Maandag, 20/04/2026 - 14:32

Men heeft waarschijnlijk begrepen, zonder dat het noodig is het uitvoerig te verklaren, dat Jean Valjean, na de zaak Champmathieu, ten gevolge van zijne vlucht van eenige dagen, naar Parijs had kunnen gaan, en bijtijds de door hem, onder den naam van den heer Madeleine van M-sur-M., gewonnen som terug vorderen; en dat hij, vreezende weder gevat te worden, ’t geen werkelijk korten tijd later gebeurde, deze som in het bosch van Montfermeil, ter plaatse genaamd de laagte Blaru in den grond begraven had. Deze som van zesmaal honderd duizend francs, geheel in bankbriefjes, was klein van omvang en een doosje kon ze bevatten; maar ten einde de doos voor vochtigheid te behoeden, had hij ze in een eikenhouten kistje vol kastanjekrullen gedaan. In hetzelfde kistje had hij zijn anderen schat, de kandelaars van den bisschop, gelegd. Men herinnert zich, dat hij deze kandelaars bij zijn vlucht uit M-sur-M. had medegenomen. De man, dien Boulatruelle op dien zekeren avond zag, was Jean Valjean. Later, telkens wanneer Jean Valjean geld noodig had, ging hij het op de onbegroeide plek Blaru in het bosch halen. Vandaar de afwezigheid, waarvan wij gesproken hebben. Op een veilige plek in de struweelen, die hem alleen bekend was, had hij een spade verborgen. Toen hij zag, dat Marius herstelde en het oogenblik voelde naderen, dat dit geld van dienst kon zijn, was hij het gaan halen, en wederom werd hij door Boulatruelle in het bosch gezien, maar thans des ochtends en niet des avonds. Boulatruelle erfde de spade.

De wezenlijke som was vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend vijf honderd francs. Jean Valjean behield vijfhonderd francs voor zich. – „Later zullen wij zien,” dacht hij.

Het verschil tusschen deze som en de zesmaal honderd dertigduizend francs, van Laffitte teruggenomen, vertegenwoordigde de uitgave van tien jaren, van 1823 tot 1833. Zijn vijfjarig verblijf in het klooster had slechts vijf duizend francs gekost.

Jean Valjean plaatste de twee zilveren kandelaars op den schoorsteen, waar zij tot groote bewondering van vrouw Toussaint schitterden.

Overigens wist Jean Valjean, dat hij van Javert verlost was. Men had in zijn tegenwoordigheid verhaald, en hij had de zaak in den Moniteur, die het berichtte, bevestigd gezien, dat een politie inspecteur, Javert genaamd, onder een waschschuit tusschen de Pont-au-Change en de Pont-Neuf verdronken was gevonden, en dat een geschrift, ’t welk deze overigens onberispelijke en door zijn superieuren zeer geachte man had nagelaten, aan een vlaag van zinsverbijstering en zelfmoord deed denken. Inderdaad, dacht Jean Valjean, hij moest reeds van zinnen verbijsterd zijn, toen hij mij in zijn macht had en mij vrijliet.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *