Montfermeil ligt tusschen Livry en Chelles op den zuidelijken zoom van het hooge bergplat, dat de Ourque van de Marne scheidt. Tegenwoordig is het een tamelijk groot dorp, dat het geheele jaar door met witte villa’s, en des Zondags met uitgedoste burgers versierd is. In 1823 zag men te Montfermeil noch zoovele witte huizen, noch zooveel vergenoegde burgers: ’t was niets dan een dorp in een bosch. Men vond er wel hier en daar eenige lusthuizen der vorige eeuw, herkenbaar aan hun grootsch voorkomen, hun ijzeren balkons en hooge vensters, wier kleine glasruiten op de witte gesloten blinden allerlei soort van groene kleur vertoonen. Montfermeil was evenwel een dorp. De rentenierende ex-winkeliers en de minnaars van het landleven hadden het nog niet ontdekt. ’t Was een vreedzaam, bekoorlijk oord, waar geen enkele weg langs liep; men leefde er goedkoop op landelijke wijs, onbekrompen en gemakkelijk. Alleen het water was er schaarsch, uithoofde der hooge ligging.
Het moest tamelijk ver gehaald worden. Het einde van het dorp aan de zijde van Gagny putte zijn water uit de heerlijke vijvers, die daar in het bosch zijn; het andere einde, dat de kerk omgeeft, en aan de zijde van Chelles ligt, vond geen drinkbaar water dan aan een kleine bron, halfweg Chelles, bijna een kwartier van Montfermeil.
’t Was voor ieder gezin dus een moeielijk werk zich van ’t benoodigde water te voorzien. De groote huizen, de aristocratie, de kroeg van Thénardier behoorde hier ook onder, betaalden een oordje voor iederen emmer aan een ouden man, die hieruit een bestaan maakte, en die met dit waterbedrijf ongeveer acht stuivers daags verdiende; maar deze man werkte des zomers slechts tot zeven ure ’s avonds, en des winters tot vijf ure; zoodra het donker was geworden en de vensterluiken gesloten waren, moest ieder die water wilde hebben het zelf zien te krijgen of het zonder doen.
Dit was de schrik van het arme wezen, ’t welk de lezer wel niet vergeten zal hebben, de kleine Cosette.
Men herinnert zich, dat Cosette den Thénardier’s op tweeërlei wijze nuttig was: zij lieten zich door de moeder betalen en door het kind bedienen. Toen de moeder geheel ophield te betalen – men heeft de reden ervan in de vorige hoofdstukken gelezen – behielden de Thénardier’s evenwel Cosette. Zij verving voor hen een dienstbode. In deze hoedanigheid nu, ging zij water halen wanneer men ’t moest hebben. Maar het kind, dat zeer bang was ’s avonds naar de bron te gaan, zorgde dat er steeds water in huis was.
Het Kerstfeest van 1823 was te Montfermeil bijzonder schitterend. Het begin van den winter was zacht geweest, het had nog niet gevrozen of gesneeuwd. Potsenmakers van Parijs hadden van den maire verlof gekregen hun tenten in de groote straat van het dorp op te slaan, en een troep reizende kooplieden had, met gelijke vergunning, hun kramen op het kerkplein geplaatst, tot in de Bakkersteeg, waar, zooals men zich misschien zal herinneren, de kroeg van Thénardier stond. Dit vulde de herbergen en logementen, en gaf aan dit stille oord een woelig, vroolijk leven. Wij moeten zelfs als trouw geschiedschrijver zeggen, dat onder de merkwaardigheden die op het plein te zien waren, zich een menagerie bevond, waarin leelijke, bonte hansworsten, wier herkomst men niet kon gissen, in 1823 aan de boeren van Montfermeil een dier ontzaggelijke Braziliaansche gieren vertoonden, welke ons koninklijk museum eerst sedert 1845 bezit, en wier oogen een driekleurige kokarde is. De natuurkundigen noemen, meen ik, dezen vogel Caracara Polyborus, hij behoort tot de orde der apiciden en tot de familie der gieren. Eenige oud-gedienden van Bonaparte, die nu hier leefden, gingen dit dier met allen eerbied kijken. De vertooners van den vogel verzekerden dat de driekleurige kokarde een éénig verschijnsel was, en opzettelijk door den goeden God voor hun menagerie geschapen.
Dienzelfden Kerstavond zaten verscheidene mannen, voerlieden en marskramers, in de gelagkamer der herberg van Thénardier om een tafel met vier of vijf kaarsen te drinken. Deze kamer geleek op alle herbergkamers; tafels, tinnen kannen, flesschen, drinkers en rookers; weinig licht, veel leven. De datum van het jaar 1823 was er aangeduid door de twee destijds bij de burgerklasse in de mode zijnde voorwerpen, die op de tafel waren, namelijk een kaleidoskoop en een Engelsche lamp van gewaterd blik. Vrouw Thénardier hield het oog op het avondeten, dat voor een goed helder vuur brandde; Thénardier dronk met zijn gasten en sprak over politiek.
Behalve de politieke gesprekken, welke den oorlog van Spanje en den hertog van Angoulême tot hoofdonderwerp hadden, hoorde men tusschenbeide onder het leven geheel plaatselijke zaken vermengd, als b. v.:
– Naar den kant van Nanterre en Suresne is de wijnoogst zeer goed geweest. Waar men op tien stukken rekende, heeft men er twaalf. ’t Heeft onder de pers veel nat geleverd. – Maar de druif kon niet rijp zijn? – In die oorden behoeft de druif niet rijp te zijn: zoodra ’t lente is wordt de wijn zwaar. – ’t Is dus een lichte wijn? – De wijn is er nog lichter dan hier, men moet er onrijp oogsten.
Enz. –
Of ’t was een molenaar die riep:
– Zijn wij verantwoordelijk voor ’t geen in de zakken is? Wij vinden er een handvol kleine korrels in, die wij den tijd niet hebben er uit te zoeken en men wel onder den steen moet laten gaan; ’t is onkruid; klaverzaad, korenbrand, wikke, hennepzaad, en een menigte ander tuig, zonder het zand te rekenen dat in sommig koren, vooral in het Bretonsche, overvloedig is. Ik houd er evenmin van, Bretonsch koren te malen, als de houtzagers van balken met spijkers er in te zagen. Ge kunt begrijpen hoeveel slecht stof dit alles bij de opbrengst geeft. En dan klaagt men over het meel. Men heeft ongelijk. Wij hebben geen schuld aan ’t meel.
Tusschen twee vensters zat aan een tafel een maaier met een landeigenaar over den prijs te knibbelen voor het maaien van een weide in ’t voorjaar, en zeide:
– ’t Kan geen kwaad, dat het gras vochtig is. Des te beter snijdt het. Om ’t even; dat gras, uw gras is jong en nog moeielijk; ’t is te teer en buigt voor de zeis.
Enz. –
Cosette zat op het dwarshout der keukentafel, haar gewone plaats, bij den schoorsteen; zij was in lompen, met de bloote voeten in klompen, en breide bij het schijnsel van het vuur wollen kousen voor de kleine Thénardiers. Een zeer jong katje speelde onder de stoelen. Men hoorde twee frissche kinderstemmen in een belendend vertrek lachen en praten; ’t waren Eponine en Azelma.
In den hoek van den haard hing een karwats aan een spijker.
Bij tusschenpoozen klonk het geschreeuw van een zeer jong kind, dat ergens in huis was, boven het geraas in de herberg uit. ’t Was een jongentje, dat vrouw Thénardier in een der vorige winters had gekregen – „zonder te weten waarom,” zeide zij: „een gevolg van de koude,” – en dat iets ouder dan drie jaar was. De moeder had dit gezoogd, maar beminde het niet. Wanneer het aanhoudend geschreeuw van den kleine te lastig werd, zeide Thénardier: Uw kleine schreit, ga toch zien wat hij wil. – Och! antwoordde de moeder, het verveelt mij. – En de kleine verlatene schreide verder in het donker.
















