Boek II. De val 2222222222222222222
Hoofdstuk II. Voorzichtigheid ga met wijsheid gepaard
Op dien avond was de bisschop van Digne, na zijn gewone wandeling door de stad, tamelijk lang in zijn kamer gebleven. Hij hield zich met een groot werk over de „Plichten” bezig, dat helaas niet voltooid is. Met zorg verzamelde hij alles wat de kerkvaders en leeraars over dit gewichtige...
Hoofdstuk III. Heldenmoed en lijdelijke gehoorzaamheid
De deur werd, met drift, wijd geopend, als door iemand die evenzeer kracht als stoutmoedigheid bezit. Een man trad binnen. Wij kennen hem reeds. ’t Is de voetreiziger, dien wij straks een nachtverblijf hebben zien zoeken. Hij trad binnen, naderde een schrede, en bleef staan, de deur achter zich...
Hoofdstuk IV. Bijzonderheden aangaande de kaasmakerijen te Pontarlier
Om een denkbeeld te geven van ’t geen nu aan tafel plaats had, kunnen wij niets beter doen dan hier eenige zinsneden uit een brief van mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron over te schrijven, waarin het gesprek tusschen den galeiboef en den bisschop met naïeve uitvoerigheid verhaald...
Hoofdstuk V. Gerustheid
Na zijn zuster goeden nacht te hebben gezegd, nam Monseigneur Bienvenu een der zilveren kandelaars van de tafel, gaf den anderen aan zijn gast en zeide: „Ik zal u naar uw kamer brengen, mijn vriend!” De man volgde hem. Zooals men in het voorafgaande heeft kunnen opmerken, was de woning zoodanig...
Hoofdstuk VI. Jean Valjean
Tegen middernacht werd Jean Valjean wakker. Jean Valjean was van een arme boerenfamilie in la Brie. Als kind had hij niet leeren lezen. Toen hij den mannelijken leeftijd had bereikt, was hij boerenarbeider en boomsnoeier te Faverolles. Zijn moeder heette Jeanne Matthieu; zijn vader Jean Valjean of...
Hoofdstuk VII. Een blik in de wanhoop
Wij zullen er een verklaring van trachten te geven. De maatschappij is wel verplicht deze zaken te overwegen, daar ze door haar voortgebracht worden. Jean Valjean, zooals gezegd is, was onwetend, doch niet zwak van geest. Het natuurlijke licht flikkerde in hem. En het ongeluk, dat ook zijn...
Hoofdstuk VIII. Het water en de schaduw
Een man over boord! Om ’t even! het schip houdt niet op. De wind blaast, het donkere schip moet den voorgeschreven koers volgen. Het zeilt verder. De man verdwijnt, komt weder te voorschijn, zinkt en komt weder boven; hij roept, strekt de armen uit; men hoort hem niet. Het schip, dat onder den...
Hoofdstuk I. De avond van een dagreize
In een der eerste dagen van de maand October 1815, omstreeks een uur vóór zonsondergang, kwam een voetreiziger in de kleine stad D. aan. De weinige inwoners, die zich op dit oogenblik aan hun ramen of voor hun deuren bevonden, oogden dien man met een soort van ongerustheid na. Niet licht zou men...
Hoofdstuk X. De ontwaking
De klok der hoofdkerk sloeg twee uur in den morgen, toen Jean Valjean ontwaakte. Wat hem had wakker gemaakt, was ’t het te zachte bed? Hij had sinds bijna twintig jaren op geen bed geslapen, en, hoewel hij zich niet ontkleed had, was deze gewaarwording toch voor hem te nieuw en te ongewoon, om...
Hoofdstuk XI. Wat hij doet
Jean Valjean luisterde. Alles was stil. Hij stiet met den vinger tegen de deur, even zacht en behoedzaam als een kat, die binnen wil komen. De deur week voor de drukking en ging onmerkbaar en zonder gerucht iets verder open. Hij wachtte een oogenblik, en stiet nu stoutmoediger ten tweedenmale de...
Hoofdstuk XII. De bisschop werkt
Den volgenden dag wandelde Monseigneur bij zonsopgang in zijn tuin. Magloire kwam geheel ontsteld op hem toeloopen. „Monseigneur, Monseigneur,” riep zij, „weet uw Hoogwaarde waar het zilver-mandje is?”[111] „Ja,” zei de bisschop. „Goddank!” riep zij. „Ik wist niet waar het...
Hoofdstuk VIII. De kleine Gervais
Jean Valjean verliet als een vluchteling de stad. Hij liep haastig naar buiten, de eerste de beste wegen en paden inslaande, die zich aan hem vertoonde, zonder op te merken, dat deze hem telkens op zijn schreden terugvoerden. Zoo doolde hij een ganschen ochtend, zonder gegeten te hebben of honger...
Hoofdstuk IX. Andere grieven
Toen het uur van zijn vertrek uit het bagno kwam en Jean Valjean deze vreemde woorden: „gij zijt vrij!” hoorde, was dit voor hem een ongelooflijk, ongehoord oogenblik, en een straal van levend licht, een straal van het ware licht der levenden drong plotseling in hem. Doch spoedig verbleekte...















