Den volgenden morgen, ten minste twee uur vóór het dag was, zat Thénardier bij een kaars in de gelagkamer aan de tafel met een pen in de hand, en maakte de rekening op van den reiziger in de bruine jas.
Zijn vrouw stond half gebogen naast hem en zag toe. Zij spraken geen woord. ’t Was aan de eene zijde diepe overweging, aan de andere eerbiedige bewondering, als waarmede men een gewrocht van den menschelijken geest ziet ontstaan en zich ontwikkelen. Men hoorde gerucht in huis, ’t was de „leeuwerik” die de trap veegde.
Na een groot kwartieruurs en eenige doorhalingen, bracht Thénardier dit meesterstuk voor den dag:
Nota voor mijnheer No. 1.
| Soupé | fr. 3. |
| Kamer | fr. 10. |
| Kaarsen | fr. 5. |
| Vuur | fr. 4. |
| Bediening | fr. 1. |
| Te zamen fr. 23. |
„Drie-en-twintig francs!” riep de vrouw verrukt, doch met eenige aarzeling vermengd.
Evenals alle groote kunstenaars, was Thénardier niet tevreden.
„Hm!” prevelde hij.
’t Was de toon van Castlereagh, terwijl hij op ’t congres van Weenen de rekening voor Frankrijk opmaakte.
„Gij hebt gelijk, Thénardier, hij mag dit wel betalen,” mompelde de vrouw, aan de pop denkende, welke hij in tegenwoordigheid harer dochtertjes aan Cosette had gegeven, „’t is niet meer dan billijk; ofschoon wat veel. Hij zal ’t niet willen betalen.”
Thénardier antwoordde met zijn koelen glimlach:
„Hij moet betalen.”
Deze glimlach was de hoogste uitdrukking van zekerheid en gezag. Wat zóó gezegd was moest gebeuren. De vrouw sprak er niet verder over. Zij bracht de tafels in orde; de man ging heen en weder door de kamer. Na eenige oogenblikken zeide hij:
„Ik moet wel vijftienhonderd francs betalen.”
Hij zette zich in den hoek van den haard, met de voeten in de warme asch en peinsde.
„Nu, ge vergeet toch niet, dat ik vandaag Cosette de deur uitzet. Het monster, ik kan haar niet uitstaan, met haar pop! Ik zou liever Lodewijk XVIII trouwen dan haar een dag langer in mijn huis hebben.”
Thénardier stak zijn pijp aan, en antwoordde tusschen de rookwolken: „Gij zult de rekening aan den man geven.”
Toen ging hij uit.
Nauwelijks was hij uit de kamer, toen de reiziger binnenkwam.
Thénardier verscheen weder onmiddellijk achter hem, bleef in de half open deur staan en was alleen zichtbaar voor zijn vrouw.
De bruine man had zijn stok en zijn pakje in de hand.
„Zoo vroeg bij de hand!” zei vrouw Thénardier, „gaat mijnheer ons reeds verlaten?”
Dit zeggende draaide zij verlegen de rekening in haar hand en maakte er met haar vingers vouwen in. Haar strak gelaat vertoonde een haar geheel ongewone uitdrukking van bedeesdheid en schroom.
’t Scheen haar moeielijk zulk een rekening aan iemand te geven, die zoo geheel ’t voorkomen van „een arme” had.
De reiziger scheen verstrooid en in gedachten. Hij antwoordde:
„Ja, madame, ik vertrek.”
„Ge hebt dus te Montfermeil geen zaken te doen?”
„Neen, ik reis hier slechts door, anders niet.—Wat ben ik u schuldig, madam?”
Vrouw Thénardier reikte hem de toegevouwen rekening over, zonder een woord te zeggen.
De man vouwde het papier open en zag het in; maar blijkbaar dacht hij aan iets anders.
„Madame,” vroeg hij, „maakt ge goede zaken hier te Montfermeil?”
„Zoo, zoo, mijnheer,” antwoordde vrouw Thénardier, verbaasd dat hij niet op eene andere wijze uitviel. Op treurigen, jammerenden toon voegde zij er bij: „’t Is een slechte tijd, mijnheer! en hier, in deze omstreken zijn weinig welgestelden. ’t Zijn allen geringe lieden, weet ge. Zoo er niet nu en dan fatsoenlijke en rijke reizigers kwamen als mijnheer! Wij hebben zoovele lasten. Onder andere, die kleine kost ons ontzettend.”
„Welke kleine?”
„Wel, de kleine, die gij gezien hebt! Cosette; de „leeuwerik” zooals men ze hier noemt.”
„Ha,” zei de man.
Zij voer voort:
„De boeren zijn zoo dom met hun bijnamen; zij heeft meer van een vleermuis dan van een leeuwerik. Weet ge, mijnheer, wij vragen niet, maar kunnen evenmin geven. Wij verdienen niets en hebben veel te betalen. Het patent, de personeele belasting, deuren en vensters, de opcenten! Mijnheer weet, dat er ontzettend veel belasting moet betaald worden. Bovendien heb ik mijn dochtertjes; ik heb niet noodig het kind van een ander te voeden.”
De man hernam met eene stem, welke men onverschillig tracht te maken, doch evenwel beeft: „Zoo men er u eens van ontlastte?”
„Van wie? van Cosette?”
„Ja.”
Het roode heftige gezicht der herbergierster straalde van hatelijke vreugde.
„O, mijnheer, houd haar, neem haar mede, doe met haar wat ge wilt en de H. Maagd en al de Heiligen in den hemel zegenen u er voor.”
„Afgedaan!”
„Waarlijk? Neemt ge haar mede?”
„Ik neem ze mede.”
„Aanstonds?”
„Aanstonds. Roep het kind.”
„Cosette!” riep vrouw Thénardier.
„Ondertusschen zal ik u mijn schuld betalen,” hernam de man. „Hoeveel is ’t?”
Hij sloeg een blik in de rekening en kon een beweging van verbazing niet onderdrukken.
„Drie-en-twintig francs!” zeide hij, de vrouw aanziende, en herhaalde: „Drie-en-twintig francs!”
Op deze wijze herhaald lag in deze woorden de uitdrukking tusschen het verwonderings- en het vraagteeken.
Vrouw Thénardier had den tijd gehad, zich tot den schok voor te bereiden. Zij antwoordde stoutmoedig:
„Ja, mijnheer, ’t is drie-en-twintig francs.”
De vreemdeling legde vijf vijffrancstukken op de tafel.
„Ga nu het kind halen,” zeide hij.
Op dit oogenblik trad Thénardier in ’t midden der kamer en zeide:
„Mijnheer is nog zes-en-twintig sous schuldig.”
„Zes-en-twintig sous!” herhaalde de vrouw.
„Twintig sous voor de kamer, zes voor het avondeten,” hernam Thénardier koel. „Wat de kleine betreft moet ik met mijnheer nog een woord spreken. Ga, vrouw.”
Vrouw Thénardier was als verbijsterd door de verrassende spranken van haars mans schitterenden geest. Zij gevoelde dat de groote acteur thans ten tooneele trad; zij antwoordde niet en ging heen.
Zoodra zij alleen waren, bood Thénardier den vreemdeling een stoel aan. De reiziger ging zitten; Thénardier bleef staan en zijn gelaat nam een zonderlinge goedhartigheid en onnoozelheid aan.
„Ik moet u zeggen, mijnheer, dat ik dit kind onuitsprekelijk liefheb.”
De vreemdeling zag hem strak aan.
„Welk kind?” vroeg hij.
„’t Is zonderling, hoe men zich aan iets hechten kan,” vervolgde Thénardier. „Wat is al dat geld? Neem uw vijffrancstukken terug. Ik houd onuitsprekelijk van dat kind!”
„Van welk?” vroeg de vreemde.
„Wel, van onze kleine Cosette. Wilt ge dit niet van ons wegnemen? Nu, ik spreek openhartig; zoo waar als ik een eerlijk man ben, ik kan er niet in bewilligen. Ik zou het kind missen. Ik heb ze van jongs af bij mij gehad. ’t Is waar, dat ze ons veel kost; ’t is waar, dat ze haar gebreken heeft; ’t is waar, dat wij niet rijk zijn; ’t is waar dat, toen ze ziek was, ik meer dan vierhonderd francs aan artsenijen betaald heb. Maar men moet iets voor den lieven God doen. Zij heeft noch vader noch moeder, ik heb haar grootgebracht. Ik heb brood voor mij en voor haar. Kortom, ik ben aan ’t kind gehecht. Ge begrijpt, men kan zich ergens aan hechten; ik ben een eenvoudige goede kerel; ik redeneer niet, en houd van de kleine; mijn vrouw is driftig, maar houdt ook van haar. ’t Is als ware het ons kind. Ik moet haar in huis hooren keuvelen.”
De vreemde bleef hem strak aanzien. Thénardier voer voort:
„Vergeving, verschooning, mijnheer, men geeft zoo maar zijn kind niet aan den eerste den beste. Niet waar, heb ik geen gelijk? ’t Is zoo, gij zijt rijk, gij schijnt een zeer goed man, [125]en zoo het tot haar geluk was? Maar wie weet dat? Ge begrijpt dat, zoo ik haar liet gaan en dit offer bracht, ik zou willen weten waar zij bleef, ik zou haar niet uit het oog willen verliezen, zou moeten weten bij wien zij is, om haar nu en dan te bezoeken, opdat zij zou weten dat haar goede pleegvader nog altijd over haar waakt. Er zijn voorwaar maar al te veel onmogelijke zaken. Ik weet zelfs uw naam niet. Zoo ge haar medenaamt, zou ik moeten vragen: waar is de Leeuwerik toch gebleven? Ik zou ten minste een stukje papier, een paspoort of iets van dien aard moeten zien.
Zonder op te houden den herbergier met dien blik aan te zien, die, om zoo te spreken, tot in het diepst der ziel dringt, antwoordde de vreemde met ernstige, vaste stem:
„Mijnheer Thénardier, men neemt geen pas om zich vijf uren van Parijs te verwijderen. Zoo ik Cosette medeneem, neem ik haar mede, dit is alles. Ge zult noch mijn naam, noch mijn woonplaats vernemen; ge zult haar verblijf niet vernemen, en ’t is mijn bedoeling dat zij u nooit wederzie. Ik breek den draad, dien zij aan den voet heeft, en zij vliegt weg. Wilt gij dit, ja of neen?”
Evenals goede en kwade geesten aan sommige teekenen de tegenwoordigheid van een hoogeren geest erkennen, zoo begreep Thénardier, dat hij met een zeer sterk man te doen had. Dit werd hem als ingegeven; hij begreep het dadelijk met zijn gewone scherpzinnigheid. Hij had reeds den vorigen avond, terwijl hij met de voerlieden dronk, rookte en zong, den vreemdeling oplettend gadegeslagen, hem als een kat beloerd en hem als een wiskunstenaar bestudeerd. Uit eigen beweging, voor zijn pleizier en uit instinct had hij hem gadegeslagen, en hem bespied als werd hij er voor betaald. Geen gebaar, geen beweging was hem van dezen man in de bruine jas ontsnapt. Zelfs vóór de onbekende zijn belangstelling in Cosette deed blijken, had Thénardier hem geraden. Hij had de doordringende blikken van den ouden man verrast, die zich immer op het kind richtten. Wat was de reden dezer belangstelling? Wie was deze man? Waarom zulk een armoedige kleeding, met zooveel geld in den zak? Deze vragen, welke hij zich deed en niet kon oplossen, kwelden hem. Hij had er den ganschen nacht over gedacht. ’t Kon Cosettes vader niet zijn. Misschien een grootvader? maar waarom zich dan niet dadelijk kenbaar gemaakt? Zoo men recht op iets heeft, bewijst men het. ’t Was duidelijk, dat deze man geen recht op Cosette had. Wie was hij dan? Thénardier verloor zich in gissingen. Hij meende alles te zien, en zag niets. Hoe het zij, toen hij met den man een gesprek begon, voelde hij zich sterk, in de overtuiging dat er een geheim onder schuilde, dat de man er belang bij had onbekend te blijven; doch bij het duidelijk en stellig antwoord van den vreemde, en toen hij zag van dit geheimzinnig personage zoo eenvoudig geheimzinnig was, gevoelde hij zich zwak. Iets dergelijks had hij niet verwacht. Al zijn gissingen vielen nu in duigen. Hij zamelde zijn gedachten. In een seconde overwoog hij dit alles. Thénardier was een dier menschen, die in een oogenblik over een toestand oordeelen. Hij begreep dat ’t nu het oogenblik was om regelrecht en snel door te tasten. Hij handelde als de groote veldheeren op het beslissend oogenblik, dat zij alleen weten te erkennen; hij ontblootte eensklaps zijn batterij.
„Mijnheer,” zeide hij, „ik moet vijftienhonderd francs hebben.”
De vreemde nam uit zijn zak een oude, zwart lederen portefeuille, opende ze en haalde er drie bankbriefjes uit, welke hij op de tafel legde. Toen hield hij zijn grooten duim op de briefjes en zeide tot den herbergier:
„Haal Cosette.”
Wat deed Cosette, terwijl dit plaats had?
Cosette was terstond bij haar ontwaken naar haar klompje geloopen, en had daarin het goudstuk gevonden. ’t Was geen gouden Napoleon, maar een dier nieuwe twintig-francstukken der restauratie, waarop de kleine Pruisische staart den lauwerkrans aan het borstbeeld vervangen had. Cosette was als verblind. Haar lot begon haar te bedwelmen. Zij wist niet wat een goudstuk was; nooit had zij er een gezien; zij bergde het haastig in haar zak alsof zij het gestolen had. Evenwel gevoelde zij, dat het haar behoorde; zij begreep, van waar dit geschenk kwam, maar haar vreugd was met vrees vermengd. Zij was tevreden; maar bovenal verbaasd. Deze heerlijke, schoone dingen schenen haar niet wezenlijk. De pop joeg haar vrees aan, het goudstuk beangstigde haar. Deze heerlijkheden deden haar onwillekeurig beven. Alleen de vreemde man baarde haar geen vrees; integendeel, hij stelde haar gerust. Sinds den vorigen avond dacht zij, bij al haar verbazing, in haar slaap, in haar kleinen kinderlijken geest aan den man, die zulk een oud, armoedig en treurig aanzien had en die zoo rijk en goed was. Sinds zij dien goeden man in het bosch had ontmoet was alles voor haar veranderd. Cosette, minder gelukkig dan de geringste zwaluw in de lucht, had nooit geweten wat het is, in de moederlijke hoede als onder een vleugel beschermd te zijn. Sedert vijf jaren, dat is zoo ver haar geheugen reikte, rilde en beefde het arme kind. Steeds was zij naakt geweest in den guren wind des ongeluks; nu scheen het haar, dat zij gekleed was. Vroeger was haar ziel koud, nu was zij warm.—Cosette had zooveel vrees niet meer voor Thénardier. Zij was niet meer alleen; er was iemand bij haar.
Haastig had zij haar ochtendwerk begonnen. De louisd’or, welken zij bij zich had, in ’t zelfde zakje van haar voorschoot, waaruit den vorigen avond het vijftien-sousstuk was gevallen, maakte haar verstrooid. Zij durfde het niet aanraken, maar beschouwde het elke vijf minuten, waarbij zij, wij moeten ’t zeggen, de tong uitstak. Terwijl zij de trap veegde, hield zij stil, vergat haar bezem en de geheele wereld, en staarde bewegingloos naar de schitterende ster in haar zak.
’t Was in zulk een beschouwing, dat vrouw Thénardier haar vond.
Op ’t bevel van haar man kwam deze haar zoeken. Vreemd! zij gaf haar geen klap en schold haar niet.
„Cosette, kom dadelijk,” zei zij schier vriendelijk.
Een oogenblik later trad Cosette de gelagkamer binnen.
De vreemde nam het pakje, dat hij had medegebracht, en ontknoopte het. Het bevatte een wollen jurkje, een schortje, een onderrok, een halsdoek, wollen kousen, schoenen, kortom de volledige kleeding voor een zevenjarig meisje. Alles was zwart.
„Neem dit, mijn kind,” zei de man, „en kleed u spoedig.”
’t Begon te dagen toen de inwoners van Montfermeil, die hun deuren allengskens openden, in de Parijsche straat een armoedig gekleed man zagen voorbijgaan, die een in den rouw gekleed meisje met een groote pop in de armen, aan de hand hield. Zij gingen in de richting van Livry.
’t Was onze man met Cosette.
Niemand kende hem; en wijl Cosette geen lompen meer droeg, herkenden velen haar niet.
Cosette ging heen. Met wien? waarheen? dit wist zij niet. Al wat zij begreep was, dat zij Thénardier’s kroeg verliet. Niemand had er aan gedacht haar vaarwel te zeggen, evenmin als zij om van iemand afscheid te nemen. Zij verliet dat huis, gehaat en hatende.
Arm, zacht wezen, welks hart tot hiertoe immer onderdrukt was geweest.
Cosette ging ernstig voorwaarts, met groote oogen den hemel aanschouwende. Zij had den louisd’or in het zakje van haar nieuwen boezelaar gestoken. Nu en dan boog zij ’t hoofd en sloeg er een blik op, daarna zag zij telkens naar den man. Zij gevoelde iets, als ware zij bij den goeden God.
















