Maandag, 20/04/2026 - 05:53

De klok der hoofdkerk sloeg twee uur in den morgen, toen Jean Valjean ontwaakte. Wat hem had wakker gemaakt, was ’t het te zachte bed? Hij had sinds bijna twintig jaren op geen bed geslapen, en, hoewel hij zich niet ontkleed had, was deze gewaarwording toch voor hem te nieuw en te ongewoon, om zijn slaap niet te storen.

Hij had langer dan vier uren geslapen. Zijn vermoeidheid was geweken. Hij was niet gewoon veel uren aan de rust te besteden.

Hij opende de oogen en sloeg een blik in de duisternis rondom zich, toen sloot hij ze weder om te slapen.

Wanneer de dag door vele en verschillende gewaarwordingen bewogen is geweest, en vele dingen den geest bezighouden, valt men wel in slaap, maar men slaapt later niet weer in. De slaap komt gemakkelijker dan hij terugkeert. Zoo ging ’t ook met Jean Valjean. Hij kon niet weder inslapen en begon te denken.

Hij was in een dier oogenblikken, dat alle denkbeelden in den geest verward zijn. In zijn hersenen woelde alles dooreen. Zijn vroegere en zijn jongste herinneringen vloeiden ineen of kruisten elkaar; zij verloren haar vormen, vergrootten zich onmatig en verdwenen dan eensklaps als in een troebel, bewogen water. Vele gedachten kwamen in hem op, maar ééne was er die gestadig terugkwam en al de overige verdrong. Deze gedachte was: – Hij had de zes zilveren vorken en lepels en den grooten soeplepel opgemerkt, die Magloire op de tafel had gelegd.

Dat zilverwerk kwelde hem. Zij lagen hier – op korten afstand – juist toen hij de belendende kamer was doorgegaan om naar de zijne te gaan, legde de oude dienstmaagd ze in een kastje aan ’t hoofdeinde van het bed. – Hij had het kastje goed opgemerkt, – rechts, als men uit de eetkamer komt. – Het was oud massief zilver. – Met den grooten soeplepel er bij zou men er ten minste tweehonderd francs voor krijgen. – Het dubbel van hetgeen hij in negentien jaar verdiend had. – ’t Is waar, dat hij meer zou hebben verdiend zoo de „administratie” niet hem „bestolen” had.

Een geheel uur dobberden zijn gedachten heen en weder, niet zonder eenigen strijd. Het sloeg drie uren. Hij opende weder de oogen, zette zich schielijk overeind, stak tastend den arm uit, naar zijn ransel, dien hij in een hoek der alkoof had gelegd, vervolgens liet hij zijn beenen uit het bed hangen, zette zijn voeten op den grond en zonder schier te weten hoe, vond hij zich op zijn bed zitten.

Hij bleef eenigen tijd peinzend in deze houding, welke iets onheilspellends moest hebben voor iemand, die hem alzoo in de duisternis, de eenige wakende in het slapend huis, had gezien. Eensklaps bukte hij zich en trok zijn schoenen uit en zette ze zacht op de mat voor het bed, toen nam hij weder zijn peinzende houding aan en zat weder bewegingloos.

In deze heillooze overdenkingen woelden de gedachten, welke wij hebben aangegeven, gestadig door zijn hersenen, kwamen er in, gingen er uit, keerden er in terug en brachten een soort van drukking bij hem teweeg; tegelijkertijd dacht hij, zonder te weten waarom, met de hardnekkigheid van een droom aan zekeren tuchteling Brevet geheeten, dien hij in het bagno had gekend, en wiens broek slechts aan één gebreiden katoenen draagband hing. Hij had den geruiten draagband gestadig voor den geest.

Zoo zat hij, en zou misschien tot het aanbreken van den dag zoo gezeten hebben, indien de klok niet éénmaal geslagen had, – een kwart of een half uur. Het was alsof deze slag hem zeide: kom aan!

Hij stond op, aarzelde nog een oogenblik en luisterde: alles was stil in het huis; toen ging hij rechtuit en met zachte schreden naar het raam, dat hij zien kon. De nacht was niet erg donker; ’t was volle maan, maar de wind dreef groote zware wolken om haar heen. Daardoor ontstond buiten een afwisseling van licht en schaduw, verduistering en verlichting, en in de kamer een soort van schemering. Die schemering, waarbij men genoegzaam zien kon om zich te richten, en die door de wolken telkens verbroken werd, geleek op het bleeke licht, dat door een kelderluik valt, waarlangs menschen heen en weer gaan. Aan het raam gekomen, onderzocht Valjean het nauwkeurig. Het was zonder tralies, kwam in den tuin uit en was slechts, volgens landelijk gebruik, met een wervel gesloten. Hij opende het, maar wijl een koude, scherpe lucht de kamer binnendrong, sloot hij het aanstonds weder. Met een oplettenden blik, die nog meer onderzoekt dan ziet, beschouwde hij den tuin. Deze was omgeven door een lagen witten muur, die gemakkelijk over te klimmen was. Aan gene zijde van den muur zag hij kruinen van boomen, op geregelden afstand van elkander, ’t geen scheen aan te duiden dat de muur den tuin van een laan, of van een met boomen beplanten weg scheidde.

Na dit onderzoek, maakte hij de beweging van iemand, die een vast besluit genomen heeft, ging terug naar de alkoof, nam zijn ransel, opende hem, en haalde er iets uit, dat hij op het bed legde. Toen stak hij zijn schoenen in zijn zak, gespte den ransel dicht, nam hem op den rug, zette zijn pet op, welker klep hij dicht in de oogen trok, zocht tastend zijn stok, en zette hem in een hoek bij het raam, waarna hij naar het bed terugkeerde en bedaard het voorwerp nam, dat hij er op gelegd had. ’t Geleek een korte ijzeren staaf, aan ’t eene eind als een spies uitloopende. ’t Ware moeielijk geweest in de duisternis te onderkennen, tot welk einde dit ijzer moest dienen; ’t kon een breekijzer, ’t kon een groote beitel zijn.

In het licht had men kunnen zien dat het eenvoudig de wigge eens mijnwerkers was. Destijds gebruikte men soms de tuchtelingen om steenblokken uit de hooge heuvelen, die Toulon omgeven, te halen, en ’t is dus niet vreemd, dat zij mijnwerkersgereedschappen in gebruik hadden. Zulk een werktuig was het nu, dat hij in de rechterhand nam, en met ingehouden adem en zachte schreden naderde hij de deur der aangrenzende kamer waar, gelijk wij weten, de bisschop sliep. De deur stond op een kier. De bisschop had ze niet gesloten.

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *