Maandag, 20/04/2026 - 09:03

Men heeft de Thénardier’s in ons verhaal tot hiertoe van ter zijde gezien; het oogenblik is gekomen om dit paar van alle kanten te beschouwen.

Thénardier was over de vijftig jaren; zijne vrouw had bijna haar veertigste bereikt, dat het vijftigste der vrouw is, zoodat man en vrouw in ouderdom tegen elkander opwogen.

Misschien hebben de lezers, sedert haar eerste verschijning, nog eenige herinnering van deze groote, blonde, roode, vette, vleezige, vierkante, zware en vlugge vrouw Thénardier behouden; zij had iets, wij hebben ’t reeds gezegd, van het ras der wilde, kolossale vrouwmenschen, die op de kermissen het hoofd krommen onder het gewicht der aan heur haarvlechten gehangen keisteenen. Zij deed alles in het huis, bedden opmaken, kamers schoonmaken, de wasch, de keuken, zij maakte regen en zonneschijn en speelde bij gelegenheid voor den duivel. Zij had geen andere dienstmeid dan Cosette; een muis in den dienst van een olifant. Alles beefde voor den klank harer stem, vensterruiten, huisraad en menschen. Haar breed met sproeten bedekt gezicht had het aanzien van een schuimspaan. Zij had een baard. Zij was het ideaal van een lastdrager in vrouwenkleeding. Zij vloekte als een matroos en beroemde er zich op, een noot met een vuistslag te kunnen stuk slaan. Zoo zij geen romans had gelezen, die soms op zonderlinge wijze het nufje onder dit manwijf deden te voorschijn komen, zou ’t niemand ooit in de gedachte zijn gekomen, haar voor een vrouw te houden. Deze vrouw Thénardier was als het voortbrengsel der enting van een juffertje op een vischwijf. Wanneer men haar hoorde spreken zeide men: ’t Is een gendarm; wanneer men haar zag drinken, zeide men: ’t Is een voerman; wanneer men haar Cosette zag mishandelen, zeide men: ’t Is de beul. Als zij sliep stak een tand uit haar mond.

Thénardier was een klein, mager, bleek, hoekig, knokig, tenger [87]man, met een ziekelijk gezicht, maar die volkomen gezond was; hiermede begon zijn bedriegerij. Hij glimlachte gewoonlijk uit voorzorg, en was schier jegens iedereen beleefd, zelfs jegens den bedelaar, wien hij een aalmoes weigerde. Hij had het gezicht van een bunsing en het voorkomen van een geletterde. Hij leek veel op de portretten van den abt Delille. Hij stelde er een eer in, tegen voerlieden te drinken. Niemand had hem dronken kunnen maken. Hij rookte uit een groote pijp. Hij droeg een kiel, en onder zijn kiel een ouden zwarten rok. Hij gaf zich gaarne den schijn van letterkundige en materialist. Hij gebruikte gaarne eenige namen, om, wat hij ook zeide, te staven; Voltaire, Raynal, Parny en, zonderling, St. Augustinus. Hij verklaarde een „stelsel” te hebben. Overigens was hij een groote afzetter. Een „filousophe.” Zulke samenvoegingen bestaan. Men weet, dat hij beweerde gediend te hebben; hij verhaalde met eenigen bluf, dat toen hij bij Waterloo als sergeant bij ’t 6e of 9e – ’t doet er niet toe – lichte infanterie stond, hij alleen tegen een escadron zwarte huzaren „een gevaarlijk gewonden generaal” met zijn lichaam bedekt en door het schrootvuur heen gered had. Vandaar voor zijn deur zijn schitterend uithangbord, en de naam van zijn herberg „de sergeant van Waterloo.” Hij was liberaal, classiek en bonapartist. Hij had voor het Champ d’asile ingeteekend. In het dorp zeide men, dat hij voor priester had gestudeerd.

Wij gelooven, dat hij eenvoudig in Holland voor herbergier had gestudeerd. Deze schurk der samengestelde orde was volgens alle waarschijnlijkheid een Vlaming uit Rijssel in Vlaanderen, een Franschman te Parijs, een Belg te Brussel, die met gemak schrijlings op twee grenzen zat. Men kent zijn heldendaad te Waterloo. Men ziet, dat hij ze een weinig overdreef. Vloed en ebbe, draaien en wenden, avonturen waren de elementen van zijn leven; een gescheurd geweten maakt een los leven; en Thénardier behoorde waarschijnlijk, in het stormachtig tijdstip van 18 Juni 1815, aan die verscheidenheid van stroopende marketenters, van welke wij gesproken hebben, die door het land zwerven, aan dezen verkoopende, genen bestelende, en met een geheel gezin, man, vrouw en kinderen, in een kreupel karretje de marcheerende troepen volgende, met het instinct zich steeds bij het overwinnend leger te houden. Na, dezen veldtocht had hij, zooals hij zeide, iets overgespaard, en was te Montfermeil een herberg begonnen.

Zijn besparingen, die uit beurzen en horloges, gouden ringen en zilveren kruisen bestonden en in de met lijken bezaaide voren waren geoogst, maakten geen groot kapitaal [88]uit en hadden den kroeghouder geworden marketenter niet ver gebracht.

Thénardier had iets onbeschrijfelijk houterigs in zijn gebaar, dat, bij een vloek, aan de kazerne, en, bij een kruis, aan het seminarie herinnert. Hij sprak mooi en gaf zich gaarne den schijn van geleerdheid. De schoolmeester had echter opgemerkt dat hij vaak „groote bokken” schoot. – Hij wist uitmuntend de rekening der reizigers op te maken, maar geoefende oogen vonden er veel spelfouten in. Thénardier was een gluiper, een zwelger, een straatslijper en sluw. Hij verachtte zijn dienstmeiden niet, waarom zijn vrouw er geen meer hield. Deze reuzin was jaloersch, zij meende dat deze kleine magere, gele man het voorwerp der algemeene begeerlijkheid moest zijn.

Thénardier, met zijn listig, berekenend karakter, was een schurk van de gematigde soort. Deze soort is de ergste; daarmede vermengt zich de huichelarij.

Thénardier was bij gelegenheid niet minder tot toorn in staat dan zijne vrouw; maar deze aanvallen waren bij hem zeer zelden, en wijl hij in zulke oogenblikken het geheele menschelijke geslacht te lijf wilde, wijl in hem een diepe gloed van haat lag, wijl hij een dier lieden was, die zich altijd willen wreken, die alles beschuldigen wat hun voorbijgaat en wat op hen neerkomt, en steeds gereed zijn op den eerste den beste, als een wettige grieve, het gezamenlijk bedrag hunner teleurstellingen, bankroeten en rampen des levens te werpen, – wanneer al deze zuurdeesem in hem gistte en in zijn mond en oogen brandde, was hij vreeselijk. Wee hem, die dan onder zijne woede kwam!

Buiten zijn overige hoedanigheden was Thénardier oplettend en scherpzinnig, naar gelegenheid stil of praatachtig, doch altijd met groote schranderheid. Hij had iets in zijn blik van de zeelieden, die gewoon zijn in den verrekijker te knipoogen. Thénardier was een staatsman.

Ieder nieuweling die de kroeg binnentrad en vrouw Thénardier zag, zeide: zij is de meester in huis. Vergissing. Zij was zelfs de meesteres niet. De meester en de meesteres was de man. Zij handelde, hij schiep. Hij bestierde alles met een soort van onzichtbare, voortdurende magnetische werking. Een woord, soms een wenk was voor hem voldoende, en de mastodonte gehoorzaamde. Thénardier was voor vrouw Thénardier, zonder dat zij er zich van bewust was, een soort van bijzonder en oppermachtig wezen. Zij bezat de deugden van haar soort; wanneer ze over eenige zaak met „mijnheer Thénardier” in tegenspraak was geweest – een overigens [89]schier onmogelijke veronderstelling – zou zij haar man nooit openlijk ongelijk geven, waarin ’t ook wezen mocht. Nooit zou zij, tegenover vreemden, de bij vrouwen zoo gewone fout gepleegd hebben, den man, zooals men ’t noemt, de kroon van ’t hoofd te nemen. Hoewel hun eensgezindheid slechts kwaad ten doel had, was er toch eerbied in de onderwerping van vrouw Thénardier aan haar man. Deze berg van gerucht en vleesch bewoog zich onder den pink van dezen tengeren despoot. ’t Was, van haar dwergachtige en bespottelijke zijde beschouwd, deze groote algemeene zaak: de beheersching der stof door den geest; want het leelijke heeft soms zijn reden van bestaan, zelfs in de diepten van het eeuwig schoone. Er was in Thénardier iets onbekends; vanhier het volstrekte gezag van dezen man op deze vrouw. In sommige oogenblikken zag zij in hem een brandende kaars; in andere voelde zij hem als een klauw.

Deze vrouw was een geducht schepsel, dat alleen haar kinderen beminde en slechts haar man vreesde. Zij was moeder, wijl zij zoogdier was. Haar moederschap bepaalde zich overigens slechts tot haar dochters, en strekte, zooals men zien zal, zich niet tot de jongens uit. Hij, de man, had slechts één gedachte – zich te verrijken.

’t Gelukte hem niet. Aan dit groote talent ontbrak een geschikt tooneel. Thénardier werd te Montfermeil arm, zoo ’t mogelijk is met niets arm te worden; in Zwitserland of in de Pyreneeën zou hij millionair zijn geworden. Maar waar het lot den herbergier bindt, moet hij grazen.

Men begrijpt dat het woord „herbergier” hier in beperkten zin is gebezigd en zich niet over een geheele klasse uitstrekt.

In ditzelfde jaar 1823 had Thénardier ongeveer vijftienhonderd francs dringende schulden, ’t geen hem zeer bezorgd maakte.

Hoe halsstarrig de onrechtvaardigheid van het lot jegens hem was, Thénardier behoorde tot die menschen, welke het best, het innigst en op de nieuwste wijze datgene begrijpen, wat bij de barbaarsche volken een deugd en bij de beschaafde volken een koopwaar is, de gastvrijheid. Overigens was hij een uitmuntend jachtstrooper en vermaard wegen de juistheid van zijn schot. Zijn koude kalme glimlach was bijzonder gevaarlijk.

Zijn herbergiers-theorieën schoten soms als weerlichten uit hem. Hij had grondregels van zijn beroep, welke hij in den geest zijner vrouw prentte. – De plicht van den herbergier, zeide hij haar eenmaal met nadruk en zachte stem, is aan ieder die komt gekookte spijs, rust, licht, vuur, vuile bedlakens, vlooien en beleefdheid te verkoopen; de reizigers op te houden, de schrale beurzen te ledigen en de goedgevulde fatsoenlijk te verlichten, de reizende gezinnen huisvesting te verleenen, den man te snijden, de vrouw te plukken en het kind af te zetten; in rekening te brengen voor het open venster, het gesloten venster, den hoek van den haard, den armstoel, den stoel, de bank, het voetbankje, het veerebed, de matras en den bos stroo; te weten hoeveel de schaduw den spiegel verslijt en hiervoor te rekenen, en, bij de vijfmaalhonderd duizend duivels, den reiziger alles te doen betalen, zelfs de vliegen die zijn hond eet!”

Deze man en vrouw waren de in den echt getreden list en de woede, een leelijk en vreeselijk span.

Terwijl de man overlegde en berekende, dacht de vrouw niet aan de afwezende schuldeischers, noch bekommerde zich om het gisteren of morgen, maar leefde in haar toorn slechts voor ’t oogenblik.

Zoodanig waren deze twee wezens. Cosette, die tusschen hen stond, ondervond hun dubbele werking, als een schepsel, dat onder een molensteen verpletterd en door een knijptang geknepen wordt. De man en de vrouw hadden ieder een verschillende handelwijze; Cosette werd met slagen gebeukt, dat kwam van de vrouw; zij ging blootvoets, dat kwam van den man.

Cosette was nu boven, dan beneden, waschte, schuurde, boende, veegde, liep, werkte, sloofde, droeg zware lasten en, hoe klein zij was, deed het grove werk. Geen medelijden; een wreede meesteres, een kwaadaardig meester. De kroeg van Thénardier was als een spinneweb, waarin Cosette gevangen was en beefde. Het ideaal der verdrukking was in deze treurige dienstbaarheid verwezenlijkt. ’t Had iets van een vlieg, in dienst van spinnen.

Lijdelijk zweeg het arme kind.

Wat heeft in zulke zielen plaats, die reeds van jongs af klein en naakt onder vreemden zijn gekomen, wanneer zij God verlaten?

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *