De beurs van Jean Valjean was voor den heer Mabeuf nutteloos. Deze had in zijn eerbiedwaardige kinderlijke nauwgezetheid het geschenk der sterren niet aangenomen; hij had niet willen gelooven, dat een ster tot louisd’or kon gemunt worden. Hij had niet kunnen gissen, dat, wat uit den hemel viel, van Gavroche kwam. Hij had de beurs aan den politiecommissaris der wijk gebracht, als een verloren voorwerp, dat door den vinder ter beschikking des navragers was gesteld. De beurs was inderdaad verloren. Het spreekt vanzelf, dat niemand ze opvroeg, en zij den heer Mabeuf niet het minste voordeel gaf.
Overigens zonk de heer Mabeuf steeds dieper.
De proefnemingen met de indigo waren evenmin in den plantentuin als in zijn tuin van Austerlitz gelukt. Van het vorige jaar was hij aan zijn huishoudster nog het loon schuldig; nu, zooals men gezien heeft, was hij den huiseigenaar huur schuldig. Na verloop van dertien maanden had de lombard de koperen platen zijner Flora verkocht. Een koperslager had er braadpannen van gemaakt. Toen deze koperen platen verdwenen waren, en hij de defecte exemplaren, welke hij van zijn Flora nog bezat, niet eens kon completeeren, had hij aan een koopman in oude boeken, platen en tekst voor een bagatel verkocht. Niets was hem meer van het werk zijns ganschen levens overgebleven. Hij begon het geld zijner exemplaren te verteren. Toen hij zag, dat dit geringe hulpmiddel ten einde liep, gaf hij zijn tuin op en liet hem braak liggen. Vooraf, zeer lang vooraf, had hij reeds afgezien van de twee eieren en het stukje rundvleesch, dat hij nu en dan at. Zijn middagmaal bestond uit brood en aardappelen. Hij had zijn laatste huisraad verkocht, vervolgens al wat hij kon missen van zijn beddegoed, zijn kleederen en dekens; toen zijn herbarium en platen; maar hij bezat nog zijn kostbaarste boeken, waarbij hoogst zeldzame, onder andere les Quadrins historiques de la Bible, editie van 1560, la Concordance des Bibles van Pierre de Besse; les Marguerites de la Marguerite van Jean de la Haye, opgedragen aan de koningin van Navarra, het boek getiteld de la Charge et dignité de l’ambassadeur, door Villiers Hotman; een Florilegium rabbinicum van 1664; een Tibullus van 1567, met deze prachtige inscriptie, Venetiis, in aedibus Manutianis; eindelijk een Diogenes Laërtius, in 1644 te Lyon gedrukt, en waarin zich de vermaarde varianten bevonden van het manuscript 411, dertiende eeuw, van het vatikaan, en die der twee manuscripten van Venetië, 393 en 394, die met zooveel vrucht door Henri Estienne geraadpleegd zijn, en al de plaatsen in Dorisch dialect, welke zich slechts in het vermaarde manuscript der twaalfde eeuw in de bibliotheek van Napels bevonden. De heer Mabeuf stookte in ’t geheel geen vuur meer in zijn kamer en ging als het donker werd naar bed, om geen licht te branden. Het scheen dat hij geen buren meer had; men vermeed hem, wanneer hij uitging; hij merkte dit. Een moeder is gevoelig voor de armoede van haar kind, een meisje voor die van een jongeling, maar niemand is gevoelig voor de armoede van een grijsaard. Voor dezen nood is men het koelst van alles. Mabeuf had echter niet geheel en al zijn kinderlijke opgeruimdheid verloren. Zijn oog werd eenigszins levendig, wanneer het zich op zijn boeken richtte, en hij glimlachte bij ’t zien van zijn Diogenes Laërtius, dat een eenig exemplaar was. Zijn glazenkast was het eenig meubelstuk, dat hij buiten het onmisbare gehouden had.
Op zekeren dag zei moeder Plutarchus tot hem:
„Ik heb geen geld om voor het middageten te zorgen.”
Dit middageten bestond uit een broodje en vier of vijf aardappelen.
„Koop op crediet!” zei Mabeuf.
„Ge weet immers dat men mij niet meer borgen wil.”
Mijnheer Mabeuf opende zijn bibliotheek, monsterde lang een voor een al zijn boeken, gelijk een vader, die verplicht is een zijner kinderen op te offeren, ze zou aanschouwen, alvorens een keus te doen; greep er toen haastig een, nam het onder den arm en ging uit. Twee uren later kwam hij te huis zonder iets onder den arm, legde dertig sous op de tafel en zeide:
„Maak nu het middagmaal klaar.”
Van dien oogenblik zag moeder Plutarchus een donkere schaduw over het anders zoo heldere gelaat des grijsaards, welke schaduw niet meer verdween.
Den eenen dag na den anderen moest hij zulks herhalen. De heer Mabeuf ging uit met een boek en kwam te huis met een geldstuk. Wijl de kooplieden in oude boeken opmerkten, dat hij gedwongen was te verkoopen, kochten zij van hem voor twintig sous, waarvoor hij soms aan dezelfde boekverkoopers twintig francs had betaald. Boek voor boek verdween de geheele bibliotheek. Nu en dan zeide hij. „Ik ben toch tachtig jaar oud,” als had hij een stille hoop van aan het einde zijner dagen te komen, vóór hij aan het einde zijner boeken kwam. Zijn treurigheid nam steeds toe. Eenmaal had hij echter een vreugd. Hij ging met een Robert Estienne uit, dien hij op de kade Malaquais voor vijf-en-dertig sous verkocht, en kwam met een Aldus te huis, dien hij in de straat des Grès voor veertig sous had gekocht. „Ik ben vijf sous schuldig,” zeide hij schitterend van blijdschap tot moeder Plutarchus. Dien dag at hij niet.
Hij was lid der Tuinbouw-maatschappij. Men kende er zijn armoede. De president dier maatschappij kwam hem eens bezoeken, beloofde met den minister van landbouw en handel over hem te zullen spreken, en deed dit.—„Maar, mijn Hemel!” riep de minister. „Een oude geleerde, een botanicus, een mensch die niemand kwaad doet! Er moet iets voor hem gedaan worden!” Den volgenden dag ontving mijnheer Mabeuf een uitnoodiging om bij den minister te dineeren. Hij liet van blijdschap bevende den brief aan moeder Plutarchus zien! „Wij zijn gered!” zeide hij. Op den bepaalden dag begaf hij zich tot den minister. Hij merkte op, dat zijn gekreukte das, zijn ruime ouderwetsche rok en zijn met eiwit gesmeerde schoenen de deurwachters verwonderden. Niemand sprak hem toe, zelfs niet de minister. Tegen tien uren ’s avonds, terwijl hij nog altijd een woord verwachtte, hoorde hij de echtgenoot van den minister, een schoone coquette dame, welke hij niet had durven naderen, vragen: „Wie is toch die oude heer?” Hij ging te middernacht, onder een hevigen stortregen naar huis. Hij had een Elzevier verkocht, om het huurrijtuig te betalen, dat hem naar het diner bracht.
Alle avonden vóór hij naar bed ging was hij gewoon, eenige bladzijden in zijn Diogenes Laërtius te lezen. Hij verstond genoeg Grieksch om de bijzondere schoonheden van den tekst te genieten. Hij had thans geen andere vreugde meer. Er verstreken eenige weken. Onverwacht werd moeder Plutarchus ziek. Er is iets nog treuriger dan geen geld te hebben om bij den bakker brood te koopen, en dat is: geen geld te hebben om bij den apotheker geneesmiddelen te koopen. Zekeren avond had de dokter een zeer duur drankje voorgeschreven. Bovendien werd de ziekte erger en er was een waakster noodig. Mijnheer Mabeuf opende zijn boekenkast, er was niets meer. Het laatste boek was verdwenen. Hem bleef niets meer over dan Diogenes Laërtius.
Hij nam het hoogst zeldzame exemplaar onder den arm en ging uit; ’t was de 4 Juni 1832; hij begaf zich tot den opvolger van Royol hij de poort St. Jacques, en kwam terug met honderd francs. Hij zette den stapel vijffrancstukken op het nachttafeltje der oude dienstbode en ging naar zijn kamer zonder een woord te zeggen.
Den volgenden morgen ging hij reeds zeer vroeg op den steen in zijn tuin zitten, en over de heg kon men hem den geheelen morgen bewegingloos, met gebogen hoofd, en met flauwen blik op zijn verwelkte bloembedden zien staren. Het regende nu en dan; de grijsaard scheen het niet te merken. Des namiddags ontstond in Parijs een buitengewoon gerucht. Het schenen geweerschoten en het rumoer van een menigte menschen.
De oude Mabeuf hief het hoofd op. Hij zag een tuinman, die voorbijging, en vroeg hem:
„Wat is dat?”
De tuinman antwoordde, met de spade op den schouder en op rustigen toon:
„Een oproer.”
„Wat? een oproer?”
„Ja; men vecht.”
„Waarom vecht men?”
„Ja, dat weet ik niet,” zei de tuinman.
„Naar welken kant?” vroeg Mabeuf.
„Naar den kant van het Arsenaal.”
Mabeuf ging in huis, nam zijn hoed, zocht werktuiglijk een boek om het onder den arm te nemen, vond er geen en zeide:
„O, ’t is waar!” en ging verstrooid uit.
















