Maandag, 20/04/2026 - 10:47

zonder in het klooster in de straat van den Temple, dat trouwens van een andere orde was, waren bruine gordijnen ]in plaats van zwarte blinden, en zelfs het spreekvertrek was een fraai bevloerd salon, met sierlijke neteldoeksche gordijnen voor de ramen, en allerlei schilderijen aan de wanden: het portret eener benedictijner non met ongesluierd gezicht, geschilderde bloemen, ja, zelfs het hoofd van een Turk.

In den tuin van het klooster der Tempelstraat stond een Indische kastanjeboom, die voor den schoonsten en grootsten van Frankrijk werd gehouden en bij het goede volk in de achttiende eeuw den naam had de vader van alle kastanjeboomen in het koninkrijk te zijn.

Zooals gezegd is, werd dit klooster in den Tempel door de benedictijner nonnen der Eeuwigdurende aanbidding bewoond, geheel andere benedictijner nonnen dan die tot den regel van Citeaux behoorden. Deze orde der Eeuwigdurende aanbidding is niet ouder dan tweehonderd jaren. In 1649 werd het H. Sacrament tweemalen in weinige dagen tijds, in twee kerken te Parijs, in St. Sulpice en in St. Jean en Grève, ontheiligd; ’t was zulk een vreeselijke en zeldzame heiligschennis, dat ze de geheele stad in opschudding bracht. De prior-groot-vicaris van Saint-Germain-des-Prés beval een plechtige processie zijner geestelijkheid, waarbij de pauselijke nuncius officiëerde. Maar deze verzoening was niet voldoende voor twee achtbare dames, mevrouw Courtin, markiezin van Boucs, en de gravin de Chateauvieux. Deze beleediging, het allerheiligste Sacrament des altaars gedaan, hoewel slechts voorbijgaand, konden haar heilige zielen niet vergeten en zij meenden dat ze niet hersteld kon worden dan door een „Eeuwigdurende aanbidding” in een vrouwenklooster. Beiden, de eene in 1652, de andere in 1653, deden aan moeder Katharina de Bar, genaamd van het H. Sacrament, een benedictijner non, aanzienlijke schenkingen, om met dat vrome doel een klooster van den H. Benedictus te stichten. Katharina de Bar verkreeg daartoe het eerst verlof van Monseigneur de Metz, Abt van Saint-Germain, op voorwaarde „dat geen jongedochter mocht worden aangenomen zoo zij niet een jaarlijksch kostgeld van driehonderd livres, alzoo elf duizend livres kapitaal medebracht.” Na den abt van Saint-Germain verleende de koning zijn goedkeuring, en het charter van den abt en de koninklijke brieven werden in 1654 door de rekenkamer en het parlement bekrachtigd.

Dit is de oorsprong der benedictijner nonnen van de Eeuwige aanbidding des allerheiligsten Sacraments te Parijs. Haar eerste klooster werd „geheel nieuw gebouwd” in de straat Cassette voor de gelden der dames de Boucs en de Chateauvieux.

Deze orde was geheel verschillend van die der benedictijner nonnen van Citeaux. Zij stonden onder de abdij van Saint-Germain-des-Prés, gelijk de dames van het Heilig Hart onder den generaal der Jezuieten en de zusteren van Barmhartigheid onder den generaal der Lazaristen staan. Zij was ook geheel verschillend van het klooster der bernardijner nonnen van klein Picpus, dat wij beschreven hebben. In 1657 had Paus Alexander VII bij bijzondere brève aan de bernardijner nonnen van klein Picpus vergund de eeuwigdurende aanbidding evenals de benedictijner nonnen van het H. Sacrament te verrichten. Desniettemin bleven de twee orden geheel gescheiden.

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *