Dienzelfden dag, tegen vier uren des namiddags, zat Jean Valjean alleen op den kant van een der eenzaamste hoogten van het Marsveld. Hetzij voorzichtigheid, hetzij de wensch om zich aan zijn gedachten over te geven, of eenvoudig ten gevolge van een dier onmerkbare veranderingen, welke allengs in de gewoonten van iedereen ontstaan, ging hij thans zeer zelden met Cosette uit. Hij droeg een arbeidersbuis, en een grove linnen broek; terwijl een pet met breeden klep zijn gezicht bedekte. Hij was nu gerust en gelukkig ten aanzien van Cosette, en ’t geen hem eenigen tijd beangstigd en verontrust had, was verdwenen; maar sedert een paar weken waren bekommeringen van een anderen aard bij hem ontstaan. Op zekeren dag, dat hij langs den boulevard wandelde, had hij Thénardier gezien. In zijn verkleeding, had Thénardier hem niet herkend; maar sedert had Jean Valjean hem herhaaldelijk wedergezien, en hij had thans de zekerheid, dat Thénardier in de wijk rondsloop. Dit was voldoende geweest om hem een groot besluit te doen nemen. Met Thénardier waren alle gevaren voor hem aanwezig. Parijs was buitendien niet rustig; de politieke beroeringen waren voor ieder een bezwaar, die iets van zijn leven te verbergen had, wijl de politie zeer wakker en nauwlettend was geworden, en zij, bij ’t opsporen van een Pépin of Morey, zeer licht iemand als Jean Valjean kon ontdekken. Jean Valjean had besloten Parijs, ja zelfs Frankrijk, te verlaten en naar Engeland over te steken. Cosette had hij ervan verwittigd. Binnen acht dagen wilde hij vertrekken. Hij zat op eene hoogte van het Marsveld, terwijl allerlei gedachten bij hem opkwamen, Thénardier, de politie, de reis, en de moeielijkheid zich een pas te bezorgen.
Ten aanzien van al deze punten was hij zeer bekommerd.
Eindelijk had een onverklaarbaar feit, dat hem had getroffen en hem nog geheel vervulde, zijn waakzaamheid vermeerderd. Toen hij des morgens van dien dag alleen in het huis op was en in den tuin wandelde, vóór dat de blinden van Cosettes kamer geopend waren, had hij plotseling op den muur deze woorden gevonden, die zoo ’t scheen met een spijker gekrabd waren:
16. Straat de la Verrerie.
’t Was nog geheel versch, de insnijding op de oude, zwarte kalk was zuiver wit, en een struik brandnetels aan den voet des muurs was met witte kalkstof bepoederd. ’t Was waarschijnlijk des nachts geschreven. Wat beteekende het? een adres? een teeken voor anderen? een waarschuwing voor hem? In allen geval was het duidelijk, dat de tuin betreden was en vreemden er binnengedrongen waren. Hij herinnerde zich de zonderlinge omstandigheden, welke het huis reeds vroeger verontrust hadden. Zijn geest hield zich met dit alles bezig en bouwde er allerlei gissingen op. Hij hoedde zich Cosette van het geschrevene op den muur te spreken, uit vrees van haar te beangstigen.
Terwijl hij zich aan zijn gedachten overgaf, zag hij aan een schaduw, welke de zon wierp, dat iemand op den top der hoogte, waarop hij zat, dicht achter hem stond. Hij wilde het hoofd omwenden, toen een in vieren gevouwen papier op zijn knieën viel, als had een hand boven zijn hoofd het laten vallen. Hij nam het papier, opende het en las er dit, met potlood en met groote letters geschreven woord op:
„VERHUIS.”
Jean Valjean richtte zich haastig op, maar er was niemand meer achter hem; hij zag rondom zich en bespeurde een wezen iets grooter dan een kind, kleiner dan een man, in een grijzen kiel en stofkleurige manchestersche broek, dat zoo hard het kon wegliep, en zich in de gracht van het Marsveld liet glijden.
Jean Valjean ging onverwijld, in diepe gedachten, naar huis.
















