In de zes jaren tusschen 1819 en 1825 was de priorin van Klein Picpus jonkvrouwe de Blemeur, in religie genaamd moeder Innocentia. Zij behoorde tot de familie van Marguerite de Blemeur, schrijfster van „Het leven der heiligen van de orde van den H. Benedictus.” Zij was herkozen geworden. Zij was een zestigjarige, korte, dikke vrouw, die „als een gebersten pot zong,” zegt de brief, welken wij reeds hebben aangehaald; overigens was zij een uitmuntende vrouw, de eenige vroolijke in het klooster en daarom bemind.
Moeder Innocentia had veel van haar voorouderlijke verwante Marguerite, de Dacier, van de orde, en was geletterd, geleerd, bedreven in de geschiedenis, zij verstond Latijn, Grieksch, en zelfs Hebreeuwsch, en was veeleer een benedictijn dan een benedictijnerin.
De onder-priorin, moeder Cineres, was een oude Spaansche, half blinde non.
De voornaamste kapittelmoeders waren moeder St. Honorine, schatbewaarster, moeder St. Gertruda, eerste novice-meesteres, en moeder St. Ange, tweede meesteres; moeder Annonciatie, sacristijnes, moeder St. Augustinus, ziekenmoeder, de eenige ondeugende van het klooster; vervolgens moeder St. Mechtilde (Mlle Gauvain), nog jong, met een bewonderenswaardige stem; moeder der Engelen (Mlle Drouet), die in het klooster der Filles-Dieu en in het klooster du Trésor tusschen Gisors en Magny was geweest; moeder St. Jozef (Mlle de Colgolludo), moeder St. Adelaida (Mlle d’Averney), moeder Misericordia, (Mlle de Cifuentes, die onder de verstervingen bezweek), moeder Compassion (Mlle de la Miltierè, die, tegen den regel, op zestigjarigen ouderdom werd aangenomen, maar zeer rijk was); moeder Providentia (Mlle de Laudinière), moeder Presentatie (Mlle de Siguenza), die in 1847 priorin werd; eindelijk moeder St. Celigna (zuster van den beeldhouwer Ceracchi), en moeder St. Chantal (Mlle de Suzon); welke beide krankzinnig werden.
Tot de fraaiste behoorde een bekoorlijke drie-en-twintigjarige vrouw, van het eiland Bourbon, eene afstammelinge van den ridder Roze. Zij heette in de wereld mejonkvrouw Roze en in het klooster moeder Assomption.
Moeder St. Mechtilde, die het opzicht over den zang en het koor had, gebruikte daarvoor gaarne pensionnairen. Zij nam gewoonlijk de geheele toonladder, namelijk zeven meisjes, van tien jaar tot zestien jaar oud, verschillende van stem en grootte, welke zij naar haar ouderdom van de kleinste tot de grootste, naast elkander staande deed zingen. Dit had wel iets van een rietfluit, een soort van levende Pansfluit uit engelen samengesteld. Van de leekezusters beminden de pensionnairen het meest zuster Euphrasie, zuster St. Margeretha, zuster St. Martha, die kindsch was, en zuster St. Michel, om wier langen neus zij lachten.
Al deze zusters waren zeer goed voor al de kinderen, en slechts streng voor zich zelven. Alleen in het pensionaat werd vuur gestookt; en het voedsel was er, bij dat van het klooster vergeleken, keurig. Daarbij betoonde men de pensionnairen duizenden voorkomendheden. Zoo echter een kind een non voorbijging en haar toesprak, antwoordde zij niet.
Deze regel der stilzwijgendheid was de oorzaak dat in het klooster de spraak aan menschelijke wezens ontzegd en aan onbezielde voorwerpen verleend werd. Nu sprak de klok der kerk, dan het schelletje van den tuinier. Een zeer helder klinkend bekken, dat naast de portierster stond en in het geheele huis gehoord werd, duidde door verschillende slagen, een soort van klank-telegraaf, de handelingen van het stoffelijke leven aan, die moesten verricht worden en riep, des vereischt, deze of gene bewoonster van het huis in het spreekvertrek. Voor ieder persoon en voor iedere zaak was een bijzonder getal. Voor de priorin was ’t één en één; voor de onder-priorin één en twee. Zes en vijf verkondigde den aanvang der school. Vier en vier was voor mevrouw de Genlis, voor wie men den klank van het bekken, dikwijls hoorde. Negentien slagen verkondigden een gewichtige gebeurtenis, de opening der poort, een ijzeren gevaarte met een aantal grendels, die niet dan voor den aartsbisschop op haar hengsels draaide. Uitgezonderd hij en de tuinier, zooals gezegd is, kwam geen man het klooster binnen. Slechts de pensionnairen zagen er nog twee, de een was de aalmoezenier, de abt Banès, een oud leelijk man, dien zij in het koor door een traliehek mochten zien; de andere was de teekenmeester, Ansiaux, die in den brief, waarvan men reeds eenige regels heeft gelezen, Anciot genoemd en als een „afschuwelijken ouden bochel” afgeschilderd wordt.
Men ziet, dat al deze mannen uitgezocht waren.
Zoodanig was dit merkwaardig huis.
















