon, vond middel het fraaie linnen te sparen, terwijl zij den grootvader in den waan liet, dat hij gehoorzaamd werd. De heer Gillenormand nam geen genoegen met de verklaring, dat grof linnen evengoed als fijn, en oud evengoed als nieuw voor pluksel was. Hij was bij al de verbanden tegenwoordig, terwijl mejuffrouw Gillenormand zich bedeesd verwijderde. Wanneer men het wildvleesch met de schaar wegsneed, riep hij: „Ai! ai!” Niets was treffender, dan hem den gewonde een drankje te zien toereiken, met het zachte beven des grijsaards. Hij overstelpte den geneesheer met vragen. Hij merkte niet, dat het steeds dezelfde waren.
Den dag toen de geneesheer hem aankondigde, dat Marius buiten gevaar was, geraakte de goede man buiten zich zelven. Hij gaf zijn portier drie louisd’ors tot fooi. Des avonds in zijn kamer teruggekeerd danste hij een gavotte, en knipte met den duim en wijsvinger als met castagnetten, daarbij het liedje zingende:
Jeanne est née à Fougère,
Vrai nid d’une bergère;
J’adore son jupon
Fripon.
Amour, tu viens en elle,
Car c’est dans sa prunelle
Que tu mets ton carquois,
Narquois!
Toen knielde hij op een stoel, en Basque, die hem door de reet der deur gadesloeg, geloofde stellig, dat hij bad.
Tot hiertoe had hij weinig aan God geloofd.
Bij ieder nieuw verschijnsel van beterschap, dat zich meer en meer opdeed, ging de grootvader tot allerlei buitensporigheden over. Hij gaf zijn blijdschap door een menigte werktuiglijke handelingen te kennen; hij ging de trap op en af, zonder te weten waarom. Een, overigens knappe, buurvrouw was geheel verbaasd, op een morgen een grooten bloemruiker te ontvangen; mijnheer Gillenormand had haar dien gezonden. Haar man maakte haar een standje uit jaloezie. De heer Gillenormand beproefde Nicolette op zijn schoot te nemen. Hij noemde Marius mijnheer den baron. Hij riep: Leve de republiek!
Telkens vroeg hij aan den geneesheer: „Er is immers geen gevaar meer?” Hij aanschouwde Marius met de oogen eener grootmoeder. Hij trok zijn oogen niet van hem af, als hij at. Hij kende, hij telde zich zelven niet meer. Marius was de meester des huizes; in zijn blijdschap had hij van zijn gezag afstand gedaan, hij was de kleinzoon van zijn kleinzoon.
In deze verheuging was hij kinderlijk eerbiedwaardig. Uit vrees van den herstellende te vermoeien of hem lastig te zijn, ging hij achter hem staan om hem toe te lachen. Hij was tevreden, verblijd, verrukt, bekoorlijk, jong. Zijn wit haar paarde een zachte majesteit aan den vroolijken glans op zijn gelaat. Wanneer bevalligheid zich onder rimpels voegt, is zij aanbiddelijk. In den ondergaanden ouderdom ligt een hemelsch morgenrood.
Intusschen had Marius onder al het verbinden en verplegen slechts een enkele gedachte: Cosette.
Sinds de koorts en het ijlen hem verlaten hadden, noemde hij dien naam niet meer, en men zou gemeend hebben, dat hij er niet meer aan dacht. Hij zweeg, en wel omdat zijn geheele ziel ervan vervuld was.
Hij wist niet wat van Cosette was geworden; al het gebeurde in de Chanvreriestraat was als een nevel in zijn geheugen; onduidelijke schimmen zweefden voor zijn geest; Eponine, Gavroche, Mabeuf, het gezin Thénardier, al zijne akelig in den kruitdamp der barricade gehulde vrienden; de zonderlinge verschijning van den heer Fauchelevent in dat bloedig avontuur, kwam hem voor als een raadsel in een storm; hij begreep niets van zijn eigen leven; hij wist niet hoe en door wien hij gered was; niemand dergenen die hem omgaven wist het; al wat men hem had kunnen zeggen, was, dat hij des nachts in een huurrijtuig in de straat des Filles du Calvaire was teruggevoerd; het verledene, het tegenwoordige, alles was voor hem slechts nevel van een onduidelijk denkbeeld; maar in dien nevel was één vast punt, één juiste, duidelijke lijn, als in graniet, het besluit, den wil: Cosette weder te vinden. Voor hem was de gedachte aan ’t leven niet van de gedachte aan Cosette gescheiden; hij had in zijn hart bepaald, dat hij het een niet zonder de andere zou aannemen, en had onwrikbaar besloten, van wie hem tot het leven zou willen dwingen, van zijn grootvader, van het lot, van de hel, de teruggave van zijn verdwenen paradijs te eischen.
Hij verheelde zich de moeielijkheden hiervan niet.
Wijzen wij hier op een bijzonderheid: hij was niet gewonnen en weinig vermurwd door al de blijken van liefde en teederheid van zijn grootvader. Vooreerst was hij met die alle niet bekend; vervolgens wantrouwde hij, in zijn ziekelijke, misschien nog koortsige droomen, die teederheid als iets vreemds en nieuws, dat ten doel had om hem te onderwerpen. Hij bleef er koel voor. De grootvader verspilde vruchteloos zijn armen, ouden glimlach. Marius zeide bij zich zelven, dat dit alles mooi was, zoolang hij, Marius, niet sprak; en hij liet zich alles welgevallen; maar dat, zoodra Cosette in ’t spel kwam, hij een ander gezicht zou vinden en de ware houding van den grootvader zich zou ontmaskeren. Dan zou het hard en ruw zijn; hervatting der familiequaestiën, vergelijking der toestanden, allerlei schimpredenen en tegenwerpingen tegelijkertijd, Fauchelevent, Coupelevent, de fortuin, de armoede, de steen om den hals, de toekomst. Geweldig verzet; en tot besluit: weigering. Marius verhardde zich vooraf.
En naar gelang hij tot het leven wederkeerde, kwamen zijn oude grieven terug, de oude wonden van zijn geheugen heropenden zich; hij dacht weder aan het verledene; de kolonel Pontmercy plaatste zich opnieuw tusschen Gillenormand en hem, Marius; hij zeide bij zich zelven, dat van dengeen, die zoo onrechtvaardig en hard jegens zijn vader was geweest, geen ware goedheid te verwachten was. En met de gezondheid herkreeg hij een soort van bitterheid tegen zijn grootvader. De grijsaard leed hierdoor met zachtmoedigheid.
Zonder er iets van te doen blijken, merkte de heer Gillenormand buitendien op, dat Marius, sedert hij te zijnent was teruggebracht en zijn bewustheid had herkregen, hem niet eens vader had genoemd. ’t Is waar, hij noemde hem niet mijnheer; maar hij vond het middel, noch het een noch het ander te zeggen, door op zekere manier zijn woorden te verdraaien.
Blijkbaar moest eene crisis komen.
Zooals schier altijd in dergelijke gevallen gebeurt, schermutselde Marius, om zich te oefenen, vóór hij slag leverde. Dit heet: het terrein onderzoeken. Op zekeren ochtend gebeurde het, dat de heer Gillenormand bij gelegenheid dat een dagblad in zijn handen was gevallen, luchtig over de conventie sprak en zich een royalistischen scheldnaam op Danton, Saint-Just en Robespierre liet ontglippen. „De mannen van 93 waren reuzen,” zei Marius streng. De grijsaard zweeg en sprak den ganschen dag geen woord meer.
Marius, die nog altijd den onbuigzamen grootvader zijner kinderjaren voor den geest had, zag in die stilte een diepen, verkropten toorn, voorspelde daaruit een hardnekkigen strijd, en versterkte in de diepste hoeken van zijn hart de toebereidselen voor den strijd.
Hij besloot, dat hij, ingeval van weigering, zijn verbanden zou afrukken, zijn been ontwrichten, zijn overgeblevene wonden naakt en bloot zou leggen, en alle voedsel weigeren. Zijn wonden waren zijn ammunitie. Hij wilde Cosette bezitten of sterven.
Hij wachtte een gunstig oogenblik, met het zwijgend geduld der zieken.
Dat oogenblik kwam.
1Jeannette is geboren te Fougère, ’t geen een echt herderinnennest is; ik aanbid haar schalksch rokje. Gij leeft in haar, o liefde; want in haar oogen ligt uw pijlenkoker, gij schalk. Ik bezing haar en bemin meer dan Diana zelve, Jeannette en haar frissche Bretonsche borsten.
















