Maandag, 20/04/2026 - 14:32

Cosette en Marius zagen elkander weder.

Wij ondernemen het niet, deze ontmoeting te beschrijven. Er zijn dingen, die men niet moet trachten te schilderen, daaronder behoort de zon.

Het geheele gezin, Basque en Nicolette er onder gerekend, was, op het oogenblik dat Cosette binnentrad, in de kamer van Marius te zamen.

Zij verscheen op den drempel, en ’t was alsof zij in een stralenkrans stond.

Juist op hetzelfde oogenblik, wilde de grootvader den neus snuiten, maar bleef er in steken, hield den neus in zijn zakdoek en aanschouwde Cosette er overheen.

„Aanbiddelijk!” riep hij uit.

Toen snoot hij heel luidruchtig.

Cosette was verbijsterd, verrukt, verschrikt, in den hemel. Zij was door het geluk zoozeer in verwarring gebracht, als men slechts zijn kan. Zij stamelde, werd nu bleek, dan rood, zij wilde zich in de armen van Marius werpen, maar durfde niet. Zij schaamde zich, voor al deze lieden haar liefde te doen blijken. Men is onmeedoogend jegens gelukkige gelieven, men blijft, wanneer zij vurig zouden verlangen alleen te zijn. Zij hebben volstrekt geen getuigen noodig.

Tegelijk met Cosette en achter haar, was een man met wit haar, ernstig, maar toch flauw en smartelijk glimlachend, binnengekomen. ’t Was „Mijnheer Fauchelevent;” ’t was Jean Valjean.

Hij was „zeer goed gekleed”, zooals de portier had gezegd, geheel in het zwart en nieuw, en met witte das.

De portier dacht er in de verte niet aan, in dezen netten heer, in dezen schijnbaren notaris, den vreeselijken doodenbrenger te herkennen, die in den nacht van den 7den Juni, met gehavende kleederen, vuil, afschuwelijk, verwilderd, het gezicht met bloed en slijk bedekt, aan zijn deur was verschenen, den bewusteloozen Marius in de armen houdend; evenwel was zijn portiersneus opgewekt. Toen de heer Fauchelevent met Cosette was gekomen, had de portier in vertrouwen tot zijn vrouw gezegd: „Ik weet niet, waarom ik mij altijd verbeeld dit gezicht meer gezien te hebben.”

Toen de heer Fauchelevent in de kamer van Marius was, bleef hij als afgezonderd bij de deur staan. Hij had een pakje onder den arm, dat op een octavo boek geleek, in papier gewikkeld. Dat papier was groenachtig en scheen van het vocht te hebben geleden.

„Heeft deze heer altijd zulke boeken onder den arm?” vroeg mejuffrouw Gillenormand, die van geen boeken hield, zacht tot Nicolette.

„O,” antwoordde op denzelfden toon de heer Gillenormand, die het gehoord had, „’t is een geleerde: kan hij ’t helpen? De heer Boulard, dien ik gekend heb, ging nooit uit zonder boek en had altijd zulk een oud boekje aan zijn hart.”

En luide zeide hij groetend:

„Mijnheer Tranchelevent…”

Vader Gillenormand deed het niet met opzet, maar de achteloosheid voor eigennamen was bij hem een aristocratische manier.

„Mijnheer Tranchelevent, ik heb de eer u voor mijn kleinzoon, mijnheer den baron Marius Pontmercy, de hand van mejuffrouw te vragen.”

„Mijnheer Tranchelevent” boog.

„Dit is in orde,” zei de grootvader.

Daarop zich tot Marius en Cosette wendende en de armen zegenend uitbreidende, riep hij:

„’t Is u thans vergund elkander te beminnen!”

Zij lieten het zich geen tweemaal zeggen. Zooveel te erger! het gefluister begon. Zij spraken samen zacht, Marius overeind op zijn rustbed zittende en Cosette naast hem staande. „O mijn God!” lispte Cosette, „ik zie u weder, gij zijt het! Zoo te gaan vechten. Waarom toch? ’t Is afschuwelijk! Gedurende vier maanden ben ik dood geweest. O, ’t was ondeugend van u, naar dat gevecht te gaan! Wat had ik u toch gedaan? Ik vergeef het u, maar ge moogt het niet weer doen. Toen men ons aanstonds kwam zeggen, dat wij hier moesten komen, meende ik wederom te sterven, maar het was van vreugd. Ik was zoo treurig! Ik heb mij den tijd niet gegund mij te kleeden; ik moet er afzichtelijk uitzien. Wat zullen uw verwanten wel zeggen, mij met zulk een verkreukt kraagje te zien! Spreek toch! Ge laat mij alleen spreken. Wij wonen nog altijd in de rue de l’Homme-Armé. ’t Schijnt, dat uw schouder vreeselijk gekwetst is! Men heeft mij gezegd, dat men er de hand in kon leggen. En men heeft het vleesch uitgesneden. ’t Is ijselijk! Ik heb mij de oogen schier uitgeweend. ’t Is wonder, dat men zooveel kan lijden. Uw grootvader heeft een goedhartig voorkomen. Maar vermoei u niet, steun niet op uw elleboog, ge zult u pijn doen. O, hoe gelukkig ben ik! ’t Ongeluk is dan voorbij. Ik ben heel en al dwaas. Ik wilde u een en ander zeggen, maar ik ben ’t geheel vergeten. Bemint ge mij altijd? Wij wonen in de rue l’Homme-Armé. Er is geen tuin. Al dien tijd heb ik pluksel gemaakt, zie mijnheer, ’t is uw schuld, ik heb eelt aan den vinger.” – „Engel!” zei Marius.

Engel is het eenige woord der taal, dat niet verslijt. Geen ander woord zou het onmeedoogend gebruik kunnen wederstaan, dat de verliefden er van maken.

Toen, wijl er getuigen waren, zwegen zij en zeiden geen woord meer; zij bepaalden er zich toe, elkander zacht de hand te drukken.

De heer de Gillenormand wendde zich tot allen, die in de kamer waren en riep:

„Spreekt toch luid, gij allen! maakt gedruisch, kom aan, een weinig leven, opdat de kinderen op hun gemak met elkander kunnen spreken.”

En Marius en Cosette naderende, fluisterde hij hen toe:

„Praat maar, stoort u aan niets.”

Tante Gillenormand was verbaasd over de inbreking van licht in haar oude hart. Deze verbazing had niets vijandigs; ’t was in ’t minst niet die afgunstige blik van een uil met twee hoornen: ’t was het domme oog eener arme onnoozele van zeven en vijftig jaar; ’t was het mislukte leven, dat deze overwinning, de liefde, aanschouwde.

„Mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter,” zij haar vader; „ik heb u immers wel gezegd, dat ge dit zoudt beleven.”

Hij zweeg een oogenblik en hernam:

„Aanschouw het geluk van anderen.”

Toen wendde hij zich tot Cosette:

„Hoe mooi is zij! hoe mooi is zij! Als een portret van Greuze. Ge zult dit dus alleen bezitten, deugniet. O, schelm, ge zijt gelukkig, dat ik u geen afbreuk kan doen; zoo ik twintig jaren jonger ware, zouden wij met den degen om haar vechten. Hoor, ik ben op u verliefd, jongejuffer. ’t Is zeer eenvoudig en natuurlijk. Ha, ’t zal een kleine, lieve bruiloft geven! Saint-Denis is onze parochie, maar ik zal dispensatie vragen om u in Saint-Paul te doen trouwen. Die kerk is beter. De Jezuïeten hebben haar gebouwd. Zij is fraaier. Zij staat tegenover de fontein van den kardinaal de Birague. Het meesterstuk der jezuïetische bouworde is te Namen. ’t Heet Saint-Loup. Ge moet daarheen gaan, zoodra ge getrouwd zijt. ’t Is een reis waard. Ik ben volkomen van uw meening, mejuffer; de meisjes moeten trouwen; zij zijn er voor geschapen. Er is een zekere heilige Katharina, welke ik altijd ongekapt zou willen zien. Ongehuwd te blijven is schoon, maar koud. De Bijbel zegt: Vermenigvuldigt. Om het volk te redden moet er een Jeanne d’Arc zijn, maar om volk te hebben, is moeder Gigogne noodig. Trouwt dus, schoone dames. Ik weet waarlijk niet, waarom men ongehuwd zou blijven? Ik weet wel, dat men een afzonderlijke kapel in de kerk heeft, en men in de broederschap der H. Maagd wordt opgenomen, maar, voor den drommel, een mooien, goeden jongen tot man en na verloop van een jaar een dikken, blonden knaap, met mollige billen, aan de borst, dit is toch beter dan in de vesper een waskaars in de hand te houden en te zingen Turris Eburnea!”

De grootvader draaide op zijn negentigjarige hielen om, en rammelde voort, als een losgebroken springveer:

Ainsi, bornant le cours de tes rêvasseries,

Alcippe, il est donc vrai, dans peu tu te maries1.

„Apropos!”

„Wat blieft, vader?”

„Hadt ge niet een boezemvriend?”

„Ja, Courfeyrac.”

„Wat is er van hem geworden?”

„Hij is dood.”

„Dat is goed.”

Hij zette zich bij hen, deed Cosette plaats nemen, en nam hun vier handen in zijn gerimpelde handen.

„Zij is allerliefst, een meesterstuk, deze Cosette. Zij is een klein meisje en een zeer groote dame. Zij zal slechts barones zijn, dit is te weinig; zij is tot markiezin geboren. Welke fraaie wimpers heeft zij. Kinderen, drukt u goed op het hart, dat ge het ware hebt gekozen. Bemint elkander; verdwaast er u door. De liefde is de dwaasheid der menschen en de wijsheid van God. Aanbidt elkander. Maar,” voegde hij er eensklaps treurig bij, „welk een ongeluk! Nu denk ik er aan. Meer dan de helft van ’t geen ik bezit is lijfrente; zoolang ik leef, zal het wel gaan, maar, na mijn dood, na een twintigtal jaren, mijn arme kinderen, zult gij, helaas, niets hebben? Uw witte handjes, mevrouw de barones, zullen moeten werken.”

Thans hoorde men een ernstige kalme stem, die zeide:

„Mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent bezit zesmaal honderd duizend francs.”

’t Was de stem van Jean Valjean.

Hij had nog geen woord gezegd, niemand scheen er zelfs op te letten, dat hij er nog was; hij stond bewegingloos achter al deze gelukkige menschen.

„Wie is die bedoelde mejuffrouw Euphrasie?” vroeg de grootvader ontsteld.

„Dat ben ik,” antwoordde Cosette.

„Zesmaal honderd duizend francs!” hernam de heer Gillenormand.

„Misschien veertien of vijftien duizend francs minder,” zei Jean Valjean.

En hij legde op de tafel het pakje, dat tante Gillenormand voor een boek had aangezien.

Jean Valjean opende zelf het pakje. ’t Waren bankbiljetten. Men zag en telde ze. Er waren vijfhonderd briefjes van duizend en honderd acht en zestig van vijfhonderd francs. Te zamen vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs.

„Dit is een kostelijk boek,” zei de heer Gillenormand.

„Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs!” prevelde de tante.

„Dit brengt veel bezwaren in orde, niet waar mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter?” hernam de grootvader. „Die drommelsche Marius, hij heeft uit den boom der droomen een schatrijk nestje gehaald. Vertrouw nu nog de minnarijen der jongelieden. De studenten vinden meisjes met zesmaal honderd duizend francs. Cherubin is nog handiger dan Rothschild.”

„Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend franken,” herhaalde halfluid mejuffrouw Gillenormand. „Vijfmaal honderd vier en tachtig! Men kan even goed zeggen: zesmaal honderd duizend francs!”

Marius en Cosette zagen elkander intusschen aan. Zij letten nauwelijks op deze omstandigheid.


1’t Is dus waar, Alcippus, dat gij een einde aan uw droomerijen wilt maken, en binnenkort gaat trouwen.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *