Maandag, 20/04/2026 - 09:04

Wij hebben gezegd, dat Cosette voor den man niet bevreesd was geweest.

Hij sprak haar aan en zeide met ernstige, zachte stem:

„De vracht die ge draagt, is te zwaar voor u, mijn kind!”

Cosette hief het hoofd op en antwoordde:

„Ja, mijnheer.”

„Geef hem mij,” hernam de man, „ik zal voor u dragen.”

Cosette liet den emmer los. De man ging naast haar voort.

„’t Is inderdaad zwaar,” zeide hij binnensmonds. En hij hernam:

„Hoe oud zijt ge, kleine?”

„Acht jaar, mijnheer.”

„En zijt ge hiermede reeds ver gekomen?”

„Van de bron in het bosch.”

„En moet ge nog ver?”

„Een goed kwartier van hier.”

De man zweeg een oogenblik en hernam toen eensklaps:

„Hebt ge geen moeder?”

„Ik weet niet,” antwoordde het kind.

Vóór de man den tijd had te spreken, hernam zij:

„Ik geloof ’t niet. Anderen hebben er een. Ik niet.”

Wederom na eenig zwijgen, zeide zij:

„Ik geloof, dat ik er nooit een gehad heb”

De man hield stil, zette den emmer neder, boog zich, legde zijn beide handen op de schouders van ’t kind, en deed een poging om haar in ’t gezicht te zien.[104]

Het mager kwijnend gezicht van Cosette was onduidelijk zichtbaar bij het bleeke licht des hemels.

„Hoe heet ge?” vroeg de man.

„Cosette.”

’t Was of de man door een electrieken schok getroffen werd. Hij zag haar nogmaals aan, nam zijn handen van Cosettes schouders, greep den emmer en ging weder voort.

Na een poos, vroeg hij:

„Waar woont ge, kleine?”

„Te Montfermeil; zoo ge ’t kent.”

„Gaan wij daarheen?”

„Ja, mijnheer.”

Wederom ontstond een pauze, toen hernam hij:

„Wie heeft u toch op dit uur water in ’t bosch laten halen?”

„Vrouw Thénardier.”

De man vroeg op een gedwongen onverschilligen toon, doch die echter op eene zonderlinge wijze beefde:

„Wie is dat, vrouw Thénardier…?”

„Zij is mijn meesteres,” zei het kind. „Zij houdt een herberg.”

„Een herberg?” zei de man. „Welnu, dan zal ik er van nacht gaan logeeren. Breng er mij heen.”

„Wij gaan er heen,” hernam het kind.

De man stapte tamelijk snel voort. Cosette volgde hem zonder moeite. Zij voelde geen vermoeidheid meer. Nu en dan hief zij haar oogen tot dien man op, met een onbeschrijfelijke gerustheid en onbezorgdheid. Nooit had men haar geleerd zich tot de Voorzienigheid te wenden en te bidden. Evenwel voelde zij iets in zich, dat naar hoop en blijdschap geleek en tot den hemel opsteeg.

Er verliepen eenige minuten. De man hernam:

„Heeft vrouw Thénardier geen dienstmeid?”

„Neen, mijnheer.”

„Zijt ge alleen?”

„Ja, mijnheer.”

Wederom een tusschenpoos. Cosette nam het woord:

„Maar er zijn twee meisjes.”

„Hoe heeten die meisjes?”

„Ponine en Zelma.”

Het kind vereenvoudigde aldus de beide voor vrouw Thénardier zoo dierbare romaneske namen.

„Wie zijn Ponine en Zelma?”

„De jongejuffrouwen Thénardier, de dochtertjes mijner meesteres.”[105]

„En wat doen die meisjes?”

„O!” zei het kind, „zij hebben fraaie poppen, dingen met goud en allerlei moois. Zij spelen, zij vermaken zich.”

„Den geheelen dag?”

„Ja, mijnheer.”

„En gij?”

„Ik werk.”

„Den geheelen dag?”

Het kind hief haar groote oogen op, waarin een traan stond, dien men in de duisternis niet zag, en antwoordde zacht:

„Ja, mijnheer.”

Na een pauze hernam zij:

„Soms, wanneer ik mijn werk gedaan heb en men ’t mij vergunt, vermaak ik mij ook.”

„Hoe vermaakt ge u?”

„Zooals ik kan, men laat mij begaan. Ik heb weinig speelgoed. Ponine en Zelma willen niet, dat ik met haar poppen speel. Ik heb niets dan een klein blikken sabeltje, niet langer dan zoo.”

Het kind wees haar pink.

„Dat niet snijdt?”

„Ja, zeker, mijnheer,” zei het kind, „het snijdt salade en vliegenkoppen.”

Zij kwamen aan het dorp; Cosette voerde den vreemdeling door de straten. Zij gingen voorbij den bakkerswinkel, maar Cosette dacht niet aan het brood, dat zij moest medebrengen. De man had opgehouden met haar te spreken en bewaarde nu een somber zwijgen. Toen zij de kerk achter zich hadden, vroeg hij, op ’t gezicht der kramen, aan Cosette:

„Is ’t hier jaarmarkt?”

„Neen, mijnheer, ’t is Kerstmis.”

Toen zij de herberg naderden, nam Cosette hem bedeesd bij den arm en zeide:

„Mijnheer?”

„Wat, mijn kind.”

„Wij zijn dicht bij huis.”

„Nu?”

„Wilt ge mij nu weder den emmer laten dragen?”

„Waarom?”

„Omdat, als vrouw Thénardier ziet, dat een ander hem voor mij heeft gedragen, zij mij slaan zal.”

De man gaf haar den emmer. Een oogenblik later waren zij aan de deur der kroeg.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *