Maandag, 20/04/2026 - 09:01

Toen het uur van zijn vertrek uit het bagno kwam en Jean Valjean deze vreemde woorden: „gij zijt vrij!” hoorde, was dit voor hem een ongelooflijk, ongehoord oogenblik, en een straal van levend licht, een straal van het ware licht der levenden drong plotseling in hem. Doch spoedig verbleekte deze straal. Jean Valjean was door het denkbeeld van vrijheid verblind. Hij had aan een nieuw leven geloofd. Spoedig werd hij gewaar, welke vrijheid het is, die men met een gelen pas geeft.

En behalve dat, een menigte teleurstellingen. Hij had berekend, dat, wat hij gedurende zijn verblijf in het bagno gespaard had, honderd-een-en-zeventig francs moest bedragen. ’t Is billijk hier op te merken, dat hij vergeten had de gedwongen rust der zon- en feestdagen in rekening te brengen, die gedurende negentien jaren een vermindering van ongeveer vier-en-twintig francs veroorzaakte. Hoe het zij, het bedrag was ten gevolge van verscheidene kortingen tot honderd negen francs vijftien sous verminderd, welke som hem bij zijn ontslag werd ter hand gesteld.

Hij begreep hier niets van en meende zich te kort gedaan, of, om ’t juist te zeggen, bestolen.

Den dag na zijn ontslag, zag hij te Grasse voor een destilleerderij van oranjebloesem lieden bezig met balen af te laden. Hij bood zijn dienst aan, die aangenomen werd, wijl er haast bij ’t werk was. Hij ging dan aan den arbeid. Hij was schrander, sterk en handig; hij deed zijn best. De meester scheen over hem tevreden. Terwijl hij aan ’t werk was, kwam een gendarm voorbij, zag hem en vroeg hem naar zijn papieren. Hij moest den gelen pas vertoonen. Na dit gedaan te hebben, hervatte Jean Valjean zijn arbeid. Even te voren had hij een der werklieden gevraagd, wat zij per dag met dit werk verdienden; ze hadden hem geantwoord: „dertig sous.” Wijl hij den volgenden dag verplicht was zijn reis voort te zetten, ging hij des avonds naar den meester der destilleerderij en verzocht hem zijn dagloon. De meester sprak geen woord en betaalde hem vijftien sous. Valjean maakte zijn beklag. Men antwoordde hem: „dit is genoeg voor u.” Hij drong op meer aan. Toen zag de meester hem schuw aan en duwde hem toe: „Wacht u voor de gevangenis!”[105]

Ook hier achtte hij zich bestolen.

De maatschappij, de staat, had hem, door zijn besparingen te verkorten, in ’t groot bestolen. Nu bestal de particulier hem op zijn beurt, in ’t klein.

Ontslag was geen bevrijding. Men kan het bagno wel verlaten, maar niet de veroordeeling.

Dat was hem te Grasse gebeurd. Men heeft gezien hoe hij te Digne werd ontvangen.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *