Maandag, 20/04/2026 - 07:20

Wie zich veertig jaren geleden in de onbekende streken der Salpêtrière waagde en den boulevard tot aan de Italiaansche barrière volgde, kwam op een plek, waar men zou kunnen zeggen, dat Parijs ten einde liep. ’t Was geen eenzaamheid, want er waren voorbijgangers; ’t was geen veld, want er waren huizen en straten; ’t was geen stad, want in de straten waren diepe wagensporen als op de landwegen, en er groeide gras; ’t was geen dorp, de huizen waren er te hoog voor. Wat was het dan? ’t Was een bewoond oord zonder menschen, een eenzaam oord met menschen; ’t was een boulevard der groote stad, een straat van Parijs, vreeselijker des nachts dan een bosch, akeliger des daags dan een kerkhof.

’t Was de oude wijk der Paardenmarkt.

Wie zich voorbij de vier vervallen muren dezer paardenmarkt waagde, zelfs zoo hij verder ging dan het straatje du Petit-Banquier, rechts voorbij een met hooge muren omgeven plaats, voorts over een veld, waarop zich stapels run als reusachtige beverhutten verhieven, voorts op een erf vol timmerhout, hoopen boomtronken, zaagsel en spaanders, waarop een groote hond blafte, voorts langs een geheel vervallen lagen, langen muur, met mos begroeid, waaruit in de lente bloempjes opschoten, in welken muur een kleine zwarte deur, voorts in het somberste gedeelte, een leelijk vervallen gebouw, waarop in groote letters te lezen stond: hier mag niets aangeplakt worden, – deze onverschrokken wandelaar bereikte eindelijk den hoek der weinig bekende straat Vignes-Saint-Michel. Dáár zag men destijds nabij een fabriek, tusschen twee tuinmuren, een vervallen huis, dat bij den eersten aanblik klein als een hut scheen, maar inderdaad groot als een cathedraal was. Het stond met den zijgevel naar de straat, waardoor het zoo smal scheen. Schier het geheele huis was verborgen. Men zag er slechts de deur en een venster van.

Het gebouw had slechts één verdieping.

Bij nauwkeurige beschouwing viel het duidelijk in ’t oog, dat deze deur nimmer iets anders dan de ingang tot een gering gebouw kon zijn geweest, terwijl het venster, zoo het in hardsteen in plaats van kalk had gezeten, het raam van een hôtel had kunnen zijn.

De deur bestond slechts uit vermolmde planken, die ruw samengehouden werden door ruwe dwarsplanken. Zij voerde onmiddellijk tot een steile, modderige, morsige trap, even breed als de deur, met hooge treden, die men van de straat recht als een ladder zag oploopen, en in de duisternis tusschen twee muren verdwijnen. Het bovenste der onregelmatige ruimte, die de deur sloot, bestond uit een smalle, dunne plank, in welker midden een driehoekige opening was gezaagd, welke tevens tot licht- en kijkgat diende wanneer de deur dicht was. Binnen op de deur was slordig met een penseel met inkt het cijfergetal 52, en boven de deur even ruw No. 50 geklad, zoodat men eigenlijk niet juist wist waar men was. Buiten was het huis No. 50, binnen No. 52. Onbeschrijfelijk waren de aschgrauwe vodden, die als draperieën voor het driehoekig lichtgat hingen.

Het venster was breed en hoog, had zonneschermen en groote glasruiten; maar deze groote glasruiten hadden verschillende wonden, die tevens verborgen en verraden werden door behulpzame papierstrooken, terwijl de vermolmde en schier uit elkander vallende jaloezie eerder de voorbijgangers bedreigde dan de bewoners beveiligde. Hier en daar ontbraken de horizontale schappen, die eenvoudig door rechtstaande aangespijkerde plankjes vervangen waren; zoodat het ding afwisselend jaloezie en blind was.

Deze gemeene deur en dit fatsoenlijk, hoewel vervallen venster, welke men aan hetzelfde huis zag, waren als twee ongelijke bedelaars, die, met verschillende uitdrukking, onder dezelfde lompen samen zouden gaan, en waarvan de een altijd een schooier, de ander een edelman is geweest.

De trap voerde naar een zeer ruim gebouw, dat een schuur scheen, waarvan men een huis had gemaakt. Dat gebouw had, als darmkanaal, een lange gang, waarin zich rechts en links ruimten van verschillende grootte openden, die desnoods bewoonbaar waren, maar meer naar holen dan op cellen geleken. Deze vertrekken ontvingen het licht van het onbebouwde terrein in den omtrek. Alles was overigens donker, akelig, somber, doodsch, en werd door kille lichtstralen of een scherpen tocht doorsneden, naarmate de reten in ’t dak, of in de deur waren. Een belangrijke en schilderachtige bijzonderheid van dergelijke woningen is de ontzaggelijke menigte spinnewebben, die er zijn.

Ter linkerzijde van de voordeur, aan den boulevard, was op een manshoogte een dichtgemetseld venster, dat een vierkante nis vormde vol steenen, welke de voorbijgaande kinderen er in wierpen.

Een gedeelte van dat gebouw is onlangs gesloopt. Wat er nog van over is, kan een denkbeeld geven van ’t geen het was. In zijn geheel is ’t een met ’t ander niet veel ouder dan honderd jaar. Honderd jaren zijn de jeugd eener kerk en de ouderdom van een huis. De woning des menschen schijnt in ’s menschen korten duur, en de tempel Gods in Gods eeuwigheid te deelen.

De briefbestellers noemden dat gebouw 50–52, maar in de buurt was het bekend onder den naam van het huis van Gorbeau.

Wij zullen zeggen waardoor het aan dien naam kwam. De verzamelaars van kleine feiten, die herbariums van anecdoten aanleggen en met een speld vluchtige datums in hun geheugen prikken, weten, dat in de vorige eeuw, omstreeks 1770, aan het Châtelet twee procureurs woonden, die de een Corbeau (raaf) de andere Renard (vos) heette. Lafontaine heeft van deze namen een voorgevoel gehad. De gelegenheid was te fraai om er geen gebruik van te maken en spoedig was deze parodie van Lafontaines fabel, in eenigszins kreupele verzen, in het justitiepaleis verspreid:

Maître Corbeau, sur un dossier perché,

Tenait dans son bec une saisie exécutoire;

Maître Renard, par l’odeur alléché,

Lui fit à peu près cette histoire:

Hé bonjour! etc.1

De twee eerlijke practizijns, verstoord en beleedigd door de scherts en spot, die hen volgde, besloten hunne namen te veranderen en wendden zich daartoe tot den koning. Het rekwest werd aan Lodewijk XV denzelfden dag aangeboden, dat de pauselijke nuntius aan de eene, en de kardinaal de la Roche-Aymon aan de andere zijde, beiden devotelijk geknield, in de tegenwoordigheid zijner majesteit, ieder een der bloote voeten van madame Dubarry, die juist uit het bed kwam, met n pantoffel schoeiden. De koning, die lachte, lachte nog meer, ging vroolijk van de twee prelaten tot de twee procureurs over, en ontsloeg genadiglijk beide rechtsgeleerden van hun namen, of althans ten naasten bij. In naam des konings werd aan meester Corbeau vergund een staart bij zijn voorletter te voegen en zich Gorbeau te noemen; meester Renard was minder gelukkig en kon niets anders verwerven dan een P. voor zijn R., en zich Prenard (nemer) te heeten; zoodat de tweede naam niet veel minder stof tot spotternij gaf dan de eerste.

Volgens de plaatselijke overlevering nu, was deze meester Gorbeau eigenaar geweest van het gebouw op den boulevard de l’Hôpital, genummerd 50–52. Hij was ook de schepper van het fraaie venster.

Daarom droeg nu dit vervallen gebouw den naam van Gorbeau’s-huis.

Tegenover No. 50–52 staat, onder het geboomte van den boulevard, een groote olm, die meer dan half dood is; schier vlak daarover is de ingang der straat van de barrière des Gobelins, welke straat destijds zonder huizen, ongeplaveid, met kwijnende boomen – naar ’t seizoen groen of slijkkleurig – beplant was, en regelrecht op den ringmuur van Parijs uitliep. Een walm van koperrood stijgt bij vlagen uit het dak eener naburige fabriek.

De barrière was zeer dicht bij. In ’t jaar 1823 bestond de ringmuur nog.

Deze barrière zelve verwekt treurige voorstellingen in den geest. ’t Was de weg naar Bicêtre. Tijdens het keizerrijk en de restauratie kwamen de ter dood veroordeelden op den dag hunner terechtstelling hier Parijs binnen. Hier werd omstreeks 1829 de zoogenoemde „moord aan de barrière van Fontainebleau” gepleegd, waarvan de justitie de daders niet heeft kunnen ontdekken: een treurig probleem, dat niet is opgehelderd; een schrikkelijk raadsel, dat niet is opgelost. Eenige schreden verder vindt men de noodlottige straat Croulebarbe, waar Ulbach de geitenhoedster van Ivry doorstak, terwijl het donderde, evenals in een melodrama.

Nog eenige schreden verder, en men komt aan de leelijke, van hun kruinen beroofde olmen der barrière Saint-Jaques, een uitvinding der philanthropen, die het schavot willen verbergen, het verachtelijke en schandelijke Grèveplein eener kleingeestige maatschappij, die, voor de doodstraf terugdeinzend, ze evenwel noch stoutmoedig durft afschaffen, noch ze met kracht handhaven.

Zeven-en-dertig jaren geleden was – uitgezonderd dit plein St. Jaques, dat steeds afgrijselijk is geweest – misschien het treurigste punt van dezen geheelen doodschen boulevard deze nog tegenwoordig weinig bekoorlijke plek, waar men het gebouw 50–52 vond.

Eerst vijf en twintig jaren later begonnen er zich burgerhuizen te verheffen. ’t Was er somber. Gepaard aan de vreeselijke gedachten, die er iemand aangrepen, voelde men zich tusschen la Salpêtrière, welks dom men zag, en Bicêtre, welks hek men schier aanraakte; dat is tusschen de krankzinnigheid der vrouw en de krankzinnigheid van den man. Zoo ver het oog kon reiken, zag men niets dan de slachtplaatsen, den ringmuur en enkele gevels van fabriekgebouwen, die naar kazernen of kloosters geleken; overal schuren en steenbrokken, over zwarte muren als doodkleeden, of nieuwe witte muren als lijkwaden; overal evenwijdig staande rijen boomen, rechtlijnig gebouwde vlakke huizen, lange koude liniën en treurige rechthoeken. Geen verheffingen van den grond, geen afwisseling van bouworde, niets opwekkends. ’t Was een koud, regelmatig, afschuwelijk geheel. Niets beklemt het hart meer dan evenredigheid; want evenredigheid is verveling, en verveling is de grond der treurigheid. De wanhoop geeuwt. Men kan zich nog iets vreeselijker voorstellen dan een hel, waarin men lijdt, namelijk een hel, waarin men zich verveelt. Zoo zulk een hel bestond, kon dit deel van den boulevard er de toegang van geweest zijn.

Maar met het aanbreken van den nacht, op het oogenblik dat het licht verdwijnt, vooral des winters, wanneer de gure avondwind den olmen hun laatste dorre bladeren ontrukt, in sterrenlooze duisternis of wanneer de maan en de wind de wolken scheuren, werd deze boulevard zelfs vreeselijk. De donkere lijnen drongen in de duisternis en verdwenen in het oneindige. De voorbijganger moest onwillekeurig aan de talrijke galggeschiedenissen dier plaats denken. De eenzaamheid van het oord, waar zoovele misdaden waren gepleegd, had iets schrikbarends. Men waande valstrikken in deze duisternis te voelen, al de verwarde schaduwbeelden schenen verdacht, en de langwerpige vierkante holen tusschen de boomen geleken grafkuilen. Des daags was het leelijk, des avonds akelig, des nachts vreeselijk, schrikbarend.

Des zomers zag men in de avondschemering hier en daar eenige oude vrouwen onder de olmen op verrotte banken zitten. Deze oude vrouwtjes waren hartstochtelijke bedelaressen.

Overigens vertoonde deze wijk, die eer nog een ouderwetsch dan een oud aanzien had, destijds reeds een zucht naar herschepping, en die haar zien wilde moest zich haasten. Iederen dag verdween een afzonderlijk deel van het geheel. Thans, en sedert twintig jaren, is het station van den Orleanschen-spoorweg in de buurt der oude voorstad en beheerscht haar. Overal, waar aan den rand eener groote stad een spoorweg-station wordt aangelegd, verdwijnt de voorstad en ontstaat een stad. Het schijnt, dat rondom deze groote middelpunten van de beweging der volken, bij het rollen dezer geweldige machines, bij het snuiven dezer reuzenpaarden der beschaving, die steenkool eten en vuur spuwen, de dreunende aarde zich opent om de oude gewrochten der menschen te verslinden en nieuwe op te werpen. Oude huizen verdwijnen en nieuwe verheffen zich.

Sedert het spoorweg-station van Orleans de gronden der Salpêtrière heeft ingenomen, beven de oude nauwe straten in de nabijheid der grachten van St. Victor en den Plantentuin door het geweldig gedaver der diligences, huurkoetsen en omnibussen, welke er drie of vier malen daags langs rijden en de huizen als ’t ware rechts en links terugdringen; want men kan ongeloofelijke dingen uitspreken, die echter volkomen waar zijn. Zoo kan men met waarheid zeggen, dat in groote steden de zon de gevels der huizen aan den zuidkant doet bloeien en groeien; en dat door het druk verkeer van rij- en voertuigen de straten verbreed worden. De verschijnselen van een nieuw leven zijn duidelijk. In deze oude landelijke wijk, met haar woeste hoeken, komen straten te voorschijn; zelfs waar nog geen voetgangers zijn, kronkelen en strekken zich reeds trottoirs uit. Op een merkwaardigen morgen van Juli 1845 zag men er eensklaps de zwarte ketels der koolteer rooken; op dien dag kon men zeggen, dat de beschaving tot de straat Ourcine was gekomen en Parijs de voorstad St. Marceau was binnengetreden.


1Meester Raaf lag over eene portefeuille met papieren gebogen en had een dwangbevel in den bek; meester Vos door den reuk gelokt vertelde hem de volgende geschiedenis: Hé goeden dag enz.

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *