Marius had troosteloos den heer Gillenormand verlaten. Hij was met zeer geringe hoop tot hem gegaan; in een onmetelijke wanhoop keerde hij terug.
Overigens, en zij die de beginselen van het menschelijk hart hebben gadegeslagen, zullen het begrijpen, de lansier, de officier, de modegek, neef Theodule, had volstrekt geen schaduw in zijn gemoed achtergelaten. Niet de minste. De dramatische dichter zou schijnbaar eenige verwikkeling kunnen verwachten, ten gevolge van dit onverhoedsche onderhoud tusschen den grootvader en den kleinzoon. Maar wat het drama er bij won zou de waarheid verliezen. Marius was in dien leeftijd, wanneer men aan niets kwaads gelooft; later komt de tijd dat men alles gelooft. Achterdocht en wantrouwen zijn niet anders dan rimpels. De jeugd heeft er geen. Wat Othello in beroering brengt, glijdt af op Candide, Cosette te wantrouwen! Er zijn een aantal misdaden, waartoe Marius veel eerder zou in staat zijn.
Hij begon door de straten te loopen, ’t geen het hulpmiddel der lijdenden is. Hij dacht aan niets, zoover hij zich herinneren kon. Te twee uren in den nacht kwam hij bij Courfeyrac te huis en wierp zich gekleed op zijn matras. ’t Was helder licht, toen hij in slaap viel, in dien vreeselijken zwaren slaap, welke de gedachten in de hersenen dooreen doet woelen. Toen hij ontwaakte, zag hij in de kamer Courfeyrac, Enjolras, Feuilly en Combeferre, allen met den hoed op het hoofd, en zeer druk, gereed staande om uit te gaan.
Courfeyrac vroeg hem:
„Gaat ge mede naar de begrafenis van generaal Lamarque?”
Het scheen hem, alsof Courfeyrac Chineesch sprak.
Hij ging eenigen tijd na hen uit. Hij stak de pistolen in zijn zak, welke Javert hem bij gelegenheid van het avontuur op den 3den Februari had toevertrouwd en die in zijn bezit waren gebleven. Deze pistolen waren nog geladen. ’t Is moeilijk te zeggen, welke sombere gedachten zijn geest vervulden, toen hij ze medenam.
Den geheelen dag zwierf hij rond zonder te weten waar; het regende nu en dan, zonder dat hij het bespeurde; hij kocht tot zijn middagmaal een broodje van een sou bij een bakker, stak het in den zak en vergat het. Het schijnt dat hij een bad in de Seine nam, zonder er zich bewust van te zijn. Er zijn oogenblikken, dat men een gloeienden oven in het hoofd heeft. Marius was in een dier oogenblikken. Hij hoopte niets meer, hij vreesde niets meer; zoover was hij sinds den vorigen avond gekomen. Met koortsig ongeduld wachtte hij den avond; slechts één duidelijk denkbeeld had hij, namelijk: dat hij te negen uren Cosette zou zien. Dit laatste geluk was thans zijn geheele toekomst; daarachter duisternis. Terwijl hij langs de eenzaamste boulevards ging, meende hij van tijd tot tijd een zonderling gerucht in Parijs te hooren. En uit zijn droomerijen ontwakende, vroeg hij bij zich zelven: „Wordt er gevochten?”
Bij het vallen van den avond, met klokslag van negen uren was hij, zooals hij aan Cosette had beloofd, in de straat Plumet. Toen hij het hek naderde, vergat hij alles. Sinds acht-en-veertig uren had hij Cosette niet gezien; nu zou hij haar wederzien; voor deze gedachte verdwenen alle andere, en hij voelde niets dan een onbeschrijfelijke, innige vreugd. Die minuten, waarin men eeuwen doorleeft, bezitten steeds dit verhevene en merkwaardige, dat zij, wanneer zij aanwezig zijn, ons hart geheel vervullen.
Marius nam de tralie uit het hek en spoedde in den tuin. Cosette was niet op de plaats, waar zij hem gewoonlijk wachtte. Hij ging door het struikgewas naar den hoek bij de stoep.—Daar wacht zij mij, zeide hij.—Cosette was er niet. Hij sloeg de oogen omhoog, en zag dat de blinden van het huis gesloten waren. Toen ging hij den tuin rond, niemand was er. Daarop keerde hij naar het huis terug, en van liefde waanzinnig en dronken, ontsteld, buiten zich zelven van smart en ongerustheid, klopte hij, als iemand die op een onverwacht oogenblik te huis komt, tegen de vensters. Hij klopte, klopte nogmaals, op het gevaar af het venster te zien openen en het verstoord gezicht van den vader te zien verschijnen, hem vragende: Wat wilt ge? Dit beteekende niets bij hetgeen hij vermoedde. Toen hij geklopt had, verhief hij de stem en riep Cosette. „Cosette!” riep hij. „Cosette!” herhaalde hij gebiedend Men antwoordde niet. ’t Was gedaan! Er was niemand in den tuin; niemand in het huis.
Marius vestigde zijn wanhopigen blik op dit treurig huis, dat even donker, even stil en ledig als een graf was. Hij zag de steenen bank waarop hij zooveel zalige oogenblikken naast Cosette had doorgebracht. Toen zette hij zich op de treden van het bordes, het hart vol teederheid en beradenheid; hij zegende zijn liefde in den grond zijns harten en zeide bij zich zelven, dat, nu Cosette was vertrokken, hem niets overbleef dan te sterven.
Eensklaps hoorde hij een stem, die van de straat scheen te komen en door het geboomte heen klonk:
„Mijnheer Marius!”
Hij richtte zich op.
„Wat is dat?” zei hij.
„Mijnheer Marius, zijt ge hier?”
„Ja.”
„Mijnheer Marius,” hernam de stem, „uw vrienden wachten u aan de barricade der straat de la Chanvrerie.”
Deze stem was hem niet geheel onbekend. Zij geleek de heesche, schorre stem van Eponine. Marius ijlde naar het hek, nam de losse tralie weg, stak zijn hoofd er door, en zag iemand, die hem een jongeling scheen, in de schemering ijlings wegloopen.
















