Maandag, 20/04/2026 - 09:04

Tegen den avond van dienzelfden Kerstdag van 1823 wandelde een man tamelijk lang op het eenzaamst gedeelte van den boulevard de l’Hôpital te Parijs. Hij scheen een woning te zoeken en bij voorkeur voor de armoedigste huizen van dien bouwvalligen zoom der voorstad St. Marceau te blijven stilstaan.

Men zal later zien, dat deze man inderdaad een kamer in deze afgezonderde wijk had gehuurd.

Hij verwezenlijkte in zijn kleeding en geheelen persoon het type van wat men den fatsoenlijken bedelaar kan noemen, groote behoefte gepaard aan groote zindelijkheid. Een zeer zeldzame vereeniging, welke aan verstandige lieden dien dubbelen eerbied inboezemt, welken men voor den arme en verdienstelijke gevoelt. Hij had een zeer ouden en kalen hoed op ’t hoofd, een bruine grof lakensche jas, tot op den draad versleten, welke kleur destijds geen opzien baarde, een groot vest met zakken van verouderden vorm, een zwarte broek, aan de knieën grijs geworden, zwart wollen kousen en lompe schoenen met koperen gespen. Men zou hem voor een ouden huisonderwijzer gehouden hebben, die uit de emigratie was teruggekeerd. Wegens zijn wit haar, zijn gerimpeld voorhoofd, zijn gezicht, dat neerslachtigheid en levenszatheid teekende, zou men hem voor ouder dan zestig jaar gehouden; doch naar zijn vasten, schoon langzamen tred, naar de zeldzame kracht, die uit al zijn bewegingen sprak, zou men hem nauwelijks vijftig jaren gegeven hebben. Zijn fraai gerimpeld voorhoofd zou iemand, die hem met oplettendheid beschouwde, gunstig voor hem hebben ingenomen. Zijn lip had een zonderlingen trek van strengheid en ootmoed. In zijn blik lag iets als een treurige kalmte. In de linkerhand droeg hij een klein, in een zakdoek geknoopt pakje; in de rechterhand hield hij een van ruw hout gesneden stok! Deze stok was met eenige zorg bewerkt en zag er aardig uit; van de naden was partij getrokken en de knop met lak rood gemaakt; ’t was een knuppel, in de gedaante van een wandelstok.

Men ziet weinig voorbijgangers op dien boulevard, vooral des winters. Deze man scheen ze, hoewel zonder dat dit in ’t oog liep, eerder te vermijden dan te zoeken.

In dien tijd ging koning Lodewijk XVIII schier dagelijks naar Choisy-le-Roi. ’t Was een zijner begunstigde wandelingen. Tegen twee uur zag men bijna dagelijks het rijtuig en den koninklijken stoet in vollen galop den boulevard de l’Hôpital passeeren.

Dit was voor de arme vrouwen dier wijk horloge en klok; zij zeiden: „’t is twee uur, hij keert naar de Tuilerieën terug.”

Eenigen liepen toe, anderen gingen aan den weg staan; want een voorbijgaand koning veroorzaakt altijd opschudding. De verschijning en verdwijning van Lodewijk XVIII maakte overigens een zekeren indruk in de straten van Parijs. ’t Was snel maar majestueus. Deze jichtige koning had smaak in hard rijden; daar hij niet kon gaan, wilde hij vliegen; deze voetelooze liet zich gaarne door den bliksem trekken. Kalm en statig ging hij voorbij, omgeven door blanke sabels. Zijn zware, vergulde berline, op wier paneelen groote lelietakken waren geschilderd, rolde daverend voorbij en nauwelijks had men den tijd er het oog op te slaan. Men zag in den achtersten hoek ter rechterzijde, op wit satijnen kussens een breed, krachtig en blozend gezicht, een frisch gepoederd hoofd, een fieren, strengen, fijnen blik, den glimlach van een letterkundige, twee zware gouden epauletten met losse tressen op een burgerrok, het gulden vlies, het kruis van den H. Lodewijk, het kruis van het legioen van eer, de zilveren ster van den H. Geest, een dikken buik, en een breed blauw lint; dit was de koning. Buiten Parijs hield hij zijn hoed met witte pluimen op zijn in hooge Engelsche slobkousen gebakerde knieën, zoodra hij in de stad terugkeerde zette hij den hoed op en groette weinig. Hij zag koel naar het volk, dat hem met dezelfde munt betaalde. Toen hij den eersten keer in de wijk Saint-Marceau verscheen, was al de vrucht, die hij er van getrokken had, dit woord van een voorstadsbewoner tot zijn kameraad: „Deze dikke is het gouvernement.”

Dit onfeilbare voorbijrijden des konings op hetzelfde uur was dus de dagelijksche verschijning op den boulevard de l’Hôpital.

De wandelaar in de bruine jas behoorde blijkbaar niet in deze wijk te huis, en waarschijnlijk niet te Parijs, want deze bijzonderheid was hem onbekend. Toen het koninklijk rijtuig, door een escadron gardes-du-corps met zilveren galon omgeven, te twee uren van den hoek van la Salpêtrière den boulevard opreed, scheen hij verrast en schier verschrikt. Hij alleen was in de zijlaan, hij trad haastig achter een hoek van den ringmuur, ’t geen den hertog d’Havré echter niet belette hem te zien. De heer hertog d’Havré zat als dienstdoende kapitein der gardes dien dag in het rijtuig tegenover den koning. Hij zeide tot zijne majesteit: Ziedaar een man met een zeer slecht uitzicht! Politie-beambten, die den weg des konings verkenden, merkten hem ook op; een hunner ontving bevel hem te volgen. Maar de man verdween in de nauwe eenzame straten van de voorstad, en daar de avond begon te vallen, verloor de agent zijn spoor, zooals wordt bevestigd in een rapport aan den graaf Anglès, minister van staat en prefect van politie, van dienzelfden avond.

Toen de man in de bruine jas de vervolging van den agent ontkomen was, versnelde hij zijn schreden, echter niet zonder telkens om te zien of hij ook werd gevolgd. Om kwartier over vier toen het reeds donker was, ging hij voorbij den schouwburg van de poort St. Martin, waar dien avond les deux Forçats werd gespeeld. Het aanplakbiljet, dat door de lantaarns van den schouwburg verlicht werd, trof hem, want hoewel hij haastig ging, hield hij stil om het te lezen. Een oogenblik later was hij in het slop la Planchette en trad de herberg le Plat d’étain binnen, waar destijds het bureau van den wagen op Lagny was. Die wagen vertrok te half vijf. De paarden waren voorgespannen en de reizigers, door den voerman opgeroepen, beklommen haastig de hooge ijzeren trede van ’t rijtuig.

De man vroeg:

„Is er nog plaats?”

„Nog eene, naast mij op den bok,” zei de koetsier.

„Ik neem ze.”

„Stap op dan.”

Maar voor hij wegreed sloeg de koetsier een blik op de sobere kleeding van den reiziger en zijn klein pakje, en liet zich terstond betalen.

„Gaat ge tot Lagny?” vroeg de koetsier.

„Ja,” zei de man.

De reiziger betaalde tot Lagny.

Men vertrok. Toen men buiten de barrière was, wilde de koetsier een gesprek beginnen; maar de reiziger antwoordde slechts kortaf. Toen ging de koetsier aan ’t fluiten en op zijn paarden vloeken.

De koetsier wikkelde zich in zijn mantel. ’t Was koud. De man scheen er niet aan te denken. Dus reed men door Gournay en Neuilly-sur-Marne.

Tegen zes uur was men te Chelles. De koetsier hield stil om zijn paarden te laten drinken, vóór de voermansherberg, opgericht in de oude gebouwen van de koninklijke abdij.

„Hier ga ik af,” zei de man.

Hij nam zijn pakje en stok, en sprong van het rijtuig.

Een oogenblik later was hij uit het oog verdwenen.

Hij was de herberg niet binnengegaan.

Toen, na eenige minuten, het rijtuig naar Lagny voortreed, ontmoette ’t hem niet in de groote straat van Chelles.

De koetsier zeide tot de reizigers in ’t rijtuig:

„Deze man is niet van hier, want ik ken hem niet. Hij schijnt behoeftig te zijn, en echter hecht hij niet aan geld, want hij betaalt tot Lagny en gaat slechts tot Chelles. ’t Is donker, al de huizen zijn gesloten, hij is de herberg niet binnengegaan, en is nergens te zien. Zou hij in den grond zijn gezonken?”

De man was niet in den grond gezonken, maar was haastig in ’t donker de groote straat van Chelles doorgegaan; vervolgens was hij links, vóór hij aan de kerk kwam, den binnenweg ingeslagen, die naar Montfermeil voert, als iemand die het oord kende en er vroeger geweest was.

Hij liep met spoed. Ter plaatse, waar zijn pad door den met boomen beplanten weg van Gagny naar Lagny doorsneden wordt, hoorde hij menschen naderen. Hij verborg zich schielijk aan den kant van een sloot en wachtte tot de voorbijgangers verwijderd waren. Deze voorzorg was trouwens schier overbodig, want, zooals wij gezegd hebben, ’t was een zeer donkere Decembernacht. Nauwelijks bespeurde men een paar sterren aan den hemel.

Bij deze plek begint de glooiing van den heuvel. De man volgde den weg van Montfermeil niet; hij ging rechts over het veld en liep met haastigen tred naar het bosch.

In ’t bosch gekomen, ging hij langzamer en begon oplettend al de boomen te beschouwen, stap voor stap, als zocht en volgde hij een geheimen, hem alleen bekenden weg. Een oogenblik scheen hij verdwaald en stond besluiteloos stil. Eindelijk kwam hij zoekende en tastende op een onbegroeide plek, waar een hoop groote witachtige steenen lag. Haastig naderde hij deze steenen en in de nachtschemering onderzocht hij ze nauwkeurig en met de grootste aandacht. Een dikke boom, bedekt met die uitwassen, welke de wratten van ’t plantenrijk zijn, stond op eenige schreden van den hoop steenen. Hij ging naar dien boom en bevoelde met zijn hand den stam, alsof hij de uitwassen poogde te herkennen en te tellen.

Tegenover dezen boom, een els, stond een kastanjeboom, wiens schors beschadigd was, en waarop men als verband een reep zink had gespijkerd. Hij tilde zich op de teenen en betastte die reep.

Daarop ging hij een poos tusschen den boom en de steenen heen en weer, als iemand die onderzocht of de grond kortelings is omgegraven.

Dit gedaan hebbende, nam hij zijn richting en zette zijn tocht door het bosch voort.

’t Was deze man, dien Cosette ontmoet had.

Toen hij het kreupelhout naar den kant van Montfermeil doorging, had hij deze kleine schim gezien, welke zich zuchtend bewoog, die een last nederzette, dien weder opnam en haar weg vervolgde. Hij was nader gekomen en had gezien, dat ’t een zeer jong kind was, een grooten emmer water torsende. Toen was hij tot het kind gegaan en had zwijgend het hengsel van den emmer gevat.

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *