Maandag, 20/04/2026 - 09:02

Dit klooster, dat in 1724 reeds vele jaren in de kleine Picpus-straat bestond, was een Bernardijner nonnenklooster van den regel van Martinus Verga.

Deze nonnen behoorden niet aan Clairveaux, gelijk de Bernardijner monniken, maar aan Citeaux, gelijk de Benedictijners. Met andere woorden, de nonnen van dit klooster stonden niet onder den regel van den H. Bernardus, maar onder dien van den H. Benedictus.

Wie min of meer oude folianten heeft doorgesnuffeld, weet dat Martinus Verga in 1425 een congregatie van Bernardijner-Benedictijner nonnen stichtte, wier hoofdklooster te Salamanca en wier bijklooster te Alcala was.

Deze congregatie had zich in alle Katholieke landen van Europa vertakt.

De enting van de eene orde op een andere heeft iets ongewoons in de Latijnsche kerk. Om alleen van de orde van den H. Benedictus te spreken, aan deze orde sluiten zich, zonder daarbij den regel van Martinus Verga te rekenen, vier congregratiën aan: twee in Italië, de monte Cassino en de H. Justina van Padua, twee in Frankrijk, Cluny en Saint-Maur; en negen orden, Valombrosa, Grammont, de Celestijnen, de Camaldulen, de Karthuizers, de Deemoedigen, de Olivatinen, de Silvesteranen, en eindelijk Citeaux (de Cistercensers); want Citeaux zelf, een stam van andere orden, is slechts een spruit van den H. Bernardus. Citeaux dagteekent van den H. Robertus, in 1098 abt van Molesme in de diocees van Langres. ’t Was in 529 dat de duivel, die naar de wildernis van Subiaco was geweken (hij was oud. Was hij hermiet geworden?) door den zeventien-jarigen Benedictus uit den ouden tempel van Apollo werd gejaagd.

Na den regel der Karmelieten, nonnen die barvoets gaan, een teenen vlechtwerk op de borst dragen en nooit zitten, is de regel der bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga de strengste. Zij zijn in ’t zwart gekleed met een borstdoek die, volgens den uitdrukkelijker wil van den H. Benedictus, tot de kin moet reiken. Een sergiekleed met wijde mouwen, een groote wollen sluier, de tot de kin reikende borstdoek, de hoofdband, die op de oogen valt, ziedaar haar gewaad. Alles is zwart behalve de hoofdband, die wit is. De novicen dragen dezelfde kleeding, maar geheel wit. Die haar gelofte hebben afgelegd dragen bovendien een rozenkrans aan de zijde.

De bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga hebben „de eeuwige aanbidding,” evenals de benedictijner nonnen, die de vrouwen van het H. Sacrament worden genoemd, en in ’t begin dezer eeuw te Parijs twee huizen hadden, een bij den tempel, een ander in de straat Neuve Saint-Geneviève. De orde der bernardijner-benedictijner nonnen, waarvan wij spreken, was overigens geheel verschillend van die der vrouwen van het H. Sacrament. Niet alleen in den regel, maar ook in het gewaad was velerlei onderscheid. De bernardijner-benedictijner nonnen van klein Picpus droegen den zwarten borstdoek, en die der benedictijner nonnen van het H. Sacrament in de straat Neuve Saint-Geneviève was wit; deze hadden bovendien op de borst een H. Sacrament (monstrans) van verguld zilver of koper, omstreeks drie duim groot. De nonnen van klein Picpus droegen dat H. Sacrament niet. Hoewel de Eeuwige aanbidding aan het huis van klein Picpus en het huis van den tempel gemeen was, waren beide orden toch geheel verschillend. Ten aanzien dezer oefening bestaat slechts eenige gelijkheid tusschen de vrouwen van het H. Sacrament en de bernardijner van Martin Verga, evenzeer als er gelijkenis bestond in de bespiegeling en verheerlijking van al de geheimnissen betreffende de kindsheid, het leven en sterven van Jezus Christus, en de H. Maagd, tusschen twee zeer verschillende en soms vijandige orden: de Italiaansche Oratorianen, door Philippus van Neri te Florence, en de Fransche Oratorianen, door Pierre de Bérulle te Parijs gesticht.

Doch keeren wij tot den strengen Spaanschen regel van Martinus Verga terug.

De bernardijner-benedictijner nonnen van dezen regel onthouden zich het geheele jaar door van vleeschspijzen, vasten op verscheidene dagen buiten de vasten, waken na den eersten slaap van één tot drie uur ’s ochtends, om het brevier te lezen en de metten te zingen, slapen onder sergiën dekens en, in alle jaargetijden, op stroo, nemen nooit een bad, ontsteken nooit vuur, geeselen zich alle Vrijdagen, houden den regel van zwijgen, spreken slechts in uren van uitspanning, die zeer kort zijn, en dragen haar wollen hemden zes maanden, van den 14 September, dat is van de kruisverheffing tot Paschen. Deze zes maanden zijn een verzachting, de regel beveelt een geheel jaar; maar dit grove baaien hemd, ondragelijk in de zomerhitte, veroorzaakte koortsen en zenuwtoevallen, zoodat het dragen er van beperkt moest worden. Maar zelfs ondanks deze verzachting hebben de nonnen, wanneer zij den 14 September een schoon hemd aantrekken, drie of vier dagen de koorts. Gehoorzaamheid, vrijwillige armoede, kuischheid, voortdurende afzondering, deze zijn de geloften, die zij doen, en die door den regel zeer verzwaard worden.

De priorin wordt voor drie jaren door de moeders gekozen, welke kapittel-moeders heeten, wijl zij een stem in het kapittel hebben. Een priorin mag slechts tweemaal gekozen worden, ’t geen de langst mogelijke regeering tot negen jaren beperkt.

Zij zien nooit den dienstdoenden priester, die voor haar achter een negen voet hoog gehangen sergiëngordijn is verborgen. Onder de predikatie in de kapel bedekken zij haar gezicht met den sluier; zij moeten steeds zacht spreken, de oogen neergeslagen en het hoofd gebogen houden. Slechts één man mag het klooster binnengaan, de aartsbisschop van de diocees.

Er is nog wel een andere man, de tuinier; maar deze is altijd een grijsaard, en opdat hij voortdurend alleen in den tuin zij en de nonnen gewaarschuwd worden hem te ontwijken, bindt men hem een schel aan de knie.

Zij zijn aan de priorin een volstrekte en lijdelijke gehoorzaamheid schuldig. De canonieke onderwerping in haar strengste zelfverloochening. Zooals op Christus’ stem ut voci Christi, op een gebaar, bij den eersten wenk, ad nutum, ad primum signum, dadelijk, met vreugd, met volharding, met een zekere blinde gehoorzaamheid, promptè, hilariter, perseveranter, et cœcâ quadam obedientiâ, gelijk de vijl in de hand van den werkman, quasi liman in manibus fabri, niets, dan met uitdrukkelijk verlof, te mogen lezen of schrijven, legere vel scribere non adiscerit sine expressâ superioris licentiâ.

Beurtelings verricht ieder wat zij de „verzoening” noemen. Deze verzoening is het gebed om vergiffenis van alle zonden. alle misslagen, alle verkeerdheden, alle gewelddadigheden, alle misdaden die op aarde gepleegd worden. Twaalf uren lang, van vier uren ’s avonds tot vier uren ’s morgens, ligt de zuster, die de verzoening verricht, op den steenen vloer voor het Heilig Sacrament, met saamgevouwen handen en de koord om den hals. Wanneer zij de vermoeidheid niet langer kan uitstaan, werpt zij zich op den buik, met het gezicht ter aarde en met uitgebreide armen. In deze houding bidt zij voor alle schuldigen der wereld. Dit is grootsch, verheven!

Aangezien dit verricht wordt voor een paal, waarop een waskaars brandt, zegt men eveneens „aan den paal zijn” als „om verzoening bidden.” De nonnen geven zelfs uit ootmoed aan de eerste uitdrukking de voorkeur, die een denkbeeld van pijniging en vernedering bevat.

„Om verzoening bidden” is eene daad, die de geheele ziel vervult. De non aan den paal zou zelfs, zoo de bliksem achter haar neerviel, het hoofd niet wenden.

Bovendien is er immer een non geknield voor het H. Sacrament. Zij blijft er een uur, en wordt afgelost gelijk een op schildwacht staand soldaat. Dit is de eeuwigdurende aanbidding.

De priorinnen en zusters dragen schier alle namen, die gewichtige bijzonderheden uitdrukken, geen heiligen of martelaressen in herinnering brengen, maar oogenblikken uit het leven van Jezus Christus, als: zuster Geboorte, zuster Ontvangenis, zuster Passie enz. De namen van heilige vrouwen zijn evenwel niet verboden.

Wanneer men haar ziet, ziet men niets dan den mond.

Allen hebben gele tanden. Nooit is een tandschuier in het klooster geweest. Zijn tanden schuieren zou een aanvang van ’t verderf der ziel zijn.

Zij noemen het woord mijn niet. Zij bezitten niets en mogen aan niets gehecht zijn. Zij noemen alles „het onze,” bij voorbeeld: onze sluier, onze rozenkrans; zoo zij van haar hemd spraken, zouden zij „ons hemd” zeggen. Soms hechten zij eenige waarde aan eenig voorwerp, aan een getijdeboek, een reliek, een gewijde medalje. Zoodra zij gevoelen, dat zij aan deze dingen gehecht worden, moeten zij ze afgeven. Zij herinneren zich de woorden der H. Theresia, tot wie een aanzienlijke dame, toen zij in haar orde trad zeide: „Vergun, moeder, dat ik een heiligen bijbel laat halen, waaraan ik zeer gehecht ben.”—„Ha! zijt ge aan iets gehecht? In dat geval moet ge bij ons niet zijn.”

Niemand, wie het zij, mag zich opsluiten of een eigen kamer hebben. Zij bewonen geen gesloten cellen; zoo zij elkander ontmoeten, zegt de eene: Geëerd en Geloofd zij het allerheiligste Sacrament des Altaars!” De andere antwoordt: „In alle eeuwigheid!” Hetzelfde heeft plaats als de eene aan de deur der andere klopt. Nauwelijks is de deur aangeraakt of men hoort aan de andere zijde een zachte stem haastig zeggen: in alle eeuwigheid! Uit gewoonte geschieden al deze „oefeningen” werktuiglijk; en vaak zegt de eene „in alle eeuwigheid” voor de andere den tijd heeft gehad te zeggen: „Geëerd en geloofd zij het allerheiligste Sacrament des altaars!” dat tamelijk lang is.

Bij de visitandinen zegt de binnentredende Ave Maria, en de andere antwoordt: Gratiâ plena. ’t Is haar „goeden morgen”, die inderdaad „vol gratie” is.

Telkens als het uur slaat, wordt de klok van het klooster driemaal geklept. Bij dat sein staken priorin, kapittel-moeders, zusters, leekezusters, nonnen, wat zij zeggen, wat zij doen of wat zij denken, en roepen eenparig, bij voorbeeld zoo het vijf uren is: „Te vijf uren en elk uur zij het Allerheiligste Sacrament des altaars geëerd en geloofd.” Is het acht uren: „Te acht uren enz” en zoo vervolgens bij elk uur dat slaat.

Deze gewoonte, die het doel heeft om de gedachten te schorsen en ze immer tot God terug te brengen, bestaat in vele kloosters; maar de vorm is er verschillend. Zoo zegt men bij het Christuskind: „Op dit uur en elk uur ontvlamme de liefde voor Jezus mijn hart!”

De benedictijner-bernardijner nonnen van Martinus Verga, die vijftig jaren geleden het klooster van Klein Picpus betrokken, zingen haar getijden naar een ernstige melodie, een zuivere kerkmelodie en steeds met volle stem, zoolang de dienst duurt. Overal waar een sterretje in ’t missaal staat, pauseeren zij en zeggen zacht: „Jezus, Maria, Jozef!” Bij de getijden voor de overledenen is haar toon zoo laag, dat vrouwen daartoe nauwelijks kunnen afdalen. Dit brengt een treffende treurige uitwerking voort.

De nonnen van Klein Picpus hadden onder haar hoofdaltaar een grafkelder doen maken voor de begraving harer zusters. Het „gouvernement”, zooals zij ’t noemen, vergunde echter niet dat er de lijken bijgezet werden. Als zij dood waren, moesten zij bijgevolg het klooster verlaten. Dit bedroefde en bedrukte haar als een onbillijkheid.

Zij hadden echter de vergunning verkregen, om—een geringe troost—op een bijzonder uur en in een bijzonderen hoek van het oude kerkhof-Vaugirard te mogen worden begraven, een grond die vroeger aan het klooster behoord had.

Des Donderdags hooren deze nonnen de hoogmis, de vesper en al de diensten als des Zondags. Bovendien vieren zij nauwgezet al de kleine heilige dagen, welke den leeken onbekend zijn, en waarmede de kerk eertijds Frankrijk bedeelde en nog tegenwoordig Spanje en Italië zoo mild beschenkt. Haar bid-uren in de kapel zijn eindeloos. Van het getal en den duur harer gebeden kunnen wij geen beter denkbeeld geven dan door de aanhaling dezer naïeve woorden van een harer: „De gebeden der postulanten zijn ontzettend, de gebeden der novicen nog ontzettender, en de gebeden der nonnen allerontzettendst.”

Eenmaal des weeks vergadert het kapittel; de priorin presideert, de kapittelmoeders zijn er tegenwoordig. De eene zuster knielt na de andere op den steen en biecht luid in aller tegenwoordigheid de misslagen en zonden, waaraan zij zich in den loop der week schuldig heeft gemaakt. De kapittelmoeders raadplegen na iedere biecht, en leggen luid de „penitentie” op.

Buiten de openbare biecht, voor welke men alle eenigszins grove misslagen bespaart, hebben zij voor haar dagelijksche zonden, wat zij het Culpa noemen. Men legt zich om deze Culpa te doen, plat op den grond voor de priorin, gedurende de mis, totdat deze, die nooit anders dan „moeder” wordt genoemd, de boeteling, door zacht op haar bank te slaan, verwittigt, dat zij mag opstaan. Men verricht die Culpa voor kleinigheden, voor een gebroken glas, een gescheurden sluier, een verstrooiden blik gedurende den heiligen dienst, een valsche noot bij het gezang, enz.; meer is er niet noodig om zijn Culpa te doen. Het Culpa is geheel vrijwillig; de schuldige zelve veroordeelt en straft zich. Op feest- en Zondagen zingen vier koorzusters de mis voor een vierkanten koorlessenaar. Zekeren dag zong een koormoeder een psalm die met Ecce begon, maar in plaats van Ecce zong zij utsisol, en onderging voor deze verstrooidheid een Culpa gedurende den geheelen heiligen dienst. Wat de misslag grooter maakte was dat het geheele kapittel gelachen had.

Wanneer een non in het spreekvertrek wordt geroepen, ware het zelfs de priorin, moet zij haar sluier zoo laag hangen, gelijk men zich herinnert, dat men niets dan haar mond ziet. Alleen de priorin mag met vreemden spreken. De anderen mogen niemand dan haar naaste bloedverwanten, doch slechts zelden, zien. Zoo toevallig iemand, dien een non in de wereld gekend of bemind heeft, aan het klooster verschijnt om haar te spreken, eischt dit voorafgaande onderhandelingen. Zoo ’t een vrouw is, wordt de vergunning soms verleend; de non verschijnt en men spreekt met haar achter de blinden, die slechts voor een moeder of zuster geopend worden. Het spreekt vanzelf dat dit verlof den mannen steeds geweigerd wordt.

Deze is de door Martinus Verga verzwaarde regel van den H. Benedictus.

Deze nonnen zijn niet vroolijk, blozend en frisch, zooals meestal de geestelijke dochters van andere orden. Zij zijn bleek en ernstig. Van 1825 tot 1830 werden er drie krankzinnig.

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *