Na zijn zuster goeden nacht te hebben gezegd, nam Monseigneur Bienvenu een der zilveren kandelaars van de tafel, gaf den anderen aan zijn gast en zeide:
„Ik zal u naar uw kamer brengen, mijn vriend!”
De man volgde hem.
Zooals men in het voorafgaande heeft kunnen opmerken, was de woning zoodanig ingericht dat men, om in de bidkamer waar de alkoof was te komen, de slaapkamer van den bisschop moest doorgaan.
Juist toen hij door die kamer ging, sloot Magloire het zilverwerk in het kastje naast het bed. Dit was het laatste, wat zij iederen avond verrichtte, vóór zij naar bed ging.
De bisschop geleidde zijn gast naar de alkoof, waar een helder, frisch bed was gespreid. De man zette den kandelaar op een tafeltje.
„Nu,” zei de bisschop, „ik wensch u een goeden nacht. Morgen vroeg, vóór gij heengaat, zult ge een kom warme melk van onze koeien te drinken hebben.”
„Ik dank u, mijnheer de pastoor,” zei de man.
Nauwelijks had hij deze vreedzame woorden gezegd, toen zich plotseling en zonder eenige aanleiding een zonderling gevoel van hem meester maakte, een gevoel, dat de twee vrome dochters, zoo zij er getuigen van waren geweest, met schrik zou vervuld hebben! Zelfs thans nog zou ’t ons moeielijk zijn, een verklaring te geven van ’t geen hem in dien oogenblik bewoog. Wilde hij waarschuwen of dreigen? Gehoorzaamde hij eenvoudig aan een soort van instinctmatige, hem zelven onverklaarbare aandrift? Hij keerde zich eensklaps naar den bisschop om,—kruiste de armen, en zijn gastheer met een wilden blik aanziende, riep hij hem met een ruwe stem toe:
„Zoo, ge wilt mij dus stellig huisvesten; en zoo dicht bij u?”
Hij hield eensklaps op, en hernam toen met een vreeselijken lach :
„Hebt ge u wel goed bedacht? Wie zegt u, dat ik geen moordenaar ben?”
De bisschop antwoordde:
„Dit is de zaak van den goeden God.
Toen, de lippen bewegende als iemand die bidt of bij zich zelven spreekt, hief hij ernstig de twee voorste vingers zijner rechterhand op en zegende den man, die niet boog; en zonder het hoofd te wenden, of achterom te zien, trad hij zijn kamer binnen. Wanneer iemand in de alkoof sliep, was het altaar achter een groot sergen gordijn, dat van den eenen kant der bidkamer tot den anderen reikte, verborgen. Voor dit gordijn gekomen knielde de bisschop en deed een kort gebed.
Een oogenblik later was hij in zijn tuin, daar wandelend, peinzend, aanschouwend, terwijl ziel en geest geheel vervuld waren met die grootsche en geheimzinnige dingen, welke God des nachts hun openbaart, wier oogen open blijven.
Wat den vreemde betreft, hij was werkelijk zoo vermoeid, dat hij niet eens van zijne schoone beddelakens gebruik maakte. Na met den neus, gelijk de tuchtelingen doen, de kaars te hebben uitgeblazen, liet hij zich geheel gekleed op het bed neervallen en geraakte spoedig in een diepen slaap.
Het was middernacht, toen de bisschop uit den tuin weder in zijn kamer trad. Weinige minuten later sliep alles in het kleine huis.
















