Maandag, 20/04/2026 - 06:33

Basque en de portier hadden Marius, die steeds bewegingloos op de canapé lag, waarop men hem terstond bij de aankomst gelegd had, de kamer binnengedragen. De geneesheer, die men geroepen had was gekomen. Tante Gillenormand was opgestaan.

Zij ging verschrikt heen en weder, de handen wringend en tot niets in staat dan te zeggen: „Is het Gods mogelijk!” Zij voegde er nu en dan bij: „Alles zal met bloed bemorst worden!” Toen de eerste ontsteltenis voorbij was, en een soort van wijsgeerige helderheid in haar gedachten ontstond, deed zij zulks blijken door den uitroep: „Zoo moest het eindigen!” maar zij ging zooverre niet van te zeggen: „Ik heb het wel gezegd!” zooals in dergelijke gevallen gebruikelijk is.

Op last van den geneesheer was een bed naast de canapé gelegd. De geneesheer onderzocht Marius, en na zich overtuigd te hebben dat de pols nog klopte, dat de wonden op de borst niet diep waren en het bloed om de lippen uit den neus kwam, liet hij hem plat op het bed leggen, zonder oorkussen, het hoofd zelfs nog iets lager dan het lichaam, de borst bloot, ten einde de ademhaling gemakkelijker te maken. Toen mejuffrouw Gillenormand zag, dat men Marius ontkleedde, verwijderde zij zich. Zij ging in haar kamer haar rozenkrans bidden.

De borst was inwendig niet gedeerd; een geweerkogel, die op de portefeuille was afgestuit, had langs de ribben een groote, maar niet diepe wonde veroorzaakt, die dus niet gevaarlijk was. De lange marsch in het onderaardsche gewelf had het gebroken sleutelbeen geheel ontwricht, hetgeen een ernstige beleediging vormde. De armen waren vol sabelhouwen. Geen enkele wonde misvormde het gelaat; het hoofd was echter als gekerfd. Van welken aard waren deze hoofdwonden? bepaalden zij zich enkel tot de huid? hadden zij zich ook aan den schedel medegedeeld? Dit wist men nog niet te zeggen. ’t Was een ernstig verschijnsel, dat zij de bewusteloosheid hadden veroorzaakt; uit dergelijke bewusteloosheid ontwaakt men niet altijd. Bovendien had het bloedverlies den lijder uitgeput. Van het middel af was het onderlijf door de barricade beschermd geworden.

Basque en Nicolette scheurden linnen en maakten windsels gereed; Nicolette naaide ze samen, Basque rolde ze op. Er was geen pluksel, de geneesheer had voorloopig het bloed met watten gestelpt. Naast het bed brandden drie waskaarsen op een tafel, waarop de chirurgicale instrumenten lagen uitgespreid. De geneesheer wiesch het gezicht en het haar van Marius met koud water. In een oogenblik was een volle emmer rood. De portier lichtte met een kaars in de hand.

De geneesheer scheen in treurige gedachten. Nu en dan schudde hij het hoofd, alsof hij een vraag, die hij bij zich zelven deed, beantwoordde. Zulke geheime samenspraken van den geneesheer met zich zelven zijn een slecht teeken voor den lijder.

Juist toen de geneesheer het gezicht wiesch en zacht met den vinger de steeds gesloten oogleden aanraakte, werd achter in de kamer een deur geopend en een lange, bleeke gestalte verscheen.

’t Was de grootvader.

De heer Gillenormand was gedurende twee dagen door den opstand zeer ontrust, verontwaardigd en ingespannen. Hij had den vorigen nacht niet kunnen slapen en den geheelen dag de koorts gehad. Des avonds was hij zeer vroeg te bed gegaan, met bevel dat men alles in huis zorgvuldig zou sluiten, en hij was van vermoeidheid ingesluimerd.

De slaap des grijsaards is licht; de slaapkamer van den heer Gillenormand grensde aan het salon en, in weerwil der voorzorgen, welke men had genomen, had het gerucht hem gewekt. Verwonderd over het licht, dat hij door de reet der deur zag, was hij opgestaan en tastend genaderd.

Hij stond op den drempel, met de hand aan de kruk der half geopende deur, het hoofd waggelend voorover gebogen, het lichaam in een witten slaaprok gehuld, die stijf en zonder plooien was als een lijkwade; verwonderd en als een spook, dat in een graf schouwt.

Hij zag het bed, en op de matras dien bebloeden jongeling, zoo wit als was, met gesloten oogen, open mond en bleeke lippen, tot aan het middel bloot, overal met roode wonden gevlekt, bewegingloos, helder verlicht.

Den grootvader doorliep van het hoofd tot de voeten een rilling, zoo erg als verstijfde leden die kunnen hebben; zijn oogen, wier hoornvlies wegens den hoogen ouderdom geel was, werden door een soort van glasachtige spiegeling verduisterd; zijn gezicht nam in een oogenblik de stijve trekken van een doodshoofd aan; zijn armen vielen neder, als ware een springveer er in gebroken, en zijn ontzetting verried zich door de uitbreiding der vingers zijner oude bevende handen, zijn knieën vormden een vooruitstekenden hoek en lieten door de opening van zijn slaaprok zijn magere naakte beenen, met wit haar bezet, zien. Hij stamelde:

„Marius!”

„Mijnheer,” zei Basque, „men heeft den jongenheer zooeven hier gebracht. Hij is naar de barricade gegaan en….”

„Hij is dood!” riep de grijsaard met vreeselijke stem. „O, de booswicht!”

Toen richtte iets als eene herleving uit den doode dezen honderdjarige zoo recht op als een jongeling.

„Mijnheer,” zeide hij, „zijt gij de geneesheer? Zeg mij voor alles één ding. Hij is dood, niet waar?”

De geneesheer, in de grootste verlegenheid, zweeg.

Gillenormand wrong de handen met een vreeselijken lach.

„Hij is dood! hij is dood! Hij heeft zich op de barricade laten dooden uit haat tegen mij! ’t Is tegen mij, dat hij dit gedaan heeft. O, bloeddorstige! Zoo komt hij bij mij terug! O, ramp mijns levens, hij is dood.”

Hij naderde een venster, opende het wagenwijd, alsof hij vreesde te stikken, en voor de duisternis staande, begon hij in de straat tot den nacht te spreken.

„Doorboord, neergesabeld, vermoord, verdelgd, verscheurd, in stukken gehouwen. Ziet ge ’t nu, schavuit! Hij wist wel, dat ik hem wachtte en zijn kamer in orde had doen brengen en zijn portret, uit den tijd dat hij een kleine jongen was, aan het voeteneinde van mijn bed geplaatst had. Hij wist, dat hij slechts behoefde weder te komen, en ik hem sedert jaren terug riep en des avonds met de handen op de knieën voor het vuur bleef zitten, niet wetende wat te doen, en dat ik er kindsch van werd. Ge wist wel, dat ge slechts behoefdet terug te keeren en te zeggen: ik ben het, en gij de meester des huizes zoudt zijn; dat ik u zou gehoorzamen en gij alles van uw ouden grootvader zoudt kunnen gedaan krijgen. Ge wist het, maar gij zeidet: neen, hij is een koningsgezinde, ik ga niet. En ge zijt naar de barricaden gegaan en uit kwaadheid tegen mij hebt ge u laten dooden, om u te wreken over hetgeen ik wegens den hertog van Berry had gezegd! ’t Is schandelijk! Men gaat te bed en slaapt gerust! Hij is dood. Dat is mijn ontwaking!”

De geneesheer, die van beide zijden ongerust begon te worden, verliet Marius een oogenblik en ging naar den heer Gillenormand, dien hij bij den arm nam. De grootvader keerde zich om, staarde hem aan, met oogen die grooter en bloedig schenen te zijn geworden en zeide kalm:

„Ik dank u, mijnheer. Ik ben bedaard, ik ben een man en heb Lodewijk XIV zien sterven; ik weet mij in de gebeurtenissen te schikken. Maar één ding is verschrikkelijk, ’t is de gedachte, dat uw dagbladen al dat kwaad brouwen. Gij hebt schrijvers, sprekers, advocaten, redenaars, tribunen, discussiën, vooruitgang, verlichting, rechten van den mensch, vrijheid van drukpers, en zie hier hoe men uw kinderen te huis brengt. Ach, Marius! ’t is afschuwelijk! Gedood! vóór mij dood! Een barricade! O! de booswicht! Ik geloof, dokter, dat ge in de buurt woont. Ja, ik ken u. Ik zie uit mijn raam uw cabriolet voorbijrijden. Ik zal u zeggen; ge zoudt u vergissen, zoo ge meent dat ik kwaad ben. Men wordt niet kwaad op een doode. ’t Zou dom zijn. ’t Is een kind, dat ik heb opgevoed. Ik was reeds oud toen hij nog zeer klein was. Hij speelde in de Tuilerieën met zijn kleine spade en wagentje, en opdat de opzichters niet zouden knorren, maakte ik met mijn stok de gaten weder dicht, die hij met zijn spade in den grond groef. Op zekeren dag riep hij: Weg met Lodewijk XVIII, en hij ging heen. ’t Was mijn schuld niet. Hij was blond en blozend. Zijn moeder is dood. Hebt ge opgemerkt, dat alle kleine kinderen blond zijn? Hoe komt dat? Hij is een zoon van een dier bandieten der Loire; maar de kinderen zijn onschuldig aan de misdaden hunner ouders. Ik herinner hem mij, toen hij niet grooter was dan zoo. Hij kon de d niet uitspreken. Hij sprak zoo zacht en onduidelijk, dat men meende een vogel te hooren. Ik herinner mij, dat men eens, bij het beeld van Herkules Farnèse, om hem heen ging staan, om hem te bewonderen, zoo schoon was het kind. Hij had een kopje, zooals men op de schilderijen ziet. Ik bromde op hem en dreigde hem met mijn stok, maar hij wist wel, dat het slechts scherts was. Des morgens, wanneer hij in mijn kamer kwam, zag ik somber, maar hij was voor mij als de zon. Men is weerloos tegenover zulke dreumesen. Zij vatten u, houden u vast, en laten u niet meer los. ’t Is waar, dat er geen liever kind was. Wat zegt ge nu van uw Lafayette, uw Benjamin Constant, uw Tirecuir de Corcelles, die hem doodden. Dat kan zoo niet gaan!”

Toen naderde hij Marius, die steeds lijkkleurig en bewegingloos was en tot wien de geneesheer was teruggekeerd, en hij begon opnieuw zijn handen te wringen. De bleeke lippen van den grijsaard bewogen zich werktuiglijk en prevelden schier onverstaanbaar de woorden: „O! wreedaard! O clubist! O booswicht! O septembriseur!”—Zachte verwijten van een zieltogende tot een lijk.

Dewijl inwendige aandoeningen zich steeds lucht moeten maken, keerden allengs geregelde woorden terug, maar de grootvader scheen de kracht niet meer te hebben ze uit te spreken; zijn stem was zoo dof en gesmoord, dat zij van de overzijde eens afgronds scheen te komen:

„’t Is mij onverschillig; ik zal ook sterven. Ik durf zeggen dat er in Parijs geen meisje is, die zich niet gelukkig zou achten met dien ellendeling vereenigd te zijn. Een deugniet, die in plaats van zich te vermaken en het leven te genieten, is gaan vechten en zich als een wild dier laat doodschieten. En, waarom? voor de republiek! In plaats van naar de Chaumière te gaan dansen, zooals het jongen lieden betaamt. ’t Is wel der moeite waard, twintig jaar oud te zijn. De republiek, een vervloekte gekheid! Arme moeders! hebt nu nog mooie jongens! Nu, hij is dood! Er zullen nu twee begrafenissen uit de koetspoort gaan. Ge hebt u dan ter liefde voor den generaal Lamarque opgeofferd. Wat had generaal Lamarque u gedaan? Hij was een vechter! een babbelaar! Zich voor een doode te laten dooden! Is ’t niet om krankzinnig te worden! Begrijpt gij het! Twintig jaren oud! En zonder om te zien of hij ook iets achterlaat! De arme oude lieden zijn nu genoodzaakt, alleen te sterven. Sterf in uw hoek, oude uil! Nu, des te beter, ik hoopte het, het zal mij in eens den dood geven. Ik ben te oud, honderd jaar, duizend jaar oud; sinds lang heb ik het recht om te sterven. Deze slag maakt er een einde aan. ’t Is uit! hoe gelukkig. Waartoe hem ammoniak te laten snuiven en al die medicijnen. ’t Is moeite vergeefsch, onnoozele dokter. Ga, hij is dood, geheel dood. Ik heb er verstand van want ook ik ben dood. Hij heeft de zaak niet ten halve gedaan. Ja, ’t is een afschuwelijke, schandelijke tijd, en hetzelfde denk ik van u, van uw denkbeelden, van uw stelsels, van uw meesters, van wonderspreuken, van uw dokters, van uw schelmen van schrijvers, van uw schoften van wijsgeeren, en van al de revolutiën, welke sedert zestig jaren de raven der Tuilerieën verschrikken! En wijl ge onmeedoogend zijt geweest door u te laten dooden, zal ik over uw dood niet treuren, hoort ge, moordenaar!”

Op hetzelfde oogenblik opende Marius langzaam de oogen en zijn blik, nog bewolkt door doffe verbazing, vestigde zich op den heer Gillenormand.

„Marius!” riep de grijsaard. „Marius, mijn kleine Marius! mijn kind, mijn geliefde zoon! Gij opent de oogen, gij aanschouwt mij, gij leeft. Goddank!”

En hij zonk machteloos neder.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *