Jean Valjean had zijn tocht hervat, zonder verder stil te staan. Deze tocht werd hoe langer hoe moeielijker. De hoogte van deze gewelven is verschillend; middelbaar is zij ongeveer vijf voet zes duim en voor de grootte van een mensch berekend; zoodat Jean Valjean verplicht was te bukken, om Marius niet tegen het gewelf te stooten. Elk oogenblik moest hij zich buigen en zich weder oprichten en steeds den muur betasten. De klamheid der steenen en de glibberigheid van den bodem maakten ze tot slechte steunpunten, zoowel voor de hand als voor den voet. Hij struikelde dikwijls in den afschuwelijken drek der stad. Het flauwe licht der openingen vertoonde zich slechts bij zeer lange tusschenpoozen, en zoo bleek, dat de middagzon er maanschijn geleek; al het overige was nevel, stank en duisternis. Jean Valjean had honger en dorst; bovenal dorst; en ’t is daar, evenals de zee, een plaats vol water, waarvan men niet drinken kan. Zijn kracht, die zooals men weet verbazend was, en weinig door den ouderdom was verzwakt, ten gevolge van zijn ingetogen en matig leven, begon echter te verflauwen. Hij werd vermoeid en de afnemende kracht deed de zwaarte van zijn last toenemen. Marius, die misschien dood was, woog zoo zwaar als ziellooze lichamen wegen. Jean Valjean droeg hem zoodanig, dat de borst niet gedrukt en de ademhaling niet belemmerd werd. Hij voelde de ratten tusschen zijn beenen loopen. Een rat was zoo bang, dat zij hem beet. Nu en dan drong door de roosters der rioolmondingen een frissche luchttocht tot hem door, die hem verkwikte.
Het kan drie uren des namiddags zijn geweest, toen hij aan het ringriool kwam.
Aanvankelijk was hij over deze plotselinge verbreeding verwonderd. Eensklaps bevond hij zich in een gang, die zoo breed was, dat zijn uitgestrekte handen de wanden niet konden bereiken, en onder een gewelf, dat zijn hoofd niet raakte. Het groote riool is inderdaad acht voet breed en zeven voet hoog.
Ter plaatse, waar het riool Montmartre zich met het groote riool vereenigt, vormen twee andere onderaardsche gangen, die der straat Province en die van de slachtplaats, een viersprong. Tusschen deze vier wegen zou iemand van minder schranderheid besluiteloos zijn geweest. Jean Valjean koos den breedsten; namelijk het ringriool. Maar hier deed zich weder de vraag voor: op- of neergaan? Hij meende, dat de toestand dringend was en hij nu op alle gevaar af de Seine moest bereiken. Met andere woorden: naar beneden gaan. Hij keerde dus links.
Hij deed er wel aan. Want ’t zou een dwaling zijn te gelooven, dat het ringriool twee uitgangen heeft, den eenen in de richting van Bercy, den anderen in die van Passy, en dat het, gelijk zijn naam aanduidt, de onderaardsche gordel van Parijs van den rechteroever is. Het groote riool, dat niets anders is dan de oude waterleiding Menilmontant, loopt uit, wanneer men opwaarts gaat, in een slop, namelijk bij zijn voormalig aanvangspunt, dat zijn oorsprong aan den voet van den heuvel Menilmontant was. Het is niet in rechtstreeksche verbinding met de vertakking, welke van de wijk Popincourt af het water van Parijs opneemt en zich door het riool Amelot boven het oude eiland Louviers in de Seine stort. Deze vertakking, welke het verzamelriool voltooit, is er onder de straat Menilmontant zelve van gescheiden door een muur, die het afscheidingspunt der wateren op- en afwaarts vormt. Zoo Jean Valjean de galerij opwaarts ware gegaan, zou hij na duizenden bezwaren, uitgeput van vermoeidheid, stervende, in de duisternis aan een muur zijn gekomen, en hij ware verloren geweest.
Desnoods zou hij langs kronkelwegen den uitgang in de Seine bij het Arsenaal hebben kunnen bereiken; maar dan had hij heel nauwkeurig, in al zijn vertakkingen en slingeringen, het onmetelijke madrepoor van het riool moeten kennen. En, wij herinnere het, hij kende niets van dien schrikkelijken weg dien hij betrad, en had men hem gevraagd, waar hij zich bevond, hij zou geantwoord hebben: in den nacht.
Zijn instinct diende hem evenwel goed. Dalen was de eenig mogelijke redding.
Hij liet rechts de twee gangen liggen, die zich onder de straat Lafitte en de straat St. Georges in den vorm van een klauw vertakken, en de lange gevorkte gang der Chaussée d’Antin.
Een weinig voorbij een zijriool, waarschijnlijk de vertakking der Madelaine, hield hij stil. Hij was zeer vermoeid. Een tamelijk breed luchtgat, waarschijnlijk de opening in de straat d’Anjou, wierp een schier helder licht. Jean Valjean legde Marius, met de zorgvuldigheid van een broeder voor zijn gekwetsten broeder, op de onderlaag van den muur van het riool. Het bloedig gelaat van Marius verscheen onder het witte licht der opening als op den bodem van een graf. Zijn oogen waren dicht, zijn haar kleefde aan de slapen, als gedroogde penseelen in roode verf; zijn handen hingen als dood neder, zijn leden waren koud en aan de hoeken der lippen was gestold bloed. In den strik van de das lag een bloedklomp; het hemd was aan de wonden gekleefd, het laken van den rok schaafde de gapende wonden en het vleesch. Jean Valjean, die met de vingers behoedzaam de kleedingstukken verwijderde, legde zijn hand op de borst; het hart klopte nog. Jean Valjean scheurde zijn overhemd, verbond de wonden zoo goed hij kon, en stelpte het vloeiende bloed; toen, in dat schemerlicht over Marius gebogen, die steeds buiten kennis en schier zonder adem was, staarde hij hem met een onuitsprekelijken haat aan.
Bij de verschikking der kleeding van Marius, had hij in diens zakken twee voorwerpen gevonden, het brood dat er sedert den vorigen dag in vergeten was, en Marius’ portefeuille. Hij at het brood en opende de portefeuille. Op de eerste bladzijde vond hij deze door Marius geschreven regels, welke men zich herinneren zal:
„Ik heet Marius Pontmercy. Mijn lijk moet bij mijn grootvader, den heer Gillenormand, straat des Filles du Calvaire No. 6 in het Marais gebracht worden.”
Jean Valjean las bij het licht der rioolopening deze regels en was een oogenblik als in zich zelven verdiept; hij herhaalde halfluid: straat des Filles du Calvaire No. 6, mijnheer Gillenormand. Hij stak de portefeuille weder in Marius’ zak. Hij had gegeten en krachten herkregen; toen nam hij Marius weder op zijn rug, liet zorgvuldig zijn hoofd op zijn rechterschouder rusten en zette zijn weg afwaarts in het riool voort.
Het groote riool, dat naar den weg der vallei Menilmontant zijn richting neemt, is bijna twee uren lang. Een groot gedeelte ervan is geplaveid. Er was niets, dat hem zeide welke streek der stad hij doorging of welken weg hij had afgelegd. Maar de flauwer wordende lichtschijn, welken hij van tijd tot tijd ontmoette, duidde hem aan, dat de zon onderging en de dag spoedig eindigen zou; en dewijl het rollen der rijtuigen boven zijn hoofd gestadig minder werd en weldra bijna geheel ophield, leidde hij daaruit af, dat hij niet meer onder het midden van Parijs was, maar een eenzame streek, nabij de buitenboulevards of uiterste kaden, naderde. Waar minder huizen en minder straten zijn, heeft het riool minder openingen. De duisternis werd grooter om Jean Valjean. Hij zette daarom niet minder zijn weg voort, tastende in de duisternis.
Die duisternis werd eensklaps verschrikkelijk.
















