Maandag, 20/04/2026 - 09:00

a de geestelijke gesteldheid van het klooster Klein-Picpus te hebben geschetst, zal het niet ongepast zijn in weinige woorden zijn stoffelijke gestalte aan te geven. De lezer heeft daarvan reeds een denkbeeld.

Het klooster Petit-Picpus-Saint-Antoine besloeg schier geheel het ongelijkzijdig vierkant, gevormd door de richting der straten Polonceau en Droit Mur, der kleine straat Picpus en der blinde steeg, die op oude plattegronden straat Aumarais wordt genoemd. Deze vier straten omgaven dat ongelijkzijdig vierkant als de gracht om een vesting. Het klooster bestond uit verschillende gebouwen en een tuin. Het hoofdgebouw was, in zijn geheel genomen, een samenvoeging van de tegenstrijdigste gebouwen, die van uit de lucht gezien volkomen een op den grond liggende galg voorstelden. De groote arm dezer galg besloeg het gedeelte der straat Droit Mur tusschen de kleine straat Picpus en de straat Polonceau; de kleine arm was een hooge, grijze, statige voorgevel met getraliede vensters in de kleine straat Picpus; het einde duidde de koetspoort No. 62 aan. Ongeveer in het midden van dien voorgevel bedekten stof en asch een oude, lage boogvormige deur, waar de spinnen heur web weefden en die slechts een paar uren Zondags werd geopend, alsmede in het zeldzaam geval, dat de doodkist eener non uit het klooster werd gedragen. ’t Was de algemeene kerkdeur. De elleboog der galg was een vierkant vertrek, dat tot provisiekamer diende. In den grooten arm waren de cellen der moeders, der zusters en der novicen. In den kleinen arm de keukens, de eetzaal, met de kloostergalerij en de kerk. Tusschen de poort No. 62 en den hoek der blinde steeg Aumarais was het pensionaat, dat men van buiten niet zag. Het overige van het ongelijkzijdig vierkant vormde den tuin, die veel lager was dan de oppervlakte der straat Polonceau; zoodat de muren binnen hooger dan buiten waren. In het midden van den tuin, stond op een heuveltje een fraaie, scherpe, kegelvormige denneboom, van welken, als uit een middelpunt, vier breede paden liepen, verbonden door dubbele dwarspaden, zoodat, ware de tuin rond geweest, de plattegrond er van een kruis op een rad had voorgesteld. Deze paden, alle op de zeer onregelmatige muren van den tuin uitloopende, waren van ongelijke lengte en omzoomd met aalbesseboompjes. Aan het einde van den tuin stond een rij hooge populieren, van de bouwvallen van het oude klooster af, aan den hoek der straat Droit-Mur, tot aan het nieuwe klooster aan den hoek der blinde steeg Aumarais. Voor het kleine klooster was de zoogenoemde kleine tuin. Men voege bij dit alles een binnenplaats, verschillende hoeken door de gebouwen gevormd, muren, als die eener gevangenis, geen ander gezicht en nabuurschap dan de donkere lijn der daken aan gene zijde der Polonceau-straat, en men zal zich een volkomen denkbeeld kunnen vormen van ’t geen vijf-en-veertig jaren geleden het huis der bernardijner nonnen van Klein Picpus was. Dit heilige huis was gebouwd op dezelfde plaats waar van de veertiende tot de zestiende eeuw een vermaarde kaatsbaan stond, die, „het speelhuis der elf duizend duivels” werd genoemd.

Al deze straten behoorden overigens tot de oudste van Parijs. De namen Aumaurais en Droit-Mur zijn zeer oud, maar de straten, die er naar heeten, veel ouder. De steeg Aumaurais heeft de steeg Mougout geheeten; de straat Droit-Mur de Engelantierstraat, want God schiep de bloemen vóór dat de mensen de muren bouwde.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *