Zondag, 19/04/2026 - 15:38

Onderweg spraken zij geen woord meer.

Wat wilde Jean Valjean? Voltooien wat hij begonnen had, Cosette waarschuwen, haar zeggen waar Marius was, haar misschien een of andere nuttige inlichting geven; zoo hij kon, zekere laatste beschikkingen nemen. Wat hem betrof, wat hem persoonlijk aanging, dat alles was hem onverschillig; hij was door Javert gegrepen en verzette er zich niet tegen; een ander dan hij zou, in zulk een toestand, misschien aan het touw, dat Thénardier hem gegeven had, gedacht hebben en aan de spijlen van het eerste cachot waarin hij komen zou; maar sinds den bisschop bestond bij Jean Valjean tegen elken aanslag, ware ze ook tegen hem zelven, een diepe godsdienstige aarzeling.

De zelfmoord, dit geheimzinnige feit tegen het onbekende, die, in zekere mate den dood der ziel kan bevatten, was voor Jean Valjean onmogelijk.

Bij den ingang der straat de l’Homme-Armé hield het rijtuig stil, wijl deze straat te nauw was voor het doorrijden van rijtuigen. Javert en Jean Valjean stegen uit.

De koetsier deed „mijnheer den inspecteur” deemoedig opmerken, dat het trijp van zijn rijtuig geheel met het bloed van den vermoorden man en het slijk van den moordenaar bezoedeld was. Dit althans had hij begrepen. Hij voegde er bij, dat hem een schadevergoeding toekwam. En terzelfder tijd, zijn zakboekje te voorschijn halende, verzocht hij mijnheer den inspecteur zoo goed te zijn een klein bewijs hiervan te schrijven.

Javert stiet het zakboekje, dat de koetsier hem toehield, weg, zeggende:

„Hoeveel moet ge hebben, uw wachten en rit er onder begrepen?”

„’t Is zeven en een kwart uur,” antwoordde de koetsier, „en mijn trijp was splinternieuw. Tachtig francs, mijnheer de inspecteur.”

Javert nam vier napoleons uit zijn zak en liet den huurkoetsier gaan.

Jean Valjean meende, dat het Javerts bedoeling was hem te voet naar den wachtpost des Blancs-Manteaux te voeren, of naar dien des Archives, welke in de nabijheid zijn.

Zij gingen de straat in, die als gewoonlijk eenzaam was.

Javert volgde Jean Valjean. Zij kwamen aan het huis no. 7.

Jean Valjean klopte aan. De deur opende zich.

„Goed,” zei Javert. „Ga binnen.”

Met een zonderlinge uitdrukking, en alsof ’t hem inspanning kostte, voegde hij er bij:

„Ik wacht u hier.”

Jean Valjean aanschouwde Javert. Deze wijze van handelen van Javert was weinig volgens zijn gewoonte. ’t Kon Jean Valjean evenwel niet zeer verrassen, dat Javert nu een soort van trots vertrouwen in hem stelde, het vertrouwen van de kat, die aan de muis een vrijheid zoo lang als haar poot vergunt, te meer wijl Jean Valjean thans bereid was zich over te geven en tot een einde te komen. Hij stiet de deur open, trad het huis binnen, riep tot den portier, die te bed lag en van uit zijn bed aan de deurkoord had getrokken: „Ik ben het,” en hij ging de trap op.

Op de eerste verdieping bleef hij staan. Alle lijdenswegen hebben hun statiën. Het venster van het portaal, een schuifraam, was open. Gelijk in vele oude huizen ontving de trap het licht van de straat door een venster, dat er op uitkwam. De straatlantaarn, daar juist tegenover, wierp eenig licht op de treden, ’t geen een opzettelijke verlichting uitwon.

Jean Valjean, hetzij om lucht te scheppen, hetzij werktuiglijk, zag uit het venster en boog zich over de straat, die kort was en van het eene tot het andere einde door de lantaarn verlicht werd.

Jean Valjean duizelde van verbazing; er was niemand meer.

Javert was heengegaan.

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *