Maandag, 20/04/2026 - 09:00

Desniettemin hebben deze meisjes in dit ernstige huis bekoorlijke herinneringen achtergelaten.

Er waren oogenblikken dat de kindsheid in dit klooster schitterde. De klok voor den speeltijd luidde. Een deur draaide op haar hengsels. De vogels dachten: Ha, ziedaar de kinderen! Een stortvloed van jeugd overstroomde als ’t ware dezen tuin, die, als een lijkkleed, kruisvormig was. Vroolijke gezichten, heldere voorhoofden, schitterende oogen, allerlei schakeeringen van het morgenrood verspreidden zich in deze donkerheid. Na het gezang, na het klokgelui, na het geklep, na de doodsklok, na de heilige diensten, verhief zich plotseling dat liefelijk gegons van jonge meisjes, alsof een bijenkorf geopend werd. ’t Was de bijenkorf der vreugd, die werd geopend, en ieder bracht zijn honig. Zij speelden, riepen elkander, vormden groepen, stoeiden; kleine witte tandjes babbelden in een hoek; in de verte verborgen de sluiers de vroolijkheid, evenals de schaduw het licht verbergt; maar om ’t even! Men was verheugd en lachte. Deze vier doodsche muren hadden een oogenblik van glans. Zij waren getuigen van al die vreugde: ’t was als een regen van rozen op een doodschen akker. De meisjes dartelden onder de oogen der nonnen. De blik der zondeloosheid hindert de onschuld niet. Door deze kinderen ontstond een vroolijk uur te midden van zooveel ernstige uren. De kleinen huppelden, de grooten dansten. In dat klooster was iets hemelsch in het spel. Niets kon bekoorlijker en verhevener zijn dan deze frissche, bloeiende zielen. Homerus en Perrault zouden er zich vermaakt hebben, en in dien somberen tuin waren genoeg jeugd, gezondheid, leven, dartelheid, vermaak, geluk om de rimpels weg te strijken van alle grootmoeders, die van het heldendicht zoowel als van het sprookje, van den troon als van de stulp, van Hecuba tot moeder de Gans.

Misschien zijn in dat huis, meer dan elders, van die liefelijke, kinderlijke woorden gesproken, welke een peinzenden glimlach uitlokken. ’t Is tusschen deze vier treurige muren dat een vijfjarig kind eens riep: „Moeder! een groote heeft mij gezegd, dat ik niet langer dan negen jaar en tien maanden hier mag blijven. Hoe gelukkig!”

Ook het volgend merkwaardig gesprek werd hier gevoerd:

Een kapittel-moeder. „Waarom weent ge, mijn kind?”

Het kind. (zes jaar oud) snikkend. „Ik heb aan Alix gezegd, dat ik mijn geschiedenis van Frankrijk kende. Zij zegt dat ik ze niet ken en ik ken ze”

Alix, de groote (negen jaar oud). „Neen, zij kent ze niet.”

De moeder: „Waarom niet, mijn kind?”

Alix. „Zij verzocht mij het boek, onverschillig waar, open te slaan, haar uit het boek te overhooren, en dan zou zij antwoorden.”

„Nu?”

„Zij heeft niet geantwoord.”

„Spreek, wat hebt ge gevraagd?”

„Ik sloeg het boek open, zooals zij verzocht had, en vroeg haar de eerste vraag, die ik vond.”

„Hoe was deze vraag?”

„’t Was: Wat gebeurde er vervolgens?

’t Was insgelijks hier, dat deze opmerking werd gemaakt op den eenigszins vratigen papegaai van een der pensionnairen:

Hoe aardig! hij eet het bovenste van de boterham evenals een mensch.

Op een der vloersteenen van dat klooster werd deze biecht opgeraapt, die door een zevenjarige zondares vooraf was geschreven om ze niet te vergeten:

„Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van gierigheid.

„Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van echtbreuk.

„Eerwaarde vader, ik beschuldig mij, mijn blik naar de heeren te hebben geslagen.”

Op een der zodenbanken in dien tuin werd door een zesjarig rozig mondje verteld, en aangehoord door vier- en vijfjarige blauwe oogen:

„Er waren drie haantjes die een land hadden, waarin vele bloemen stonden. Zij plukten de bloemen en staken ze in hun zak. Daarna plukten zij de bladen en deden ze bij haar speelgoed. Er was een wolf in het land, en er waren veel bosschen, en de wolf was in het bosch, en hij at de jonge haantjes op.”

Dan nog dit gedicht:

„Er kwam een stokslag,

Polichinel sloeg de kat.

’t Deed haar geen goed, maar ’t deed haar pijn.

Toen zette een dame Polichinel in de gevangenis.”

’t Was hier, dat deze teedere, hartbrekende woorden werden gezegd door een verlaten kind, een vondeling, dat het klooster uit barmhartigheid opvoedde. Zij hoorde de andere kinderen van haar moeders spreken en mompelde in haar hoekje:

Toen ik geboren werd, was mijne moeder er niet.

Men zag de dikke portierster altijd haastig met haar bos sleutels door de gangen loopen; zij heette zuster Agathe. De „zeer groote meisjes”—boven de tien jaren—noemden haar Agathoclès1.

Het refectorium (eetzaal), een groote, langwerpig vierkante zaal, die haar licht slechts door beschoten vensters uit den tuin ontving, was donker en vochtig, en, zooals de kinderen zeiden „vol dieren.” Al wat in haar omtrek was, leverde zijn contingent insecten. Ieder der vier hoeken had naar deze insecten, in de taal der pensionnaires, een bijzonderen, eigenaardigen naam ontvangen. Men had er den spinnenhoek, den rupsenhoek, den duizendbeenhoek en den krekelhoek. De krekelhoek was in de nabijheid der keuken en zeer geacht. Het was er minder koud dan elders. Uit het refectorium waren deze namen in het pensionaat gekomen en dienden er, evenals in het oude collegie-Mazarin, ter onderscheiding van vier natiën. Iedere pensionnaire behoorde tot een dezer vier natiën, al naar den hoek der eetzaal, waar zij gedurende den maaltijd zat. Zekeren dag zag de aartsbisschop, die zijn herderlijk bezoek deed, in de school, welke hij doorging, een lief blozend meisje, met heerlijk blond haar. Hij vroeg aan een andere pensionnaire, een bekoorlijke brunette met frissche wangen, die bij hem stond:

„Wie is deze?”

„Een spinnekop, Monseigneur!”

„Zoo! en gene?”

„Een krekel.”

„En zij?”

„Een rups.”

„Zoo waarlijk; en wat zijt gij?”

„Ik ben een duizendbeen, Monseigneur.”

Ieder huis van dezen aard heeft zijn eigenaardigheden. In het begin dezer eeuw was Ecouen een dier liefelijke en strenge plaatsen, waar, in een schier verheven schaduw, jonge meisjes opgroeiden.

Te Ecouen maakte men bij de processie van het H. Sacrament onderscheid tusschen de maagden en de bloemenmeisjes. Er waren ook „troonhemelen” en „wierookvaten,” namelijk zij, die de koorden van den troonhemel droegen, en zij die het H. Sacrament bewierookten. De bloemen behoorden van rechtswege aan de bloemenmeisjes. Vier „maagden” gingen vooraan. ’t Was niet zeldzaam, dat men op den ochtend van dien belangrijken dag in de slaapzaal kon hooren vragen:

„Wie van u is maagd?”

Mevrouw Campan verhaalt van een „kleine,” een zevenjarig meisje, dat tot een „groote” van zestien jaren, die aan ’t hoofd der processie ging, terwijl de kleine achteraan moest blijven, zeide: „Gij zijt een maagd, en dat ben ik niet.”


1Agathe-aux-clefs—(Agatha met de sleutels).

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *