Zondag, 19/04/2026 - 19:58

Opnieuw zette hij zijn weg voort.

Overigens scheen hij, zoo niet zijn leven, althans zijn krachten in den modderpoel gelaten te hebben. De overmatige inspanning had hem uitgeput. Hij was nu zoo vermoeid, dat hij verplicht was telkens om de drie of vier schreden tegen den muur te leunen, om in den adem te schieten. Eenmaal moest hij zich op den vooruitstekenden rand onder aan den muur van het gewelf neerzetten, om Marius van ligging te doen veranderen, en hij meende hier te zullen moeten blijven. Maar hoewel zijn lichaamskracht was uitgeput, zijn geestkracht echter niet. Hij richtte zich op.

Wanhopig trad hij voorwaarts, schier haastig, deed aldus een honderd schreden zonder het hoofd op te heffen, bijna zonder te ademen, en stiet toen eensklaps tegen den muur. Hij was aan een kromming van het riool gekomen, en die met gebogen hoofd genaderd zijnde, had hij den muur ontmoet. Hij sloeg de oogen op, en ginds aan het einde van het onderaardsch gewelf, ver, zeer ver, zag hij licht. Ditmaal was het geen verschrikkend licht; ’t was goed, helder licht, het daglicht.

Jean Valjean zag den uitgang.

Een verdoemde ziel, die te midden van den vuurgloed eensklaps den uitgang der hel zag, zou datgene gevoelen, wat Jean Valjean gevoelde. Zij zou als uitzinnig, met haar door de vlammen verzengde vleugels, naar de schitterende deur vliegen. Jean Valjean voelde geen vermoeidheid meer, geen zwaarte van Marius; hij vond zijn stalen spieren terug, hij liep meer dan hij ging. Naar gelang hij naderde, vertoonde zich de uitgang duidelijker. ’t Was een boog, minder hoog dan het gewelf, dat trapswijze lager werd, en minder breed dan de galerij, die zich vernauwde, in dezelfde mate als het gewelf daalde. De tunnel was aan het einde trechtervormig; een gebrekkige vernauwing, in navolging der gevangenispoorten, zeer logisch in een gevangenis, onlogisch in een riool, en dat sedert verbeterd is.

Jean Valjean bereikte den uitgang.

Daar bleef hij staan.

’t Was wel de uitgang; maar men kon er niet uitgaan.

De boog was met een stevig hek gesloten, en het hek, dat waarschijnlijk zelden op zijn verroeste hengsels draaide, was aan zijn steenen kozijn gehecht met een zwaar slot, dat, rood van de roest, een grooten baksteen geleek. Men zag het sleutelgat en den sterken schoot, die diep in de plaat stak. Het slot was volkomen goed gesloten en een dier bastillesloten, waaraan het oude Parijs zoo rijk was.

Aan de andere zijde van het hek zag men de open lucht, de rivier, het daglicht, den zeer smallen oeverkant, die echter breed genoeg was om zich er langs te verwijderen, de verre kaden, Parijs, dien afgrond, waarin men zich zoo gemakkelijk verbergen kan, den ruimen horizont, de vrijheid. Rechts zag men stroomafwaarts de Jena-brug, links, stroomopwaarts, de brug der Invaliden; de plek zou gunstig zijn geweest om er den nacht te blijven en dan te vluchten. ’t Was een der eenzaamste punten van Parijs; de oeverkant vlak tegenover Gros-Caillou. De vliegen vlogen heen en weder tusschen de spijlen van het hek.

’t Kon half negen ’s avonds zijn geweest. Het werd allengs donker.

Jean Valjean legde Marius tegen den muur op het droge gedeelte van den vloer, trad toen naar het hek en pakte met beide handen de spijlen; de hevige ruk had echter niet de minste uitwerking. Het hek bewoog zich niet. Jean Valjean greep een voor een de spijlen, in de hoop een minder stevige uit te kunnen rukken en er zich als een hefboom van te bedienen, om het slot af te breken. Maar geen spijl bewoog zich. De tanden van een tijger sluiten niet vaster in hun kassen. Geen hefboom; geen verbreking mogelijk. De weerstand was onverwinlijk. Er was geen middel om de deur te openen.

Moest hij hier omkomen? Wat moest hij doen? Wat zou van hem worden? Terugkeeren; den vreeselijken weg, dien hij afgelegd had, opnieuw beginnen; daartoe had hij de kracht niet. Hoe zou hij overigens andermaal den modderpoel doorkomen, waaruit hij zich slechts als door een wonder gered had. En was er niet bovendien de politie-ronde, welke men zekerlijk ten tweeden male niet zou ontgaan? Waarheen zou hij wijders gaan? welke richting volgen? Kwam hij aan een anderen uitgang, hij zou dien door een dam of hek gesloten vinden. Al de uitgangen waren ontwijfelbaar op deze of gene wijze gesloten. Zeer toevallig was de rooster, door welken hij was binnengekomen, losgeraakt; maar ongetwijfeld zouden al de andere openingen van het riool gesloten zijn.

’t Was hem slechts gelukt in een gevangenis te vluchten.

’t Was gedaan. Alles wat Jean Valjean verricht had, was vruchteloos geweest. Beiden waren in het ontzaggelijk doodswebbe gevangen, en Valjean voelde reeds, op haar zwarte draden, die in de duisternis trilden, de vreeselijke spin.

Hij keerde den rug naar het hek en viel eer dan hij zich zette op het plaveisel, naast den steeds bewegingloozen Marius, en liet zijn hoofd tusschen zijn knieën zinken. Geen uitkomst.

’t Was de laatste droppel van den angst.

Waaraan dacht hij in deze diepe neerslachtigheid. Noch aan zich zelven, noch aan Marius. Hij dacht aan Cosette.

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *