Een man over boord!
Om ’t even! het schip houdt niet op. De wind blaast, het donkere schip moet den voorgeschreven koers volgen. Het zeilt verder.
De man verdwijnt, komt weder te voorschijn, zinkt en komt weder boven; hij roept, strekt de armen uit; men hoort hem niet. Het schip, dat onder den storm beeft, let slechts op zich zelf; de matrozen en passagiers zien zelfs den zinkenden man niet meer; zijn arm hoofd is slechts een stip in ’t midden der onmetelijke golven. In de diepte slaakt hij wanhoopskreten. Welk een gedachte, dat verdwijnend schip! Hij oogt het in waanzinnige woede na. Het verwijdert zich, wordt onduidelijker en kleiner. Zooeven was hij er nog op, hij behoorde tot de bemanning, ging met de overigen heen en weder op het dek, hij had zijn deel van lucht en zon, hij was een levende. En nu, wat is gebeurd? Hij is gestruikeld, gevallen, en alles is gedaan.
Hij ligt in het afschuwelijke water. Onder zijn voeten zinkt alles weg. De door den wind gezweepte golven omgeven hem met haar verschrikking, de diepte trekt hem aan, het schuimend water spat hem om ’t hoofd, en spuwt hem in ’t aangezicht; de eene baar na de andere overstelpt hem; telkens zinkt hij en ziet onduidelijk stikdonkere afgronden onder zich; onbekende afgrijselijke zeeplanten vatten hem, omstrikken zijn voeten, trekken hem tot zich; hij voelt dat hij tot den afgrond behoort, dat hij een gedeelte van het schuim vormt, de golven werpen hem elkander toe; hij zwelgt het zilte water in, de laaghartige oceaan wil hem met geweld verdrinken, de onmetelijkheid speelt met zijn doodsangst. Het schijnt, dat al dit water niets dan haat is.
Evenwel worstelt hij.
Hij poogt zich te verdedigen, hij beproeft boven water te blijven, hij spant zich in en zwemt. Hij, wiens armzalige krachten zoo spoedig zijn uitgeput, wil met het onuitputtelijke worstelen.[103]
Maar waar is het schip? Ginds; nauwlijks zichtbaar in de vale duisternis van den horizont.
De wind giert; de schuimende golven vallen op hem. Hij heft de oogen op en ziet niets dan grijze wolken. In zijn doodsstrijd is hij de getuige van de ontzettende woede der zee. Hij wordt door waanzin gepijnigd. Hij hoort een voor den mensch vreemd geluid, dat van gene zijde der aarde schijnt te komen, men weet niet uit welk vreeselijk oord.
Er zijn vogels hoog boven de wolken, gelijk er engelen hoog boven den menschelijken nood zijn, maar waartoe dienen zij hem? Zij vliegen, zingen en zweven en hij – hij sterft. Hij voelt zich tegelijkertijd door deze twee oneindigheden, den oceaan en den hemel, omgeven; de eene is een graf, de andere is een doodskleed.
De nacht daalt, uren lang heeft hij gezwommen; zijn krachten zijn uitgeput; het schip, dat verwijderd voorwerp waarop menschen waren, is verdwenen; hij is alleen in den schrikkelijken donkeren afgrond, hij zinkt, verstijft, wringt zich, hij voelt onder zich de monsterachtige golven van het onzichtbare; hij roept.
Er zijn geen menschen meer. Waar is God?
Hij roept, roept immer … Niemand komt.
Niets aan den horizont. Niets aan den hemel.
Hij smeekt het uitspansel, de golven, het zeewier, de klippen; dat alles is doof. Hij smeekt den orkaan; de onverstoorbare orkaan gehoorzaamt alleen aan het oneindige.
Rondom hem duisternis, nevel, eenzaamheid, het woest stormachtig geloei, het eindeloos klotsen der verbolgen golven. In hem afgrijzen en afmatting. Onder hem verzinking. Geen steunpunt. Hij denkt aan ’t geen het lijk in de onbegrensde duisternis te wachten heeft. De koude verlamt hem. Zijn handen bewegen zich krampachtig; sluiten zich en vatten niets. Winden, wolken, vlagen, hoozen, sterren, alles is voor hem nutteloos! Wat moet hij doen? De wanhopige geeft zich over; de uitgeputte neemt den dood aan, hij laat zich los, en de vreeselijke diepte verzwelgt hem.
O onbarmhartige gang der menschelijke maatschappij. Hoe vele menschen en zielen gaan onderweg verloren! Oceaan, waarin alles valt, wat de wet laat vallen! Heillooze verzinking der hulp! O zedelijke dood!
De zee is de onverbiddelijke maatschappelijke duisternis, waarin de strafwet haar veroordeelden werpt. De zee is de onmetelijke ellende.
De ziel, die in dien afgrond wordt geworpen, kan een lijk worden. Wie zal haar opwekken?
















