In ’t midden dezer zelfvergeting legde een hand zich op zijn schouder en een fluisterende stem zeide tot hem:
„Ieder de helft.”
Iemand in deze duisternis? Niets gelijkt meer den droom dan de wanhoop, en Jean Valjean meende dat hij droomde. Hij had geen voetstappen gehoord.
Was het mogelijk? Hij sloeg de oogen op.
Een man stond voor hem.
Deze man droeg een kiel, hij was blootsvoets en hield zijn schoenen in de hand; hij had ze blijkbaar uitgetrokken om Jean Valjean ongemerkt te naderen.
Jean Valjean twijfelde geen oogenblik. Hoe onverwacht deze ontmoeting was, kende hij echter dezen man. ’t Was Thénardier.
Hoewel, om zoo te spreken, verschrikt ontwaakt, herkreeg Jean Valjean, gewoon aan verrassingen en verhard tegen onverwachte slagen, die ijlings afgeweerd moeten worden, eensklaps al zijn tegenwoordigheid van geest. Zijn toestand kon bovendien niet erger worden; op zekeren graad kan de nood niet meer stijgen, en Thénardier zelf kon aan dezen nacht geen grooter duisternis meer geven.
Beiden wachtten een oogenblik.
Thénardier bracht zijn hand boven zijn oogen, op de wijze van een lichtscherm, toen trok hij knipoogende de wenkbrauwen samen, kneep de lippen dicht op elkander, ’t geen de sluwe oplettendheid te kennen geeft van iemand, die een ander tracht te herkennen. Dit gelukte hem niet. Jean Valjean, zooals gezegd, stond met den rug naar het licht en zag er bovendien zoo gehavend, zoo beslijkt en zoo bloedig uit, dat hij op den vollen middag onherkenbaar zou geweest zijn. Daarentegen viel Thénardier, beschenen door het licht van het hek, wel is waar een kelderlicht, maar duidelijk in zijn bleekheid, Jean Valjean eensklaps in ’t oog. Dit onderscheid van toestand was genoegzaam om Jean Valjean eenig voordeel in dit geheimzinnig duël te geven, ’t welk tusschen beide personen in hun wederzijdsche betrekking zou beginnen. De ontmoeting geschiedde tusschen den gesluierden Jean Valjean en den ontmaskerden Thénardier.
Jean Valjean merkte terstond, dat Thénardier hem niet herkende.
Zij zagen elkander een oogenblik in dit schemerlicht aan, alsof zij elkander opnamen.
Thénardier brak het eerst het zwijgen.
„Wat zult ge doen om hieruit te komen?”
Jean Valjean antwoordde niet.
Thénardier hernam:
„’t Is onmogelijk de deur open te breken. Ge moet hier echter uit.”
„’t Is waar,” zei Valjean.
„Nu, ieder de helft.”
„Wat bedoelt ge?”
„Gij hebt dien man vermoord, goed. Ik heb den sleutel.”
Thénardier wees met zijn vinger op Marius. Hij vervolgde:
„Ik ken u niet, maar wil u helpen. Gij moet een vriend zijn.”
Jean Valjean begon te begrijpen. Thénardier hield hem voor een moordenaar.
Thénardier hernam:
„Luister, kameraad. Gij hebt dien man niet vermoord zonder zijn zakken te onderzoeken. Geef mij de helft, en ik open de deur.”
En van onder zijn gescheurden kiel een grooten sleutel half latende zien, voegde hij er bij:
„Wilt ge zien hoe de sleutel gemaakt is? Zie.”
Jean Valjean was verstomd, zelfs in dien graad dat hij aan de werkelijkheid van hetgeen hij zag twijfelde. ’t Was de Voorzienigheid die hem in een afgrijselijke gestalte verscheen, en een beschermengel die in de gedaante van Thénardier uit den grond kwam.
Thénardier stak zijn hand in een grooten zak onder zijn kiel, nam er een touw uit en reikte het Jean Valjean.
„Ziedaar, ik geef u dit touw op den koop toe.”
„Wat moet ik met dit touw?”
„Ge hebt ook een steen noodig, maar dien zult gij buiten wel vinden. Er ligt daar een hoop puin.”
„Waartoe een steen?”
„Domkop, gij wilt immers den doode in de rivier werpen, en ge hebt een steen en een touw noodig, anders drijft hij boven.”
Jean Valjean nam het touw. Er is niemand, die soms niet iets werktuiglijk aanneemt.
Thénardier knipte met de vingers alsof een plotselinge gedachte bij hem opkwam.
„Maar, hoe hebt ge gedaan, kameraad, om ginds uit den modderpoel te komen? ik heb er mij niet in durven wagen! Ba, ge riekt niet lekker.”
Na eenig zwijgen, voegde hij er bij:
„Ik vraag u, maar gij hebt gelijk niet te antwoorden. ’t Is goed wanneer men voor den rechter van instructie staat; bovendien, als men volstrekt niet spreekt is men niet in gevaar te luid te spreken. Om ’t even, hoewel ik uw gezicht niet zie en uw naam niet ken, zoudt ge u vergissen, zoo ge meent, dat ik niet weet wie ge zijt en wat ge wilt. Ik weet het. Gij hebt dien heer om ’t leven gebracht en nu zoudt ge hem ergens willen wegmoffelen. Ge hebt de rivier noodig, de groote verbergster van verkeerdheden. Ik zal u uit de verlegenheid helpen. Een ouden jongen te helpen is mij een genoegen.”
Terwijl hij Jean Valjeans stilzwijgendheid goedkeurde, poogde hij blijkbaar hem te doen spreken. Hij stiet hem met den schouder, om zijn gezicht van ter zijde te zien, en sprak zonder echter zijn stem luider te verheffen:
„Van den modderpoel gesproken, ge zijt zeer dom geweest. Waarom hebt ge er den man niet ingeworpen?”
Jean Valjean bleef zwijgen.
Thénardier hernam, terwijl hij het vod, dat hem tot halsdoek diende, optrok, een gebaar dat hem iets van de deftigheid van een ernstig man gaf:
„Trouwens, ge hebt misschien verstandig gehandeld. Morgen zouden de werklieden, die het beschadigde moeten herstellen, waarschijnlijk den doode vinden en men zou van ’t een tot het ander op het spoor komen en u uitvinden. Er is iemand in het riool geweest. Wie? Waar is hij er uit gegaan? heeft men hem er zien uitgaan? De politie is zeer slim. Het riool is verraderlijk en klaagt u aan. Zulk een vond is een zeldzaamheid, het wekt de aandacht; er zijn weinig lieden die zich voor hun zaken van het riool bedienen, terwijl de rivier aan iedereen behoort. De rivier is het ware riool. Na verloop van een maand wordt de man in de netten te Saint Cloud opgevischt. Nu, wat maakt dat uit? ’t is een kreng! Wie heeft dien man gedood? Parijs. En de justitie doet zelfs geen onderzoek. Ge hebt wèl gedaan.”
Hoe spraakzamer Thénardier was, des te stommer was Jean Valjean. Thénardier stiet hem opnieuw tegen den schouder.
„Laat ons den koop sluiten. Laat ons deelen. Ge hebt mijn sleutel gezien, laat mij uw geld zien.”
Thénardier had een wild, woest, gluipend voorkomen, sprak eenigszins dreigend, maar toch vriendelijk.
’t Was zonderling, Thénardiers bewegingen waren niet natuurlijk; hij scheen niet geheel op zijn gemak; hoewel niet op geheimzinnigen toon, sprak hij echter zacht; nu en dan legde hij zijn vinger op zijn lippen en fluisterde: „stil!” Het was moeielijk te raden waarom. Er was hier niemand dan zij beiden. Jean Valjean dacht, dat misschien andere bandieten in een naburigen hoek verborgen waren en Thénardier liever niet met hen wilde deelen.
Thénardier hernam:
„Laat ons tot een einde komen. Hoeveel had de doode in zijn zak?”
Jean Valjean tastte in zijn zakken.
’t Was, zooals men zich herinnert, zijn gewoonte altijd geld bij zich te hebben. Zijn treurig leven, dat immer tot hulpmiddelen gedoemd was, verplichtte hem hiertoe. Ditmaal echter was hij zonder geld. Toen hij den vorigen avond zijn uniform van nationale garde aantrok, had hij, in treurige gedachten verdiept, zijn portefeuille vergeten. Hij had slechts eenig klein geld in zijn vestzak. Hij ledigde zijn zakken, die vochtig van ’t slijk waren, en legde op den vooruitspringenden kant van den muur een louis-d’or, twee vijffrancsstukken en vijf of zes koperen sous.
Thénardier stak de onderlip vooruit met een veelbeteekenende draaiing van den hals.
„Ge hebt hem voor weinig geld vermoord,” zeide hij.
Hij begon nu heel familiaar de zakken van Jean Valjean en die van Marius te betasten. Jean Valjean, die voor alles den rug naar ’t licht wilde gekeerd houden, liet hem begaan. Met de gezwindheid van een goochelaar vond Thénardier, terwijl hij den rok van Marius betastte, middel, om, zonder dat Jean Valjean het bespeurde, een lap er af te scheuren en dien onder zijn kiel te verbergen, waarschijnlijk met de gedachte dat deze lap hem later kon dienen om den vermoorde en den moordenaar te herkennen. Hij vond overigens niet meer dan dertig francs.
„’t Is waar,” zeide hij, „gij hebt niets meer.” En vergetend wat hij gezegd had, van te zamen deelen, nam hij alles.
Hij scheen ten opzichte der soustukken een oogenblik te weifelen; doch na eenige overweging, nam hij ze ook, mompelende:
„’t Zij zoo! ’t is evenwel al te weinig om er een mensch voor te vermoorden.”
Hij nam opnieuw den sleutel van onder zijn kiel.
„Nu, vriend, moet ge hier uit. ’t Is hier als op de kermis, men betaalt bij het uitgaan. Gij hebt betaald, ga.”
Hij lachte.
Had hij, een onbekende met dien sleutel helpende en hem uit deze deur latende gaan, het zuiver, onbaatzuchtige oogmerk een moordenaar te redden? Wij twijfelen hieraan.
Thénardier hielp Jean Valjean Marius op zijn schouders laden, toen trad hij op de teenen zijner bloote voeten naar het hek, wenkte Jean Valjean hem te volgen, zag naar buiten, legde den vinger op zijn mond, en stond een oogenblik als besluiteloos stil; na gedaan onderzoek, stak hij den sleutel in het slot. De schoot versprong en het hek draaide op zijn hengsels, zeer zacht en zonder gekraak of geknars. Het was duidelijk, dat dit hek en zijn hengsels, die zorgvuldig geolied waren, veel vaker werden geopend dan men zou gemeend hebben. Die zachte draaiing was onheilspellend; ’t deed de heimelijke gangen van nachtelijke bezoekers en de stille schreden der misdaad vermoeden. Het riool was stellig de medeplichtige van een geheime bende. Dit zwijgende hek was een dievenheler. Thénardier opende het hek niet wijder dan noodig was om Jean Valjean door te laten, sloot het hek weder, draaide tweemalen den sleutel om, en verdween opnieuw in de duisternis, zonder meer gerucht dan een ademtocht te maken. Hij scheen op de fluweelen klauwen van den tijger te gaan. Een oogenblik later, was deze leelijke Voorzienigheid weer onzichtbaar geworden.
Jean Valjean was buiten.
















