Vrijdag, 17/04/2026 - 16:00

Boek III. Slijk, echter ziel


Hoofdstuk I. Het riool en zijn verrassingen

’t Was in het riool van Parijs, dat Jean Valjean zich bevond. Een overeenkomst te meer van Parijs met de zee is, dat de duiker in beide kan verdwijnen. De overgang was verbazend. In het midden zelf der stad was Jean Valjean uit de stad verdwenen, en in een oogwenk, in den tijd waarin men...

Hoofdstuk II. Verklaring

Op den 6 Juni was een onderzoek der riolen bevolen. Men vreesde dat de overwonnenen ze tot wijkplaats hadden genomen, en de prefect van politie Gisquet moest het verborgen Parijs onderzoeken, terwijl generaal Bugeaud het openbare Parijs schoonveegde; een samengaande, dubbele bewerking, welke de...

Hoofdstuk III. De vervolgde man

Aan de politie van dien tijd moet men het recht laten wedervaren, dat zij zelfs in de moeielijkste omstandigheden, onwrikbaar haar plicht van toezicht en waakzaamheid vervulde. Een oproer was in haar oog geen reden om den boosdoener vrijen teugel te laten, en de maatschappij te veronachtzamen, wijl...

Hoofdstuk IV. Ook hij draagt zijn kruis

Jean Valjean had zijn tocht hervat, zonder verder stil te staan. Deze tocht werd hoe langer hoe moeielijker. De hoogte van deze gewelven is verschillend; middelbaar is zij ongeveer vijf voet zes duim en voor de grootte van een mensch berekend; zoodat Jean Valjean verplicht was te bukken, om Marius...

Hoofdstuk V. Zoowel voor het zand als voor de vrouw is er een verraderlijke fijnheid

Hij voelde dat hij in het water trad, en onder zijn voeten niet langer plaveisel, maar modder had. Het gebeurt soms op sommige kusten van Bretagne of Schotland, dat iemand, een reiziger of een visscher, die bij eb op het strand ver van den oever wandelt, plotseling bespeurt, dat hij sedert eenige...

Hoofdstuk VI. De modderwel

Jean Valjean bevond zich voor een modderwel. In den bodem onder de Champs-Elysées waren in dien tijd talrijke modderpoelen van dien aard, welke aan de hydraulische werkzaamheden vele bezwaren veroorzaakten en uithoofde van hun buitengewone vloeibaarheid voor de onderaardsche bouwwerken zeer...

Hoofdstuk VII. De uiterste nood

Opnieuw zette hij zijn weg voort. Overigens scheen hij, zoo niet zijn leven, althans zijn krachten in den modderpoel gelaten te hebben. De overmatige inspanning had hem uitgeput. Hij was nu zoo vermoeid, dat hij verplicht was telkens om de drie of vier schreden tegen den muur te leunen, om in den...

Hoofdstuk VIII. Het afgescheurde rokspand

In ’t midden dezer zelfvergeting legde een hand zich op zijn schouder en een fluisterende stem zeide tot hem: „Ieder de helft.” Iemand in deze duisternis? Niets gelijkt meer den droom dan de wanhoop, en Jean Valjean meende dat hij droomde. Hij had geen voetstappen gehoord. Was het mogelijk?...

Hoofdstuk IX. Marius schijnt dood voor iemand die er verstand van heeft

Hij leide Marius aan den rivierzoom. Zij waren buiten! Achter hem waren de pestdampen, de duisternis, het afgrijselijke. De gezonde, zuivere, verlevendigde, vrije lucht woei hem tegen. Aan alle zijden rondom hem heerschte stilte, maar de bekoorlijke stilte van de ondergegane zon aan den helderen...

Hoofdstuk X. Terugkeer van den verloren zoon tot het leven[301]

Bij elken schok van het rijtuig op de straatsteenen, viel een druppel bloed uit het haar van Marius. Het was volkomen nacht, toen het huurrijtuig voor het huis No. 6 in de straat des Filles du Calvaire stilhield. Javert stapte het eerst uit het rijtuig, overtuigde zich met een oogwenk van het...

Hoofdstuk XI. Verbazing

Onderweg spraken zij geen woord meer. Wat wilde Jean Valjean? Voltooien wat hij begonnen had, Cosette waarschuwen, haar zeggen waar Marius was, haar misschien een of andere nuttige inlichting geven; zoo hij kon, zekere laatste beschikkingen nemen. Wat hem betrof, wat hem persoonlijk aanging, dat...

Boek IV. Javert uit het spoor. Hoofdstuk I. Javert uit het spoor

Javert had zich met langzame schreden uit de straat de l’Homme-Armé verwijderd. Hij ging voor het eerst van zijn leven met gebogen hoofd en ook voor het eerst van zijn leven met de handen op den rug. Tot hiertoe had Javert slechts die houding van Napoleon overgenomen, welke Vastberadenheid...

Hoofdstuk XII. De grootvader

Basque en de portier hadden Marius, die steeds bewegingloos op de canapé lag, waarop men hem terstond bij de aankomst gelegd had, de kamer binnengedragen. De geneesheer, die men geroepen had was gekomen. Tante Gillenormand was opgestaan. Zij ging verschrikt heen en weder, de handen wringend en tot...