Boven de deur van het refectorium stond met groote zwarte letters dit gebed, ’t welk men het „witte Vader ons” noemde en dat de kracht had de menschen regelrecht naar den hemel te voeren.
„Klein, wit paternostertje, dat God maakte, dat God sprak, dat God in den hemel bracht.
„Toen ik ’s avonds naar bed ging, vond ik drie engelen bij mijn bed liggen, één aan het voeteneinde, twee aan ’t hoofdeinde, de maagd Maria in het midden, die tot mij zeide, dat ik te bed moest gaan en niets vreezen. De goede God is mijn vader, de goede maagd is mijn moeder, de drie apostelen zijn mijn broeders, de drie maagden zijn mijn zusters. In het hemd, waarin God werd geboren is mijn lijf gewikkeld; het kruis St. Margaretha is op mijn borst geschreven; de H. Maagd ging over het veld, God beweenende, en ontmoette den H. Johannes.—H. Johannes, van waar komt gij? Ik kom van de Ave Salus.—Hebt ge er den goeden God niet gezien?—Hij is aan den kruisboom, met hangende beenen, met vastgespijkerde handen, een klein wit doornhoedje op het hoofd. Wie dit driemaal des avonds, en driemaal des morgens bidt, zal eindelijk den hemel verwerven.”
In 1827 verdween dit karakteristiek gebed onder een driedubbele laag kalk. Het begint zich uit het geheugen te verliezen van eenige jongedochters uit dien tijd, die thans oude vrouwen zijn.
Een groot kruisbeeld aan den muur voltooide de decoratie van deze eetzaal, wier eenige deur in den tuin voerde. Twee smalle tafels, ieder met twee banken daarnaast, vormden twee lange evenwijdige lijnen van het eene naar het andere einde der zaal. De muren waren wit, de tafels waren zwart; alleen deze twee rouwkleuren wisselden elkander in de kloosters af. De maaltijden waren naargeestig en het voedsel der kinderen zeer sober. Een enkele schotel, vleesch en groente ondereen, of gezouten visch, was de geheele weelde. Deze geringe kost, alleen voor de pensionnairen bestemd, was intusschen een uitzondering. De kinderen aten in stilte onder het opzicht der moeder van de week, die nu en dan, wanneer tegen alle regels een vlieg zich verstoutte te vliegen of te gonzen, een houten boek hard opende en dicht sloeg. Deze stilte werd door het leven der heiligen gekruid, dat luid, in een kleinen preekstoel met lezenaar, aan den voet van het kruisbeeld, werd voorgelezen. De voorlezeres was een groote pensionnaire, die de week had. Op zekere afstanden stonden op de ongedekte tafel schotels, waarin de kweekelingen zelve haar bord, vork en lepel afwaschten, en soms ’t geen zij niet lusten, taai vleesch of bedorven visch, wierpen. Dit werd gestraft.
Zij, die de stilte stoorde, moest een „kruis met de tong” maken. Waar? Op den grond, dien zij kruiswijze lekte. Het stof, dit einde aller vreugd, was bestemd deze kleine rozenblaadjes, die zich aan fluisteren schuldig hadden gemaakt, te kastijden.
In het klooster was een boek, waarvan slechts „één exemplaar” is gedrukt, en dat verboden is te lezen. ’t Is de regel van den H. Benedictus. Een geheim, dat geen profaan oog zien mag.
Eens gelukte het den pensionnairen, dit boek weg te nemen, en zij begonnen het gretig te lezen; doch daar zij onophoudelijk in angst waren verrast te zullen worden, borgen zij ’t haastig weer weg. Zij hadden weinig genot van het groot gevaar, waaraan zij zich hadden blootgesteld. Eenige onverstaanbare bladzijden over de zonden der jongens was het belangrijkste, dat zij er in vonden.
Zij speelden in een laan van den tuin, waar eenige schrale vruchtboomen stonden. Trots het scherpste opzicht en de strengheid der straffen, gelukte het haar soms, wanneer de wind de boomen geschud had, ter sluiks een onrijpen appel, een rotte abrikoos of een wormstekige peer op te rapen. Ik zal hier een brief laten spreken, die voor mij ligt, en vijfentwintig jaren geleden geschreven is door een toenmalige pensionnaire, thans hertogin van…., een der elegantste vrouwen van Parijs. Ik geef hier haar eigen woorden weder:
„Men verbergt zoo goed mogelijk zijn peer of zijn appel. Gaat men naar boven om, in afwachting van het avondeten, den sluier op het bed te leggen, dan steekt men het ooft onder ’t oorkussen en des avonds eet men ’t in bed, en zoo dat niet gaat op een andere geheime plaats.”
Dit was een harer grootste geneugten.
Eenmaal, ’t was wederom bij gelegenheid van een bezoek des aartsbisschops in het klooster, deed een der pensionnaires, de jongejuffrouw Bouchard, verwant aan de Montmorencys, de weddingschap dat zij den aartsbisschop een dag vacantie zou vragen, iets ongehoords in een zoo streng huis. De weddingschap werd aangenomen, maar niemand geloofde er aan. Op ’t oogenblik dat de aartsbisschop voorbij de pensionnaires ging, trad de jongejuffrouw Bouchard, tot onbeschrijfelijken schrik harer gezellinnen, uit de rij en zeide: „Monseigneur, een dag vacantie als ’t u belieft.” De jonkvrouw Bouchard was groot en frisch, met het bekoorlijkst gezichtje, dat men zien kon. Monseigneur de Quélen glimlachte en zeide: „Wat, mijn lief kind, één dag vacantie! Drie dagen, wat mij betreft! Ik verleen u drie dagen!” De priorin kon er niets tegen doen, de aartsbisschop had gesproken. Een ergernis voor het klooster, maar vreugde voor het pensionaat. Men kan zich de uitwerking voorstellen!
Dit strenge klooster was evenwel niet zoo streng ommuurd, dat het leven der wereldsche hartstochten, dat het drama, dat zelfs de roman er niet binnendrongen. Om dit te bewijzen ]willen wij hier beknopt een waar, onbetwistbaar feit vermelden, dat overigens in geen verband staat met de geschiedenis, welke wij verhalen. Wij vermelden het slechts, opdat de lezer een juister denkbeeld van het klooster zal hebben.
Omtrent dezen tijd bevond zich in het klooster een geheimzinnige persoon, echter geen non, die men met diepen eerbied behandelde en „madame Albertine” noemde. Men wist nopens haar niets anders dan dat zij krankzinnig was en in de wereld voor dood werd gehouden. Men zeide, dat onder deze geschiedenis geldelijke beschikkingen waren verborgen, die voor een zeer aanzienlijk huwelijk noodig waren geweest.
Deze nauwelijks dertigjarige, zeer schoone, brunette, zag flauw uit haar groote zwarte oogen. ’t Was de vraag, of zij werkelijk zag! Men twijfelde er aan. Zij sloop meer dan zij ging; nooit sprak zij; men was niet eens zeker of zij ademde. Haar neus was eenigszins opgetrokken en bleek, als na een laatsten snik. Wanneer men haar hand raakte, voelde men iets als sneeuw. Waar zij kwam werd men koud. Een zuster zeide eens, toen zij haar zag voorbijgaan, tot een andere: „Men houdt haar voor dood.”—„Zij is ’t misschien,” antwoordde de andere.
Allerlei geschiedenissen werden wegens mevrouw Albertine verhaald. Zij was het voorwerp der voortdurende nieuwsgierigheid der pensionnaires. In de kapel was een tribune, die men het œil de bœuf noemde. ’t Was in deze tribune, met een rond raampje, een œil de bœuf, dat mevrouw Albertine de heilige diensten bijwoonde. Gewoonlijk was zij er alleen, wijl men in deze tribune, op de eerste verdieping, den prediker, of misdoenden priester kon zien; ’t geen aan de nonnen verboden was. Op zekeren dag predikte een jong priester van hoogen rang, de hertog van Rohan, pair van Frankrijk, officier der roode musketiers in 1815, toen hij prins van Léon was, later in 1830 als kardinaal en aartsbisschop van Besançon overleden. ’t Was den eersten keer, dat de heer de Rohan in het klooster van Klein Picpus predikte. Mevrouw Albertine was gewoonlijk gedurende de predikatie en de mis volkomen rustig en bewegingloos. Dien dag richtte zij zich ten halve op, zoodra zij den heer de Rohan zag, en zeide te midden der stilte, die in de kapel heerschte: „Ziedaar August!” De geheele kloostergemeente keerde ontsteld het hoofd om, de prediker sloeg de oogen op, maar mevrouw Albertine was weder in haar bewegingloosheid verzonken. Een ademtocht uit de buitenwereld, een levensstraal was even over dit uitgedoofde gezicht gegaan, toen was alles verdwenen en de zinnelooze weder een lijk geworden.
Deze twee woorden brachten intusschen in het klooster al de tongen in beweging. Welke dingen, hoeveel onthullingen lagen er niet in dat „ziedaar August!” De heer de Rohan heette werkelijk August. ’t Was stellig, dat mevrouw Albertine uit de groote wereld kwam, wijl zij den heer de Rohan kende, dat zij er zelfs een hoogen rang in bekleed had, wijl zij van zulk een groot heer zoo gemeenzaam sprak, en dat zij in eenige betrekking tot hem stond, misschien met hem verwant en wel zeer nauw verwant was, daar zij zijn voornaam noemde.
Twee zeer strenge hertoginnen, mevrouwen de Choiseul en de Sérent, bezochten dikwerf het klooster, waar zij gewis als Magnates mulieres toegang hadden, en baarden het pensionaat veel schrik. Wanneer de twee oude dames voorbijgingen, beefden al de meisjes en sloegen de oogen neder.
Mijnheer de Rohan was overigens, zonder het te weten, het voorwerp der opmerkzaamheid van de pensionnaires. Hij was op dat tijdstip, in afwachting der bisschoppelijke waardigheid, tot groot-vicaris van den aartsbisschop van Parijs benoemd. Hij placht dikwijls in de kapel der nonnen van Klein Picpus het lof en de vespers te komen zingen. Hoewel geen der jonge pensionnaires hem zien konde, uithoofde der wollen gordijn, onderscheidden en herkenden zij hem toch eindelijk aan zijn zachte, eenigszins zwakke stem.
Hij was musketier geweest, en men zeide dat hij zeer coquet was; dat hij fraai kastanjebruin haar had, en dit in sierlijke lokken om het hoofd droeg; dat zijn breede, moiré gordel en zijn priesterrok hem zeer fraai stonden. Hij vervulde geheel de verbeelding dezer zestienjarige meisjes.
Geen gerucht van buiten drong het klooster binnen. In zeker jaar evenwel hoorde men er een fluit. Dit was een gewichtige gebeurtenis, welke de pensionnaires van dien tijd zich zeker nog herinneren.
Iemand in de buurt speelde op de fluit en wel altijd dezelfde melodie, die thans reeds zeer verouderd is: „Mijn Zetulbé, kom, beheersch mijn hart,” en men hoorde het twee of drie malen daags. De meisjes luisterden uren lang; de kapittelmoeders waren in verlegenheid, de hersenen in gisting, en het regende straffen. Dit duurde verscheidene maanden. De pensionnaires waren allen min of meer op den onbekenden muzikant verliefd. De tonen der fluit kwamen van de zijde der straat Droit-Mur. De meisjes zouden er alles voor gegeven, alles gewaagd, alles beproefd hebben om slechts een seconde den „jongeling” te zien en op te nemen, die zoo heerlijk op de fluit speelde en, zonder het te weten, aller harten bewoog. Enkelen slopen uit een deur en klommen naar de derde verdieping ]om zoo mogelijk door de gesloten vensters in de straat Droit-Mur te kunnen zien. Onmogelijk. Eén stak zelfs haar arm boven haar hoofd door de traliën en wuifde met haar zakdoek. Twee waren nog stoutmoediger. Zij vonden middel op een dak te klauteren en zagen eindelijk den „jongeling!” ’t Was een arme, blinde, oude emigrant, die op zijn zolderkamertje op de fluit speelde om de verveling te dooden.
















