Maandag, 20/04/2026 - 09:21

Eenigen tijd na de gebeurtenissen, welke wij verhaald hebben, werd Boulatruelle levendig getroffen.

Boulatruelle is die wegwerker van Montfermeil, welken men reeds in de donkere gedeelten van dit boek even gezien heeft.

Boulatruelle was, men herinnert het zich misschien, een man, die zich met allerlei verwarde en verschillende zaken bezighield. Hij sloeg steenen tot puin, en benadeelde de reizigers op den grooten weg. Hij was wegwerker en dief, en werd door een droom beheerscht; hij geloofde zeker, dat er schatten in het bosch van Montfermeil waren begraven. Hij hoopte eenmaal aan den voet van een boom geld in den grond te zullen vinden; in afwachting hiervan vergenoegde hij zich, het in de zakken der voorbijgangers te zoeken.

Voor het oogenblik was hij echter voorzichtig. Hij was ternauwernood ontsnapt. Men weet, dat hij met de overige bandieten in de woning van Jondrette gevat was. De ondeugd was hem nuttig geweest: zijn dronkenschap had hem gered. Men had er niet kunnen achterkomen, of hij daar als dief of als bestolene was geweest. Een bevel tot vrijlating, gegrond op den wel bewezen toestand van dronkenschap, waarin hij op den avond van den aanslag verkeerde, stelde hem op vrije voeten. Hij was naar zijn weg tusschen Gagny en Lagny wedergekeerd, om er onder bescherming der regeering en voor rekening van den staat steenen stuk te slaan, terneergedrukt, in diepe gedachten, een weinig bekoeld voor het stelen, dat hem bijna in ’t verderf had gestort, maar zich met meer teederheid dan ooit tot den wijn wendende, die hem gered had.

De levendige aandoening, welke hij ondervond, kort na zijn terugkomst onder het zodendak zijner wegwerkershut, was van den volgenden aard:

Toen op zekeren ochtend, even vóór dat de zon opging, Boulatruelle zich als gewoonlijk naar zijn arbeid en misschien naar zijn hinderlaag begaf, bemerkte hij tusschen de takken een man, van wien hij slechts den rug zag, doch wiens gestalte, in weerwil van den afstand en de morgenschemering, hem niet onbekend scheen. Boulatruelle had, hoewel hij een dronkaard was, een juist en scherp geheugen; een noodzakelijk wapen van verdediging voor ieder, die met de wettige orde eenigszins in strijd is.

„Waar heb ik, voor den duivel, iets als dezen kerel gezien?” vroeg hij zich. Maar hij kon zich hierop geen ander antwoord geven, dan dat dit iets geleek op iemand, van wien hem een onduidelijk beeld in ’t geheugen lag. Overigens maakte Boulatruelle, afgescheiden van deze gelijkenis, waarmede hij niet in ’t reine kon komen, opmerkingen en gissingen. Deze man behoorde niet in deze streek te huis. Hij was er gekomen, stellig te voet, want op dit uur rijdt geen diligence door Montfermeil. Hij had den ganschen nacht geloopen. Van waar kwam hij? Van niet ver, want hij droeg noch reiszak noch pak. Waarschijnlijk van Parijs. Waarom was hij in dit bosch? Waarom was hij er op dit uur? Wat kwam hij er doen?

Boulatruelle dacht aan den schat. Eindelijk, na lang peinzen, herinnerde hij zich flauw, eenige jaren geleden een dergelijke opwekking te hebben gehad, ten aanzien van een man, die hem scheen wel dezelfde als deze te kunnen zijn.

Terwijl hij dus nadacht, had hij onder het gewicht zijner overpeinzingen het hoofd gebogen, iets dat zeer natuurlijk, maar niet heel schrander was. Toen hij het weder oprichtte was er niemand meer. De man was in het bosch en in de schemering verdwenen.

„Voor den duivel!” zei Boulatruelle, „ik zal hem wedervinden. Ik zal de parochie van dezen parochiaan ontdekken. Deze wandelaar van Patron-Minette heeft een reden, waarom hij hier is, en ik zal ze vernemen. Men heeft in mijn bosch geen geheimen, zonder dat ik er bij behoor.”

Hij nam zijn spade, die zeer scherp was.

„Hiermede,” mompelde hij, „kan ik den grond en een mensch kort krijgen.”

En evenals men een draad aan een anderen knoopt, den weg samenstellende, dien de man had moeten nemen, ging hij door het kreupelhout.

Toen hij een honderd schreden had afgelegd, kwam de aanbrekende dag hem meer en meer te hulp. Hier en daar in het zand gedrukte voetstappen, vertrapt gras, verplette struikjes, de jonge gebogen takjes der struweelen, die met bevallige langzaamheid zich weder oprichtten, als de armen eener schoone vrouw, die, ontwakende, zich uitrekt, dit alles wees hem een spoor aan. Hij volgde het, maar verloor het. De tijd verstreek. Hij ging dieper het bosch in en kwam aan een soort van heuveltje. Een vroege jager, die in de verte op een voetpad de aria van Guillery floot, bracht hem op de gedachte in een boom te klimmen. Hoewel oud, was hij nog vlug. Er stond een hooge beuk, en Boulatruelle klom, zoo hoog hij kon, in dien beuk.

’t Was een goede inval. Toen Boulatruelle vorschend naar den kant zag, waar het bosch dicht begroeid en woest is, ontdekte hij eensklaps den man.

Maar nauwelijks had hij hem gezien, of hij verloor hem weder uit het oog.

De man ging of liever sloop naar een zeer afgelegen, onbegroeide plek, die achter hooge boomen verborgen, maar aan Boulatruelle zeer goed bekend was, wijl hij er, dicht bij een grooten hoop steenen, een gewonden kastanjeboom had opgemerkt, die, met een zinken plaat, op de schors gespijkerd, verbonden was. Deze onbegroeide plek heette vroeger de laagte Blaru. De hoop steenen, men weet niet waarvoor bestemd, die men er vóór dertig jaren zag, is er waarschijnlijk nog. Niets duurt zoo lang als een hoop steenen; tenzij misschien een planken schutting. Dewijl die slechts tot een voorloopig einde dient, is dit een reden voor haar langen duur.

Met de snelheid der vreugde liet Boulatruelle zich veeleer uit den boom vallen, dan dat hij er uitklom. Het leger was gevonden, nu kwam ’t er slechts op aan het wild te vatten. Daar was waarschijnlijk de zoo lang gedroomde schat.

’t Was geen kleinigheid om op die open plek te komen. Langs de begane paden, die allerlei kronkelingen vormen, was er een groot kwartieruurs voor noodig. Regelrecht door het kreupelhout, dat daar buitengewoon dicht, doornig en moeielijk is, was er een groot half uur toe noodig. Boulatruelle was dom genoeg, dit niet te begrijpen. Hij geloofde aan de rechte lijn; een zeer vergeeflijk optisch bedrog, maar dat vele menschen ten verderve leidt. Het kreupelhout, hoe dicht het ook was, scheen hem de goede weg.

„Slaan wij de straat Rivoli der wolven in,” zeide hij.

Boulatruelle, die gewoon was langs zijpaden te gaan, had dezen keer den misslag, den rechten weg te volgen.

Hij begaf zich moedig in het kreupelhout.

Hij had nu met steekpalm, hagedoorn, netels, wilde rozelaars, distelen en doornen te doen. Hij werd deerlijk gewond en gekrabd.

Eindelijk kwam hij na verloop van veertig minuten zweetend, doornat, buiten adem, gescheurd en gehavend aan de onbegroeide plek Blaru.

Er was niemand.

Boulatruelle ijlde naar den hoop steenen. Deze was nog op zijn plaats, men had hem niet weggevoerd.

Maar de man was in het woud verdwenen. Hij was ontkomen. Waarheen? In welke richting? In welken schuilhoek? ’t Was onmogelijk te gissen.

En het grievendste was, dat men achter den hoop steenen, voor den boom met de zinken plaat, de aarde versch opgegraven, een kuil en een vergeten of achtergelaten schop zag.

Die kuil was ledig.

„Dief!” riep Boulatruelle dreigend, de vuisten naar den horizont uitstekende.

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *