Maandag, 20/04/2026 - 07:25

Nu wij ons bezighouden met de bijzonderheden van ’t geen eertijds het klooster Klein Picpus was en een venster hebben durven openen om een blik op dit zwijgend verblijf te slaan, veroorlove de lezer ons nog een kleine uitweiding, die wel is waar vreemd aan het onderwerp van dit boek, maar karakteristiek en noodzakelijk is, daar zij zal doen zien, dat ook in het klooster zonderlinge figuren zijn.

In het kleine klooster bevond zich een honderdjarige non, die uit de abdij van Fontevrault was gekomen. Vóór de revolutie had zij in de groote wereld geleefd. Zij sprak veel van den heer de Miromesnil, zegelbewaarder onder Lodewijk XVI, en van een presidentsvrouw Duplat, met wie zij goed bekend was geweest. ’t Was haar vermaak en trots, bij iedere gelegenheid deze namen ter sprake te brengen. Zij verhaalde wonderen der abdij van Fontevrault, die, zeide zij, een stad geleek en in welk klooster straten waren.

Haar Picardische tongval vermaakte de pensionnairen. Alle jaren vernieuwde zij plechtig haar geloften en vóór den eed af te leggen, zeide zij tot den priester: Monseigneur St. Franciscus deed hem aan Monseigneur St. Juliaan, Monseigneur St. Juliaan deed hem aan Monseigneur St. Eusebius, Monseigneur St. Eusebius deed hem aan Mons. St. Procopius enz. enz. alzoo doe ik hem aan u, eerwaardige vader. – En de pensionnairen lachten onder haar sluiers, een liefelijk gesmoord gelach, dat de voorhoofden der kapittelmoeders deed rimpelen.

Een anderen keer verhaalde de honderdjarige non geschiedenissen. Zij zeide, dat in haar jeugd „de bernardijnen niet voor de musketiers uit den weg gingen. ’t Was een sprekende eeuw, die achttiende eeuw. Zij verhaalde van het oude gebruik, dat vóór de revolutie in Champagne en Bourgondië bestond ter zake der vier wijnen. Wanneer namelijk een groot personage, een maarschalk van Frankrijk, een prins, een hertog of pair door een stad in Champagne of Bourgogne trok, hield de stedelijke overheid een toespraak tot hem, en bood hem vier zilveren bekers aan, met vier verschillende soorten van wijn. Op den eersten beker las men dit opschrift: „apenwijn,” op den tweeden: „leeuwenwijn,” op den derden: „schapenwijn,” op den vierden: „varkenswijn.” Deze vier opschriften beteekenden de vier graden, langs welke de dronkaard nedervalt: de eerste graad van dronkenschap maakt vroolijk; de tweede vergramt; de derde verstompt, de laatste eindelijk verdierlijkt.

Zij had in haar kast een geheimzinnig voorwerp opgesloten, waaraan zij zeer gehecht was. De regel van Fontevrault verbood haar zulks niet. Zij wilde aan niemand dat voorwerp toonen. Zij sloot zich op, ’t geen haar regel haar vergunde; en verborg zich, telkens wanneer zij het wilde aanschouwen. Zoo zij in de gang voetstappen hoorde, sloot zij de kast zoo schielijk als zij met haar oude handen kon. Zij, die zoo gaarne praatte, zweeg zoodra men haar van dit voorwerp sprak. De nieuwsgierigsten stuitten af op haar geheimhouding, en de volhardendsten op haar halsstarrigheid.

’t Was dan ook een onderwerp van allerlei gissingen voor de werkeloozen en zich vervelenden in het klooster. Wat kon toch dat zoo kostbaar en verborgen ding zijn, die schat der honderdjarige? Waarschijnlijk een heilig boek? een rozenkrans, eenig in zijn soort? een echte reliquie? Men verloor zich in gissingen. Toen de goede, oude vrouw overleden was, ijlde men, misschien haastiger dan betamelijk was, naar de kast, en opende ze. Men vond het voorwerp onder een driedubbelen doek, als het gewijde bedeksel eener miskelk. ’t Was een schotel van Faënza, liefdegoodjes voorstellende, die, door apothekersknechts, gewapend met groote klisteerspuiten, vervolgd, wegvliegen, de vervolgers in de koddigste en grappigste houdingen. Een der bekoorlijke liefdegoodjes is bereids getroffen. Het spartelt, klapwiekt, en poogt weg te vliegen, maar de klisteerder lacht duivelachtig. De zedenles is, de liefde door buikpijn verwonnen. Deze, overigens zeer curieuse schotel, die misschien de eer heeft gehad aan Molière een denkbeeld te geven, bestond nog in September 1845 en was te koop bij een koopman in curiositeiten op den boulevard Beaumarchais.

Deze goede oude vrouw wilde geen bezoeken van buiten ontvangen, wijl, zooals zij zeide, „het spreekvertrek te somber was.”

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *