Cosette kon zich niet bedwingen een schuinschen blik naar de groote pop te slaan, die nog altijd in de prachtige kraam stond uitgestald; daarna klopte zij aan. De deur werd geopend. Vrouw Thénardier verscheen met een kaars in de hand.
„Ha, zijt gij ’t, kleine deugniet! God vergeef me, ge hebt er wel den tijd toe genomen, gij hebt zeker gespeeld!”
„Madame,” zei Cosette bevend, „hier is een heer die komt logeeren.”
Vrouw Thénardier trok spoedig haar norsch gezicht tot een vriendelijken glimlach, een bij herbergiers zeer gewone verandering van tooneel, en zag begeerig naar den nieuw aangekomene.
„Gij, mijnheer?” zeide zij.
„Ja, madame,” antwoordde de man, de hand aan zijn hoed brengende.
De rijke reizigers zijn niet zoo beleefd. Dit gebaar en ’t gezicht van het kostuum en de bagage van den vreemdeling, die vrouw Thénardier met een oogwenk had opgenomen, deden den vriendelijken glimlach weder verdwijnen en het norsche gezicht opnieuw voor den dag komen. Zij hernam droogjes:
„Kom binnen, vriend.”
De „vriend” trad binnen. Vrouw Thénardier sloeg opnieuw een blik op hem, beschouwde nauwkeurig zijn jas, die geheel kaal en zijn hoed die eenigszins gedeukt was en raadpleegde, hoofdschuddend, den neus optrekkend en knipoogend, haar man, die nog altijd met de voerlieden dronk. De man antwoordde met die onmerkbare beweging van den voorvinger, gepaard aan de uitzetting der lippen, welke in dergelijke gevallen beteekende: „niets aan te verdienen.” Waarop vrouw Thénardier sprak:
„’t Spijt mij, beste vriend, maar er is geen plaats meer.”
„Plaats mij waar ge wilt,” zei de man, „op den zolder, in den stal. Ik zal betalen alsof ik een kamer had.”
„Twee francs.”
„Twee francs. Goed.”
„Twee francs,” zei een voerman zacht tot vrouw Thénardier, „en ’t is slechts één franc.”[107]
„’t Is voor hem twee francs,” antwoordde vrouw Thénardier op denzelfden toon. „Ik logeer geen armen minder.”
„Dit is waar,” voegde de echtgenoot er gemoedelijk bij; „’t geeft een huis een slechten naam, zulk volk te logeeren.”
Intusschen had de man, na zijn pakje en stok op een bank te hebben gelegd, aan een tafeltje plaats genomen, waarop Cosette haastig een flesch wijn en een glas had gezet. De koopman, die den emmer water had gevraagd, was zelf het zijn paard gaan brengen. Cosette had haar plaats onder de keukentafel weder ingenomen en ook haar breiwerk gezocht.
De man, die nauwelijks zijn lippen had bevochtigd met den wijn, dien hij zich had ingeschonken, aanschouwde het kind met zonderlinge oplettendheid.
Cosette was leelijk. Ware zij gelukkig, dan zou ze misschien mooi zijn geweest. Wij hebben bereids deze sombere figuur geschetst. Cosette, bijna acht jaren oud, was mager en bleek; men zou haar nauwelijks op zes jaren hebben geschat. Haar groote oogen, als in schaduw verzonken, waren schier van ’t weenen uitgedoofd. De hoeken van haar mond hadden gewoonlijk dien angstigen plooi, welken men bij veroordeelden en bij hopelooze zieken opmerkt. Zij had winterhanden, zooals haar moeder geraden had. Het vuur, dat haar op dit oogenblik bescheen, deed de hoeken van haar beenderen uitkomen en liet op schrikbare wijze zien hoe mager zij was. Wijl zij aanhoudend van koude bibberde, had zij de gewoonte aangenomen, beide knieën tegen elkander te drukken. Haar kleeding bestond uit lompen, en zou des zomers medelijden hebben verwekt, terwijl ze ’s winters deed ijzen. Zij had niets aan, dan versleten katoen, geen lapje wol. Hier en daar scheen haar vel door, en overal bespeurde men blauwe of blonde plekken, welke de plaatsen aanduidden, waar vrouw Thénardier haar geslagen had. Haar naakte beenen waren rood en mager. De holte om hare schouderbladen was om van te schreien. De geheele persoon van het kind, haar gang, haar houding, de klank harer stem, haar afgebroken woorden, haar blik, haar stilte, haar minste beweging drukten een enkele gedachte uit: vrees.
De vrees had haar geheel ingenomen; zij was er om zoo te spreken mede overdekt; de vrees bracht haar ellebogen tegen haar heupen, trok haar hielen onder haar rokjen, deed haar de kleinst mogelijke plaats beslaan, liet haar slechts zooveel ademen als noodig was, en was om zoo te spreken haar lichaamsgewoonte geworden, die voor geene verandering dan alleen toeneming vatbaar was. In haar oogappel was een plekje, dat verschrikking uitdrukte.[108]
Deze vrees was zoo sterk, dat, hoe nat Cosette ook was, zij zich niet aan ’t vuur had durven drogen, maar stil weder aan haar werk was gegaan.
Het uitzicht van dit achtjarig kind was gewoonlijk zoo somber, en vaak zoo wanhopig, dat het soms scheen, alsof zij op ’t punt was een idiote of een duivelin te worden.
Nooit, hebben wij gezegd, had zij geweten wat bidden is, nooit had zij den voet in een kerk gezet. Is daar tijd voor? zei vrouw Thénardier.
De man met de bruine jas sloeg geen oog van Cosette.
Eensklaps riep vrouw Thénardier:
„Waar hebt ge het brood?”
Cosette, zooals zij gewoon was wanneer vrouw Thénardier haar stem verhief, haastte zich van onder de tafel te komen.
Zij had het brood geheel en al vergeten. Zij nam haar toevlucht tot het gewone hulpmiddel van beangste kinderen. Zij loog.
„De bakkerij was gesloten, madame.”
„Dan moest ge geklopt hebben.”
„Ik heb geklopt, madame.”
„En?”
„Er werd niet geopend.”
„Morgen zal ik weten of ’t waar is,” zei vrouw Thénardier, „en zoo ge liegt, zult ge er van lusten. Geef mij intusschen het vijftienstuiversstuk terug.”
Cosette stak haar hand in ’t zakje van haar voorschoot en werd bleek. Het vijftienstuiversstuk was er niet meer.
„Nu,” zei vrouw Thénardier, „hebt ge mij verstaan?”
Cosette keerde den zak om; er was niets in. Waar kon dat geld gebleven zijn? Het ongelukkige kind kon geen woord uitbrengen. Zij was versteend.
„Hebt ge het vijftienstuiversstuk verloren?” gilde vrouw Thénardier, „of wilt ge mij bestelen?”
Tezelfder tijd stak zij den arm uit naar de karwats in den hoek van den haard.
Dit schrikkelijk gebaar gaf Cosette de kracht om uit te roepen:
„Genade, madame, madame, ik zal ’t niet weer doen.”
Vrouw Thénardier nam de karwats.
Ondertusschen had de man met de bruine jas in zijn vestzakje getast, zonder dat men deze beweging had opgemerkt. Bovendien dronken of speelden de overige reizigers kaart en letten op niets.
Cosette kroop angstig in den hoek van den haard ineen, en poogde haar halfnaakte leden bijeen te trekken en te beveiligen. Vrouw Thénardier lichtte den arm op.
„Vergeving, madame,” zei de man; „ik heb zoo aanstonds iets uit ’t voorschootzakje der kleine zien rollen. Dat zal ’t misschien zijn.”
Tezelfder tijd bukte hij en scheen een oogenblik op den vloer te zoeken.
„Juist – hier heb ik ’t,” hernam hij, zich oprichtende.
En hij reikte het geldstuk aan vrouw Thénardier.
„Ja, dat is het,” zeide zij.
Dat was het niet, want ’t was een vijffrancstuk, maar vrouw Thénardier had er winst bij. Zij stak het geldstuk in haar zak en vergenoegde zich een vasten blik op het kind te slaan en te zeggen: – „Pas op, dat het niet weer gebeurt!”
Cosette keerde terug naar ’t geen vrouw Thénardier „haar nest” noemde, en haar groote oogen, op den onbekenden reiziger gericht, namen een uitdrukking aan, welke zij nooit gehad hadden. ’t Was slechts een naïeve verbazing, maar er paarde zich iets aan als een verwonderd vertrouwen.
„Zeg eens, wilt ge van avond eten?” vroeg vrouw Thénardier den reiziger.
Hij antwoordde niet. Hij scheen in diepe gedachten.
Wie is toch deze man? zeide zij binnensmonds. Een arme drommel. Hij heeft geen geld om te eten. Zal hij mij ’t logies wel betalen? ’t Is maar gelukkig, dat ’t hem niet in ’t hoofd is gekomen het geld dat op den grond lag te stelen.
Inmiddels was een deur geopend en Eponine en Azelma kwamen binnen.
’t Waren inderdaad twee lieve kleine meisjes, eer juffertjes dan boerinnen; het eene had schitterend kastanjebruine krullen; het andere lange, zwarte vlechten, die op den rug hingen; beide waren levendig, net, mollig, frisch en gezond, oogbekorend. Zij waren warm gekleed, maar met zulk een moederlijke kunst, dat de dikte der stoffen het innemende van den opschik volstrekt niet schaadde. Voor den winter was gezorgd, zonder dat de lente verdreven was. Men zag ’t haar aan, dat ze in huis heel wat te zeggen hadden. Uit haar toilet, uit haar vroolijkheid, uit haar luidruchtigheid sprak een soort van heerschappij. Toen zij binnenkwamen, zeide vrouw Thénardier haar op knorrenden, doch tevens liefderijken toon: – Ha! zijt ge daar eindelijk!
Toen trok ze de eene na de andere tusschen haar knieën, streek heur haar glad, knoopte haar linten, en liet ze vervolgens los, met die streeling van welgevallen, welke alleen aan moeders eigen is, zeggende: – Wat hebben zij zich opgeschikt!
Zij zetten zich in den hoek van den haard met een pop, welke ze op heur knieën, onder vroolijk gekeuvel, heen en weer bewogen. Nu en dan sloeg Cosette de oogen van haar breiwerk op, en aanschouwde haar spel met treurigen blik.
Eponine en Azelma zagen niet om naar Cosette. Zij was voor haar niets meer dan een hond. Deze drie meisjes telden te zamen geen vier-en-twintig jaar, en vertegenwoordigden reeds de geheele menschelijke maatschappij; aan de eene zijde afgunst, aan de andere verachting.
De pop der zusters Thénardier was zeer verlept, zeer oud en gebroken; zij scheen Cosette daarom niet minder fraai; want nooit had zij een pop, een „wezenlijke pop”, zooals de kinderen zeggen, gehad.
Eensklaps merkte vrouw Thénardier, die gestadig in ’t vertrek op en neer ging, dat Cosette verstrooid was, en in plaats van te breien haar oog op de spelende meisjes gevestigd hield.
„Ha, ik betrap u!” riep zij. „Is dat breien? Ik zal u met de karwats leeren breien.”
De vreemdeling wendde zich tot vrouw Thénardier, zonder zijn stoel te verlaten. Glimlachend, schier bedeesd zeide hij:
„Och, madame, laat haar spelen.”
Van ieder reiziger, die voor zijn avondmaal een schijf lamsbout gegeten, twee flesschen wijn gedronken en niet het voorkomen van een armen drommel gehad had, zou zulk een wensch een bevel zijn geweest. Maar dat een man met zulk een hoed zich een wensch veroorloofde, en dat een man met zulk een jas een begeerte te kennen gaf, dit meende vrouw Thénardier niet te moeten dulden. Zij antwoordde scherp:
„Zij moet werken, wijl zij eet. Ik voed haar niet om niets te doen.”
„Wat doet zij dan?” hernam de vreemdeling, met een zachte stem, die zoo zonderling in tegenspraak was met zijn bedelaarskleeding en sjouwermansschouders.
Vrouw Thénardier verwaardigde zich te antwoorden:
„Wel, kousen breien, kousen voor mijn dochtertjes, die er om zoo te spreken geen hebben en welhaast barrevoets zouden gaan.”
De man aanschouwde de naakte, roode beentjes van Cosette en hernam:
„Wanneer zal zij dit paar kousen gereed hebben?”
„Zij heeft er minstens nog drie of vier dagen werk aan, die luie meid.”
„En hoeveel is zulk een paar kousen waard als ’t klaar is?”
Vrouw Thénardier sloeg een schamperen blik op hem.
„Ten minste dertig sous.”
„Zoudt ge het voor vijf francs willen geven?” hernam de man.
„Drommels!” riep luid lachend een voerman, die luisterde, „vijf francs? Dat geloof ik wel!”
Thénardier meende thans te moeten spreken.
„Ja, mijnheer, zoo gij ’t wenscht zal men u dat paar kousen voor vijf francs geven. Wij mogen den reizigers niets weigeren.”
„Maar ge moet dadelijk betalen,” zei vrouw Thénardier op haar gewone korte en gebiedende wijze.
„Ik koop dit paar kousen,” antwoordde de man, „en,” voegde hij er bij, een vijffrancstuk uit zijn zak nemende, dat hij op de tafel legde – „ik betaal het.”
Zich toen tot Cosette wendende:
„Thans behoort uw werk mij. Speel nu, mijn kind.”
De voerman was zoo getroffen door het vijffrancstuk, dat hij zijn glas neerzette en nader kwam.
„’t Is waarachtig waar,” riep hij, het stuk beziende. „Een mooi stuk geld! en niet valsch!”
Vrouw Thénardier naderde en stak zwijgend het geldstuk in haar zak. Zij kon geen tegenwerpingen maken, maar beet zich op de lip en haar gezicht nam een uitdrukking van haat aan.
Intusschen beefde Cosette. Zij waagde toch te vragen:
„Is ’t waar, madame? mag ik spelen?”
„Speel,” zei vrouw Thénardier met vreeselijke stem.
„Dank u, madame,” zei Cosette.
En terwijl haar mond vrouw Thénardier dankte, dankte haar ziel den reiziger.
Thénardier had zich weder aan ’t drinken gezet. Zijn vrouw fluisterde hem toe:
„Wie kan toch deze bruine man zijn?”
„Ik heb millionairs gezien,” antwoordde Thénardier met gewicht, „die zulke jassen droegen.”
Cosette had haar breiwerk nedergelegd, maar haar plaats niet verlaten. Zij bewoog zich altijd zoo weinig mogelijk. Uit een doosje achter zich had zij eenige oude lapjes en haar klein blikken sabeltje genomen.
Eponine en Azelma letten volstrekt niet op ’t geen gebeurde. Zij hadden een gewichtige onderneming volbracht, zij hadden zich van de kat meester gemaakt. Zij wierpen de pop op den vloer. Eponine, de oudste, bakerde de kleine kat, in weerwil van haar gemiauw en gespartel, in een menigte roode en blauwe lappen. Terwijl zij dit ernstig en moeielijk werk verrichtte, [112]zeide zij tot haar zuster, in die lieve bekoorlijke kindertaal, wier bevalligheid, evenals de kleurenpracht der kapel, verdwijnt, wanneer men ze vatten wil:
„Ziet ge, zusje, deze pop is pleizieriger dan de andere. Zij beweegt zich, schreeuwt en is warm. Kom, zusje, spelen wij er meê. Zij zal mijn dochtertje zijn. Ik zal een dame wezen, die u bezoekt, en gij moet haar goed bekijken. Dan moet ge haar snorren zien en u daarover verwonderen. Vervolgens haar ooren en dan haar staart, en dat moet u ook verwonderen. Gij moet dan zeggen: Maar, mijn hemel! en ik zal dan zeggen: Ja, mevrouw, zulk een meisje heb ik. De meisjes zijn tegenwoordig zóó.”
Azelma luisterde met bewondering naar Eponine. Ondertusschen zongen de drinkers een vuil lied, en lachten daarbij dat de zoldering dreunde. Thénardier moedigde hen aan en accompagneerde hen.
Evenals de vogels van alles een nestje, zoo maken de kinderen overal een pop van. Terwijl Eponine en Azelma de kat inbakerden, had Cosette van haar kant het sabeltje ingebakerd. Toen zij hiermede gereed was, nam zij het op den arm, en zong zacht om het in slaap te sussen.
De pop is een der dringendste behoeften en terzelfder tijd een der bekoorlijkste instincten van de vrouwelijke kindsheid. Te verzorgen, op te schikken, te kleeden en te ontkleeden, te onderwijzen, een weinig te knorren, in slaap te sussen, te schommelen, zich te verbeelden dat iets iemand is, hierin ligt de geheele toekomst der vrouw. Al droomende en koutende, kleertjes en hoedjes makende, wordt het kind een meisje, het meisje wordt een jongedochter, de jongedochter vrouw. Het eerste kind is een voortzetting der laatste pop.
Een meisje zonder pop is schier even ongelukkig en even onvolkomen als een vrouw zonder kinderen.
Cosette had dus een pop van haar sabeltje gemaakt.
Vrouw Thénardier was den „bruinen man” genaderd. Zij dacht: mijn man heeft gelijk, ’t is misschien mijnheer Laffitte. Er zijn zulke zonderlinge rijken!
Zij kwam met den elleboog op zijn tafeltje leunen.
„Mijnheer,” zeide zij….
Op het woord „mijnheer” wendde de man zich om. Vrouw Thénardier had hem nog niet anders genoemd dan „vriend” of „man.”
„Ge ziet, mijnheer,” zeide zij, met haar zoetsappig gezicht, ’t welk nog onverdragelijker was dan haar wreed gezicht, „ik wil wel dat het kind eens spele, ik belet het niet; maar ’t is goed voor een enkelen keer, omdat ge zoo edelmoedig zijt. Want weet ge, zij heeft niets. Zij moet werken.”
„Is dat kind dan niet van u?” vroeg de man.
„Mijn God! neen, mijnheer; ’t is een arm kind dat wij uit liefdadigheid hebben aangenomen. ’t Is zoo’n half onnoozele. ’t Schijnt het water in ’t hoofd te hebben. Zie eens, welk een groot hoofd zij heeft. Wij doen voor haar wat wij kunnen, want wij zijn niet rijk. Wij hebben naar haar woonplaats geschreven, doch sedert zes maanden antwoordt men ons niet meer. Wij moeten gelooven, dat haar moeder overleden is.”
„Zoo!” zei de man en hij verviel weder in zijn mijmering.
„Aan die moeder was weinig goeds,” hernam vrouw Thénardier. „Zij liet haar kind achter.”
Gedurende dit gesprek had Cosette, alsof een inwendig gevoel haar had gewaarschuwd dat men over haar sprak, het oor niet van vrouw Thénardier afgewend. Zij luisterde, maar hoorde slechts nu en dan een enkel woord.
Ondertusschen herhaalden de drinkers, die meer dan half dronken waren, met verdubbelde vroolijkheid hun vuil gezang. ’t Was iets erg stuitends, waarin de Maagd Maria en het kind Jezus voorkwamen. Vrouw Thénardier had hartelijk met het schaterend gelach ingestemd: Cosette zag, onder de tafel, naar het vuur, dat zich in haar strak oog weerkaatste; zij wiegde weder het gebakerde voorwerp en zong daarbij zacht: Mijn moeder is dood! mijn moeder is dood! mijn moeder is dood!
Op vernieuwd aanzoek der kasteleines, begeerde de bruine man, „de millionair,” eindelijk te eten.
„Wat verkiest mijnheer?”
„Brood en kaas,” zei de man.
„Zeer zeker een arme drommel,” dacht vrouw Thénardier.
De dronkaards zongen nog altijd hun lied, en het kind onder de tafel zong het hare.
Eensklaps zweeg Cosette. Zij had zich omgekeerd en zag nu de pop van de meisjes, welke zij voor de kat hadden verlaten, en die op eenigen afstand der keukentafel op den grond lag.
Toen liet zij het gebakerd sabeltje vallen, dat haar slechts ten halve voldeed, en liet haar oogen langzaam door de zaal gaan. Vrouw Thénardier sprak zacht met haar man, en telde geld, Ponine en Zelma speelden met de kat, de reizigers aten of dronken of zongen, geen blik was op haar gericht. Zij had geen oogenblik te verliezen. Zij kroop op handen en knieën [114]van onder de tafel, verzekerde zich nogmaals dat men haar niet gadesloeg, schoot toen ijlings naar de pop, en greep haar. Een oogenblik daarna zat zij weder op haar plaats, bewegingloos, doch zoodanig gekeerd, dat de pop, welke zij in haar armen hield, in de schaduw was. Het geluk van met een pop te spelen was voor haar zoo zeldzaam, dat het de macht van den wellust had.
Niemand had het gezien dan de reiziger, die langzaam zijn sober avondeten nuttigde.
Deze vreugd duurde schier een kwartieruurs.
Maar hoe voorzichtig Cosette ook was, zij bespeurde niet, dat een van de beenen der pop „uitstak,” en helder door het vuur van den haard verlicht werd. Dit rosé verlichte been, dat uit de schaduw kwam, trof plotseling den blik van Azelma, die tot Eponine zeide: – Zie eens, zusje!
De twee meisjes staarden verstomd. Cosette had de pop durven nemen.
Eponine stond op en zonder de kat los te laten, ging zij naar haar moeder en trok haar bij haar kleed.
„Laat mij toch met rust,” zei de moeder. „Wat wilt ge?”
„Moeder,” zei het kind, „zie eens.”
En zij wees met den vinger naar Cosette.
Cosette, geheel in verrukking over het bezit, zag noch hoorde iets.
Het gelaat van vrouw Thénardier nam die bijzondere uitdrukking aan, welke uit het vreeselijke, vermengd met het nietige des levens, bestaat, en die deze soort vrouwen den naam van „helleveeg” heeft gegeven.
Nu bracht de gekwetste hoogmoed haar toorn tot het uiterste. Cosette had alle grenzen overschreden, Cosette had zich aan de pop vergrepen van „hare dochtertjes.” Een czarin, die zag dat een mougick zich het groote blauwe lint van haar keizerlijken zoon omhing, zou geen ander gezicht gehad hebben.
Met een van verontwaardiging schorre stem riep zij:
„Cosette!”
Cosette ontstelde, alsof de grond onder haar ingevallen ware. Zij keerde zich om.
„Cosette!” herhaalde vrouw Thénardier.
Cosette nam de pop en legde haar met een soort van eerbied, met wanhoop vermengd, op den grond. Toen vouwde zij, zonder haar oogen er van af te wenden, de handen samen, en, ’t geen van een kind van dien leeftijd schrikkelijk is te zeggen, zij wrong ze; en – waartoe haar geen der aandoeningen van den dag, noch haar gang naar het bosch, noch den zwaren emmer, noch het verliezen van ’t geld, noch het gezicht der karwats, zelfs niet de dreigende woorden van vrouw Thénardier hadden kunnen bewegen, – zij schreide. Zij barstte in snikken uit.
Intusschen was de reiziger opgestaan.
„Wat is er geschied?” vroeg hij aan vrouw Thénardier.
„Ziet ge ’t niet?” zei vrouw Thénardier met den vinger naar het corpus delicti wijzende, dat aan Cosettes voeten lag.
„Welnu, wat?” hernam de man.
„Deze bedelares,” antwoordde vrouw Thénardier, „heeft zich vermeten, aan de pop der kinderen te raken.”
„En is daarvoor al dat leven!” zei de man. „Waarom mag zij niet met de pop spelen?”
„Zij maakt ze smerig met haar vuile handen,” hernam vrouw Thénardier, „met haar leelijke handen!”
Cosette snikte luider bij deze woorden.
„O, zult ge u stil houden!” riep vrouw Thénardier.
De vreemde ging rechtstreeks naar de voordeur, opende ze en ging er uit. Zoodra hij weg was, nam vrouw Thénardier de gelegenheid waar, Cosette onder de tafel een geweldigen schop te geven, die het kind luid deed schreeuwen.
De deur werd weder geopend, de man kwam terug, hield in zijn beide handen de fabelachtige pop, waarvan wij gesproken hebben en welke al de kinderen van het dorp den geheelen dag bewonderd hadden, en ze voor Cosette leggende, zeide hij:
„Ziedaar, die is voor u.”
’t Is waarschijnlijk dat hij, die langer dan een uur hier was, te midden zijner mijmeringen, flauw de poppenkraam had opgemerkt, die zoo schitterend met lampen en kaarsen werd verlicht, dat men ze door het raam der herberg voor een illuminatie hield.
Cosette hief de oogen op. Zij had den man met de pop haar zien naderen, evenals zij de zon tot haar zou hebben zien komen, zij hoorde deze nooit gehoorde woorden: „dit is voor u,” zij zag hem, zij zag de pop aan, toen kroop zij langzaam achteruit, en verborg zich onder de tafel in den hoek van den muur.
Zij schreide niet meer, noch kreet; ’t was alsof zij niet durfde ademen.
Vrouw Thénardier, Eponine, Azelma waren als zoovele beelden. Zelfs de drinkers hielden een oogenblik op. Er heerschte een plechtige stilte in de herberg.
Vrouw Thénardier, versteend en sprakeloos, begon weder gissingen te maken: – Wie is deze oude? is hij arm? is hij millionair? Misschien beiden, namelijk een dief.
Het gelaat van Thénardier vertoonde dien sprekenden plooi, welke het menschelijk gezicht aanneemt, wanneer het heerschend instinct er in al zijn dierlijke kracht op verschijnt. De kroeghouder zag beurtelings de pop en den reiziger aan; hij scheen dien man even begeerlijk aan te zien als hij een zak geld zou hebben aangezien. Dit duurde evenwel slechts een oogenblik. Hij naderde zijn vrouw en zeide zacht tot haar: „Dat ding kost ten minste dertig francs. Geen gekheid. Dien man moeten wij zien in te pakken.”
Ruwe naturen hebben dit met de naïeve gemeen, dat zij geen overgangen kennen.
„Nu, Cosette,” zei vrouw Thénardier met een stem, die zacht wilde zijn, maar al den bitteren honig van booze vrouwen had, „neemt ge de pop niet aan?”
Cosette waagde het, uit haar schuilhoek te komen.
„Nu, Cosetje,” sprak Thénardier op vleienden toon, „mijnheer geeft u een pop. Neem ze. Ze is voor u.”
Cosette aanschouwde de tooverachtige pop met een soort van schrik. Haar gezicht was nog met tranen bedekt; maar haar oogen begonnen zich te vullen, evenals de hemel bij den dageraad, met de stralen der blijdschap. Wat zij thans gevoelde, had eenige overeenkomst met hetgeen zij gevoeld zou hebben, zoo men haar eensklaps gezegd had: „Kleine, gij zijt koningin van Frankrijk.”
Het scheen haar, alsof de bliksem uit de pop zou schieten, zoo zij ze aanraakte.
Dit was in een zeker opzicht waar, want zij zeide bij zich zelve, dat vrouw Thénardier op haar zou schelden en haar zou slaan.
De bekoring was echter te sterk. Zij naderde eindelijk en prevelde bedeesd, zich tot vrouw Thénardier wendende:
„Mag ik, madame?”
Geen woorden kunnen haar te gelijk wanhopige, angstige en verrukte houding uitdrukken.
„Drommels,” zei vrouw Thénardier, „ze behoort u. Mijnheer geeft ze u immers.”
„Is ’t waar, mijnheer?” hernam Cosette, „in ernst? is die „dame” voor mij?”
De vreemdeling scheen de oogen vol tranen te hebben, en tot dien graad van aandoening te zijn gekomen, dat men niet spreekt, ten einde niet te weenen. Hij knikte Cosette toe en legde de hand der „dame” in haar handje.
Cosette trok schielijk haar hand terug, alsof die der pop haar brandde, en zag naar den grond. Wij moeten hier bijvoegen, dat zij terzelfdertijd de tong ver uitstak. Eensklaps keerde zij zich om en greep driftig de pop.
„Ik zal haar Kaatje noemen,” zeide zij.
’t Was een wonderbaar oogenblik, toen de lompen van Cosette in aanraking kwamen met de linten en het frisch roodkleurig neteldoek der pop.
„Madame,” vroeg zij, „mag ik ze op een stoel zetten?”
„Ja, mijn kind,” antwoordde vrouw Thénardier.
Nu beschouwden Eponine en Azelma Cosette met afgunst.
Cosette zette Kaatje op een stoel, ging voor haar op den grond zitten en bleef haar stil, zonder te spreken, vol bewondering aanschouwen.
„Speel nu, Cosette,” zei de vreemdeling.
„O, ik speel,” antwoordde het kind.
Deze vreemdeling, deze onbekende, die als een bezoek der Voorzienigheid aan Cosette geleek, was op dit oogenblik voor vrouw Thénardier het meest gehate voorwerp. Zij moest zich evenwel bedwingen. Zij was sterker ontstemd dan zij kon uithouden, hoezeer zij aan geveinsdheid gewoon was, doordien zij haar man in al zijne handelingen trachtte na te bootsen. Zij haastte zich haar dochtertjes naar bed te zenden, en verzocht toen den bruinen man „verlof” ook Cosette naar bed te doen gaan, „die,” voegde zij er op moederlijken toon bij, „heden wel zeer vermoeid moet zijn.” Cosette ging naar bed en nam Kaatje op haar armen mede.
Vrouw Thénardier ging nu en dan naar het einde der kamer, waar haar man zat, om „haar hart te verlichten.” Zij wisselde met haar man eenige woorden, die te heftiger waren, wijl zij ze niet luid durfde uitspreken:
„Die oude schurk! Wat heeft hij toch in den zin, om ons hier te komen hinderen! hij wil dat het kleine monster spelen zal! hij geeft haar een pop! een pop van veertig francs aan een schepsel, dat geen veertig sous waard is! Straks zal hij haar nog majesteit noemen, evenals de hertogin van Berry! Heeft dit gezonden zin? De oude onbekende moet krankzinnig zijn!”
„Waarom? ’t Is zeer natuurlijk,” antwoordde Thénardier, „wijl ’t hem behaagt. Gij wilt dat het meisje werkt, hij wil dat ze speelt. Hij is in zijn recht. Een reiziger doet wat hij wil, zoo hij betaalt. Wat raakt het u, of deze oude een philanthroop is? ’t raakt u niet of hij een dwaas is. Wat kan ’t u schelen? hij heeft immers geld!”
Taal van den meester en herbergiers-redeneering, waartegen niets is in te brengen.
De man leunde met den elleboog op de tafel en had zich weder aan zijne gepeinzen overgegeven. De overige reizigers, kooplieden en voerlieden, hadden zich een weinig verwijderd en zongen niet meer. Zij beschouwden hem op een afstand met een soort van eerbiedige schuwheid. Deze zoo armoedig gekleede man, die zoo onverschillig de vijffrancsstukken uit zijn zak haalde en reusachtige poppen aan kleine morspotten op klompen schonk, was zekerlijk een rijk en machtig man.
Er verliepen verscheidene uren. De middernachtmis was geëindigd, het kleine nachtfeest was afgeloopen, de drinkers waren heengegaan, de herberg was gesloten, de gelagkamer was ledig, het vuur was uitgedoofd, maar de man zat nog op dezelfde plaats en in dezelfde houding. Nu en dan verwisselde hij van elleboog om op te steunen. Dit was alles. Sinds Cosette er niet meer was, had hij geen woord gesproken.
Alleen de Thénardier’s waren uit voegzaamheid en nieuwsgierigheid in de kamer gebleven.
„Zal hij den nacht aldus doorbrengen?” bromde vrouw Thénardier. Toen het twee uren na middernacht sloeg, verklaarde zij zich overwonnen en zeide tot haar man: „Ik ga naar bed. Doe zooals gij wilt.” – Thénardier ging in een hoek aan een tafel zitten, stak een kaars aan en begon de Courrier Français te lezen.
Aldus verstreek ruim een uur. De waardige herbergier had ten minste driemaal de courant gelezen, van den datum af tot den naam van den drukker toe. De vreemdeling verroerde zich niet.
Thénardier bewoog zich, hoestte, spuwde, snoot den neus, schraapte met zijn keel. Geen beweging van den man. – Slaapt hij? dacht Thénardier. – De man sliep niet, maar niets kon hem uit zijn gepeins wekken.
Eindelijk nam Thénardier zijn pet af, naderde zacht en waagde te zeggen:
„Wil mijnheer niet „ter rust gaan”?”
„Naar bed gaan” had hem te onfatsoenlijk en gemeenzaam geschenen. „Ter rust gaan” was deftig en eerbiedig. Zulke woorden hebben de geheime, wonderbare eigenschap, dat zij den volgenden dag het bedrag der rekening doen zwellen. Een kamer waar men „slaapt” kost een franc; een kamer, waar men „rust” moet twintig francs kosten.
„Ja!” zei de vreemdeling, „gij hebt gelijk. Waar is de stal?”
„Mijnheer,” zei Thénardier met een glimlach, „ik zal mijnheer voorgaan.”
Hij nam de kaars, de man nam zijn pakje en stok, en Thénardier geleidde hem naar een kamer op de eerste verdieping, die bijzonder fraai was, met mahoniehouten meubels, ledikant en rood katoenen gordijnen.
„Wat is dat?” vroeg de reiziger.
„’t Is onze bruidskamer,” zei de herbergier. „Mijn vrouw en ik bewonen een andere. Wij komen hier slechts drie- of viermaal in ’t jaar.”
„De stal zou mij even lief zijn geweest,” zei de man koel.
Thénardier hield zich, alsof hij deze vleiende aanmerking niet hoorde.
Hij ontstak twee nieuwe waskaarsen, die op den schoorsteen stonden. Een tamelijk goed vuur brandde in den haard.
Op den schoorsteen lag onder een glazen stolp een vrouwenkapsel van zilverdraad en oranjebloesem.
„Wat is dit?” vroeg de vreemdeling.
„’t Is de bruidstooi mijner vrouw mijnheer,” zei Thénardier.
De reiziger beschouwde dat voorwerp met een blik, die scheen te zeggen: „dat monster is dus ook eens een meisje geweest.”
Thénardier loog trouwens. Toen hij het huis had gehuurd om er een kroeg van te maken, had hij deze kamer dus gestoffeerd gevonden, het huisraad overgenomen met den bruidskrans er bij, in de verwachting, dat die aan zijn vrouw een bevallig aanzien zou verleenen en aan zijn huis een zekere „respectabiliteit”, zooals de Engelschen zeggen.
Toen de reiziger zich omkeerde, was de herbergier verdwenen. Thénardier had zich bescheidenlijk verwijderd, zonder goeden nacht te durven zeggen, daar hij iemand niet met oneerbiedige gemeenzaamheid wilde behandelen, dien hij voornam den volgenden morgen op koninklijke wijze te plukken.
De herbergier begaf zich naar zijn kamer. Zijn vrouw was te bed, maar sliep niet. Toen zij haar man hoorde komen, keerde zij zich om en zeide:
„Weet ge, dat ik Cosette morgen de deur uit gooi?”
Thénardier antwoordde koel:
„Wat zijt ge driftig!”
Zij spraken verder geen woord; na eenige oogenblikken was hun kaars uitgebluscht.
De reiziger had zijn pakje en stok in een hoek gelegd.
Toen de herbergier hem verlaten had, zette hij zich op een stoel en bleef een poos in gedachten verdiept. Vervolgens trok hij zijn schoenen uit, nam een der kaarsen, blies de andere uit, opende de deur, ging uit de kamer en zag om zich, als iemand die iets zoekt. Hij ging door een gang en kwam aan de trap. Daar hoorde hij een zeer zacht gerucht, dat de ademhaling van een kind geleek. Hij ging hierop af en het bracht hem voor een driehoekig hok onder de trap, of liever door de trap zelf gevormd. ’t Was eenvoudig de ruimte onder de treden. Daar, onder allerlei oud mandewerk en vodden, in stof en spinnewebben, was een bed, indien een stroozak, door welks gaten men het stroo kon zien, en een oude deken, door welks gaten men den stroozak kon zien, aldus genoemd mogen worden. Lakens waren er niet. De stroozak lag op den vloer, en in dat bed sliep Cosette.
De man trad nader en zag haar aan.
Cosette sliep gerust en was geheel gekleed. Des winters ontkleedde zij zich niet, om minder kou te lijden.
Zij hield de pop, wier groote oogen in de duisternis glinsterden, tegen zich gedrukt. Nu en dan loosde zij een zwaren zucht, als ware zij op ’t punt te ontwaken, en schier stuipachtig klemde zij de pop in haar armen. Slechts één harer klompen stond bij haar bed.
Door een open deur, dicht bij de slaapplaats van Cosette, kon men in een groote donkere kamer zien. De vreemdeling trad er binnen. De glazen deur deed in de kamer twee gelijke kleine, heldere bedden opmerken. Ze waren van Azelma en Eponine. Achter deze bedden ontdekte men flauw een teenen wieg zonder gordijnen, waarin het jongetje sliep, dat den ganschen avond geschreeuwd had.
De vreemdeling vermoedde, dat deze kamer met die der echtgenooten in verbinding was. Hij wilde zich verwijderen, toen zijn blik op den schoorsteen viel; een dier groote herbergsschoorsteenen, waarin altijd zoo weinig vuur is, zoo er in ’t geheel vuur in is, en die zich zoo koud laten aanzien. In dezen schoorsteen was geen vuur, zelfs geen asch; wat er in was, trok echter de aandacht des reizigers. ’t Waren namelijk twee nette kinderschoentjes van verschillende grootte; de reiziger herinnerde zich de lieve, overoude gewoonte der kinderen in Frankrijk om op den Kerstdag hun schoenen onder den schoorsteen te zetten, opdat hun goede fée er des nachts een fraai geschenk in brenge. Eponine en Azelma hadden dan ook niet nagelaten, ieder haar schoentje onder den schoorsteen te zetten.
De reiziger bukte.
De fée, dat wil zeggen de moeder, was er reeds geweest, en in ieder schoentje zag men een fraai, geheel nieuw half-francstuk blinken.
De man richtte zich op en wilde gaan, toen hij achter in den donkersten hoek van den schoorsteen nog een ander voorwerp bespeurde, een leelijk, lomp, half gebroken en met asch en slijk bedekt klompje. ’t Was Cosettes klompje. Ook Cosette had met dat aandoenlijk vertrouwen der kinderen, dat, schoon telkens bedrogen, echter nooit den moed opgeeft, haar klompje in den schoorsteen gezet.
De hoop van een kind, dat nooit iets anders dan wanhoop heeft gekend, is iets zeer verhevens en liefelijks.
In dat klompje was niets.
De vreemdeling tastte in zijn zak, bukte en legde in Cosettes klompje een louis d’or.
Toen keerde hij zacht naar zijn kamer terug.
















