Deze avond had Marius een hevigen schok gegeven en een treurige duisternis in zijn ziel achtergelaten. Hij gevoelde wat de aarde gevoelen moet, wanneer het ploegijzer haar scheurt, opdat de graankorrel er een plaats in vinde; zij voelt alleen de wonde; de trilling der ontkieming en de vreugd der vrucht komen eerst later.
Marius was somber. Hij was pas tot een overtuiging gekomen, en moest hij die nu reeds weder verwerpen? Hij nam [109]zich voor het niet te doen, en legde bij zich zelven de gelofte af niet te willen twijfelen, schoon hij ’t onwillekeurig reeds deed. ’t Is ondragelijk, tusschen twee overtuigingen te staan, die men nog niet losgelaten of aangenomen heeft; de schemering behaagt immers slechts aan vleêrmuiszielen. Marius had een onbevangen blik en verlangde het ware licht. Het halfdonker van den twijfel was hem pijnlijk. Hoe hij ook begeerde te blijven wat hij was en zich daaraan te houden, toch was hij gedwongen verder te gaan, te onderzoeken, te denken, voorwaarts te schrijden. Waarheen zou hem dit voeren? Hij vreesde, na zoo vele stappen te hebben gedaan, die hem nader tot zijn vader hadden gebracht, weder schreden te moeten zetten, die er hem van verwijderden. En zijn onaangename stemming groeide door al deze beschouwingen nog aan. Als door een steile hoogte zag hij zich omgeven. Hij was ’t noch met zijn grootvader noch met zijn vrienden eens; vermetel voor den een, ten achter bij de anderen, gevoelde hij zich van beide zijden verlaten, door den ouderdom en door de jeugd. Toen bezocht hij het café Musain niet meer.
In de onrust van zijn geweten verloor hij zekere ernstige zijden des levens bijna geheel uit het oog; maar de werkelijkheden des levens kan men niet vergeten. Plotseling gaven zij hem een ruwen stoot.
Op zekeren morgen kwam de logementhouder de kamer van Marius binnen en zeide:
„Mijnheer Courfeyrac is borg voor u gebleven.”
„Ja.”
„Maar ik heb geld noodig!”
„Verzoek Courfeyrac dan om bij mij te komen,” zei Marius.
Courfeyrac kwam en de logementhouder verliet hem. Marius verhaalde Courfeyrac wat hij hem nog niet had medegedeeld, dat hij ouderloos en alleen op de wereld was.
„En wat zal er dan van u worden?” vroeg Courfeyrac.
„Ik weet het niet,” antwoordde Marius.
„Wat zult ge doen?”
„Ik weet het niet.”
„Hebt ge geld?”
„Vijftien francs.”
„Wil ik u leenen?”
„Neen.”
„Hebt ge kleederen?”
„Deze.”
„Hebt ge kostbaarheden?”
„Een horloge.”
„Een zilveren?”[110]
„Een gouden, zie.”
„Ik ken een kleêrkooper, die uw jas en broek wel zal willen nemen.”
„Goed.”
„Dan houdt ge maar een broek, vest, rok en hoed over.”
„En mijn laarzen.”
„Wat, ge zoudt niet barrevoets kunnen loopen? Welk een weelde!”
„Genoeg!”
„Ik ken een horlogemaker die uw horloge wel zal koopen.”
„Goed.”
„Neen, dat is niet goed. Wat zult ge verder doen?”
„Alles is mij om ’t even, mits het eerlijk zij.”
„Verstaat ge Engelsch?”
„Neen.”
„Verstaat ge Duitsch?”
„Neen.”
„Des te erger.”
„Waarom?”
„Een mijner bekenden, een boekhandelaar, geeft een soort van encyclopedie uit, voor welke ge Duitsche of Engelsche artikelen hadt kunnen vertalen. ’t Wordt slecht betaald, maar men kan er toch van leven.”
„Dan zal ik Duitsch en Engelsch leeren.”
„En intusschen?”
„Intusschen zal ik van mijn kleedingstukken en mijn horloge leven.”
Men liet den kleêrkooper roepen. Deze kocht de kleederen voor twintig francs. Men ging naar den horlogemaker. Deze gaf voor het horloge veertig francs.
„Dat is zoo slecht niet,” zei Marius tot Courfeyrac toen hij te huis kwam; „’t maakt met mijn vijftien, tachtig francs uit.”
„En de rekening van den huisheer?” merkte Courfeyrac op.
„Ja, daar dacht ik niet aan,” zei Marius.
De huisheer gaf de rekening, die dadelijk betaald moest worden. Zij bedroeg zeventig francs.
„Dan blijven mij tien francs over,” zei Marius.
„Verduiveld,” riep Courfeyrac, „zoo ge nu vijf francs moet uitgeven, terwijl ge Engelsch, en vijf francs, terwijl ge Duitsch leert, zult ge heel schielijk een taal geleerd, of heel langzaam een vijf-francstuk verteerd hebben.”
Intusschen was tante Gillenormand, die, wanneer het treurige omstandigheden gold, in den grond zoo kwaad niet was, er eindelijk in geslaagd Marius’ verblijf te vinden.
Op een ochtend toen Marius van de academie te huis kwam, [111]vond hij een brief van zijn tante en zeshonderd francs aan goud in een verzegeld doosje.
Marius zond de dertig louisd’ors aan zijn tante terug met een eerbiedigen brief, waarin hij schreef, dat hij middelen van bestaan had en voortaan in al zijn behoeften voorzien kon. Op dat oogenblik had hij nog drie francs over.
Tante gaf grootvader geen kennis van deze weigering, uit vrees dat het hem nog meer vergrammen mocht. Hij had immers gezegd: dat men mij nooit van dezen bloeddrinker spreke!
Marius verliet het hôtel der porte St. Jacques, om niet in schulden te komen.
















