Maandag, 20/04/2026 - 05:36

Denzelfden dag, toen de heer Mabeuf tot Marius zeide: „zekerlijk, ik keur politieke meeningen goed,” drukte hij den wezenlijken toestand van zijn geest uit. Alle politieke meeningen waren hem onverschillig, en hij keurde ze alle zonder onderscheid goed, mits zij hem met rust lieten, op dezelfde wijze als de Grieken de furiën, de schoonen, de goeden en bekoorlijken de Eumeniden noemden. De politieke meening van den heer Mabeuf was een hartstochtelijke liefde voor planten en bovenal voor boeken. Hij had, zooals iedereen, de lettergreep ist tot uitgang, zonder welke niemand in dien tijd kon leven, maar hij was royalist, bonapartist, chartist, orleanist, noch anarchist; hij was bouquinist (boekenliefhebber). Hij begreep niet, waarom de menschen wegens zulke nietigheden als de charte, de democratie, de legitimiteit, de monarchie, de republiek enz. elkander konden haten, terwijl er in de wereld zoo velerlei soorten van mos, kruiden en heesters waren die zij beschouwen, en stapels folianten die zij doorbladeren konden. Hij wilde niet nutteloos zijn; dat hij boeken had en botanicus was, belette hem niet te lezen en te tuinieren. Toen hij Pontmercy had leeren kennen, ontstond tusschen den kolonel en hem sympathie, wijl deze bloemen en de ander vruchten kweekte. De heer Mabeuf was er in geslaagd even uitmuntende peren als die van St. Germain te telen.[125]

Hij ging veeleer ter mis uit gewoonte dan uit godsvrucht, en ook wijl hij, gaarne menschen ziende maar hun gewoel hatend, hen slechts in de kerk stil bijeen vond. Hij had, beseffende dat hij in den staat iets moest zijn, de loopbaan van kerkmeester gekozen. Overigens was ’t hem nooit gelukt zoo verliefd op een vrouw te worden als op een tulpbol, en was geen man hem zoo lief als een Elzevier. Hij was reeds lang over de zestig jaar toen iemand hem vroeg: „Zijt ge nooit gehuwd geweest?” – „Ik heb ’t vergeten,” antwoordde hij. Zoo ’t hem nu en dan gebeurde – en wien gebeurt dit niet? – te zeggen: „O, zoo ik rijk ware!” – was ’t niet terwijl hij een meisje begluurde, gelijk vader Gillenormand, maar alleen bij de beschouwing van een oud boek.

Hij leefde alleen met een oude huishoudster – en was min of meer jichtig; in den slaap kromden zich zijn oude door het rheumatisme verstijfde vingers over het beddelaken. Hij had een Flora over de omstreken van Cauteretz geschreven met gekleurde platen, een tamelijk goed werk, waarvan hij de koperplaten bezat, en dat hij zelf verkocht. Twee of driemaal daags kwam men daarom bij hem in de straat Mezières aanschellen. Dit bracht hem elk jaar een paar duizend francs op, en was ongeveer zijn geheele fortuin.

Hoewel hij arm was, had hij toch talent genoeg gehad, om door geduld, ontbering en tijd een kostbare verzameling van zeldzame, veelsoortige exemplaren bijeen te brengen. Nooit ging hij uit dan met een boek onder den arm en kwam er dikwerf met twee weder te huis. De eenige versieringen der vier benedenkamers, die met een kleinen tuin zijn woning vormden, waren herbariums en platen van oude meesters. Het gezicht van een sabel of geweer deed hem verstijven. In zijn gansche leven was hij geen kanon genaderd, zelfs niet in het Hôtel der Invaliden. Hij had een goede maag; een broeder, die pastoor was, met witte haren; geen tanden in den mond noch in den geest; een beving in al zijn leden; een picardischen tongval; een kinderlijken lach en een gezicht als een oud schaap.

Bij dat alles onder de levenden slechts één vriend, een ouden boekhandelaar, Royol, en één wensch: dat de indigo-bouw in Frankrijk ingevoerd mocht worden. Ook zijn dienstmeid was een rariteit van onschuld. De goede vrouw was nog vrijster. Sultan, haar kater, die het miserere van Allegri in de Sixtijnsche kapel had kunnen mauwen, vervulde haar hart en bevredigde de hoeveelheid hartstocht die in haar was. Geen harer wenschen had zich ooit tot een man verheven. De kater was haar alles. Zij had knevels gelijk hij. Zij stelde [126]roem in een heldere muts. Zij vermaakte zich des zondags na de mis met haar lijnwaad in de kast te tellen en de lappen katoen op haar bed uit te spreiden, welke zij voor haar kleederen kocht, doch nooit liet maken. Zij kon lezen. Mijnheer Mabeuf had haar den bijnaam van „moeder Plutarchus” gegeven.

Mabeuf had genegenheid voor Marius gekregen, wijl Marius, jong en zacht van aard, zijn ouderdom verwarmde, zonder zijn bedeesdheid te verschrikken. Jeugd en zachtheid doen op grijsaards de uitwerking van een zonneschijn zonder wind. Toen Marius verzadigd was van militairen roem, buskruit, marschen en contra-marschen en van al de schoone veldslagen, waarin zijn vader sabelhouwen gegeven en ontvangen had, bezocht hij Mabeuf, en deze sprak hem van den held naar aanleiding zijner bloemen.

Omstreeks 1830 was zijn broeder de pastoor overleden, en schier eensklaps was, evenals wanneer de nacht daalt, voor den heer Mabeuf de geheele horizont verduisterd. Door een bankroet – van een notaris – verloor hij een som van tien duizend francs, hetgeen alles was wat hij en zijn broeder bezaten. De Juli-revolutie veroorzaakte een crisis in den boekhandel. In tijden van algemeenen nood worden zelden Floras verkocht. De Flora over de omstreken van Cauteretz ging volstrekt niet meer. Weken vervlogen zonder dat er een kooper kwam. Soms ontroerde de heer Mabeuf, wanneer hij de schel hoorde. – „Neen, mijnheer,” zeide moeder Plutarchus dan treurig, „’t is de waterdrager.” – Kortom, op zekeren dag verliet Mabeuf de straat Mezières, deed afstand van zijn kerkmeesterschap, verkocht een gedeelte, niet van zijn boeken, maar van zijn prenten – waaraan hij ’t minst gehecht was, – en betrok een huisje op den boulevard Mont-Parnasse, dat hij echter slechts twee maanden bewoonde, en wel om twee redenen: eerstens wijl het beneden-huis en de tuin driehonderd francs kostte, en hij niet meer dan tweehonderd francs huur kon betalen, en ten tweede wijl erin de buurt een schijfschieterij was en hij pistoolschoten hoorde, die hem ondragelijk waren.

Hij nam zijn Flora, zijn koperen platen, zijn herbariums, portefeuilles en boeken mede, en zette zich metterwoon neder bij la Salpétrière, in een soort hut van het dorp Austerlitz, waar hij voor honderdvijftig francs ’s jaars drie kamers en een omheinden tuin met een put had. Hij maakte van die verhuizing gebruik om bijna al zijn huisraad te verkoopen. Op den dag zijner komst in de nieuwe woning was hij zeer vroolijk; hij sloeg zelf de spijkers in den muur, om er zijn prenten en herbariums aan te hangen; en toen hij moeder Plutarchus [127]des avonds treurig zag, klopte hij haar op den schouder, terwijl hij glimlachend zeide:

„Wij hebben de indigo!”

Slechts twee bezoekers, de boekhandelaar en Marius, werden er toegelaten in zijn hut te Austerlitz, welke oorlogzuchtige naam hem vrij onaangenaam was.

Hersenen, – zooals wij hebben aangewezen – die met wijsheid of dwaasheid zijn gevuld, of, ’t geen vaak gebeurt, door beide tegelijk, zijn overigens tamelijk ongevoelig voor de werkelijke dingen des levens. Haar bestemming is ook anders. Hieruit echter ontstaat een lijdelijkheid, die, ware zij beredeneerd, op wijsbegeerte kon gelijken. Zulke lieden dalen, zinken, storten zelfs neêr, zonder er bijna iets van te bespeuren. Dit eindigt wel is waar met een ontwaking, maar dan is het te laat. Ondertusschen houden zij zich in het spel om hun geluk of ongeluk eenigermate onzijdig. Zij zijn wel de inzet, doch zien bij het spel onverschillig toe!

Alzoo had de heer Mabeuf, die allengs al zijn verwachtingen verdwijnen zag, bij al die donkerheid welke deze doofde, zijn vroolijkheid toch behouden, die, al was ze ook eenigszins kinderachtig, toch diep gevoeld was. De gewoonten van zijn geest slingerden gestadig van de eene naar de andere zijde, als de slinger van een klok. En die slingering, door een hersenschim veroorzaakt, hield lang aan, zelfs wanneer de schim reeds lang verdwenen was. Een horloge staat niet dadelijk stil op ’t oogenblik, dat men den sleutel er van verliest.

De genoegens van Mabeuf waren zeer onschuldig, goedkoop en onverwacht; het geringste toeval gaf ze hem. Op zekeren dag las moeder Plutarchus in een hoek der kamer een roman. Zij las luid, meenende het dan beter te zullen begrijpen. Het overluid lezen is eenigerwijs de bevestiging van ’t geen men leest. Er zijn zelfs lieden die zeer luid lezen, alsof zij hun woord van eer willen geven, dàt zij lezen.

Met die kracht las moeder Plutarchus den roman, dien zij in de hand hield. Mabeuf hoorde zonder te luisteren.

Lezende kwam moeder Plutarchus aan deze zinsnede. Er was sprake van een dragonderofficier en een schoone.

„ … De schoone pruilde, en de dragonder…”1

Hier zweeg zij om haar bril schoon te maken.

„Bouddha en de draak,” zei Mabeuf halfluid. „Ja, ’t is waar, er was een draak die in zijn hol vlammen spuwde uit den muil en den hemel verbrandde. Verscheidene sterren waren [128]reeds door dat monster verbrand, dat bovendien tijger-klauwen had. Bouddha ging zijn hol binnen en ’t gelukte hem den draak te bekeeren. ’t Is een goed boek, dat ge daar leest, moeder Plutarchus. Er is geen fraaier legende.”

En Mabeuf verdiepte zich weder in zijn aangename overpeinzingen.


1La belle bouda et le dragon. Hierop slaat Bouddha en draak.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *