Den dag, nadat deze gebeurtenissen in het huis op den boulevard de l’Hopital waren voorgevallen, ging een knaap, die van de brug van Austerlitz scheen te komen, langs het rechter voetpad naar de barrière van Fontainebleau. ’t Was een donkere avond.
Deze knaap was bleek, mager, in lompen gekleed, met een linnen broek, hoewel ’t Februari was, en zong luidkeels.
Om den hoek der straat Petit-Banquier stond een oude vrouw bij een hoop vuilnis gebogen, waarin zij bij het licht der straatlantaarn zocht. De knaap stiet haar in het voorbijgaan, trad toen achteruit en riep:
„Kijk, ik dacht dat ’t een groote hond was!”
Hij herhaalde op spottenden en gerekten toon het woord, alsof men schrijven zou „groote hond.”
De vrouw richtte zich verwoed op.
„Leelijke bengel!” bromde zij. „Zoo ik niet gebukt had gestaan, zou ik u een schop voor uw …. gegeven hebben.”
De knaap was reeds op behoorlijken afstand.
„Ksch! ksch! Nu zie ik dat ik mij niet vergist heb!” tergde hij.
De oude vrouw, van woede stikkend, richtte zich geheel op, en het roode licht der lantaarn bescheen haar bleek, hoekig, gerimpeld gelaat. Men zag niets dan haar hoofd, daar ’t overige van haar lichaam in de schaduw was gehuld. Zij geleek het beeld der afgeleefdheid, door een lichtstraal in den nacht beschenen. De knaap keek haar aan.
„Mevrouw bezit de soort van schoonheid niet die mij zou behagen!” schimpte hij.
Toen zette hij zijn weg voort, zingende:
Le roi Coupdesabot
S’en allait à la chasse,
A la chasse aux corbeaux…
[253]
Na deze drie regels zweeg hij. Hij bevond zich voor het huis No. 50–52, en de deur gesloten vindende begon hij er met zulk een geweld tegen te schoppen en te trappen, dat het gerucht veelmeer de mansschoenen die hij droeg dan de kindervoeten die hij had, deed uitkomen.
Intusschen was de oude vrouw, welke hij aan den hoek der straat Petit-Banquier had ontmoet, hem nageloopen en schreeuwde en dreigde hem.
„Wat is dat? wat is dat?” riep zij. „Heer, mijn God! men trapt de deur in; men vernielt het huis!”
De knaap ging voort met tegen de deur te trappen.
De oude vrouw riep buiten adem:
„Gaat men tegenwoordig zoo met de huizen om!”
Eensklaps hield zij stil. Zij had den straatjongen herkend.
„Hoe! is ’t deze duivel?”
„Ha! ’t is de oude!” zei de knaap. „Dag, moeder Burgon! Ik kom mijn oudelui bezoeken.”
De oude vrouw antwoordde, met een gezicht dat haat, ouderdom en leelijkheid uitdrukte, ’t geen helaas echter in de duisternis verloren ging:
„Er is niemand in huis, kwâjongen.”
„Zoo!” hernam de knaap, „waar is dan mijn vader?”
„In de gevangenis.”
„Zoo! en mijn moeder?”
„In de gevangenis.”
„Zoo, en mijn zusters?”
„In de gevangenis.”
De knaap krabde zich achter het oor, zag vrouw Burgon aan en zeide eenvoudig: „Zoo!”
Toen draaide hij zich op de hielen om, en een oogenblik later hoorde de oude vrouw, die hem aan de deur nazag, hem met heldere, jeugdige stem zingen, terwijl hij onder de donkere boomen, die in den nachtwind floten, verdween:
Le roi Coupdesabot
S’en allait à la chasse,
A la chasse aux corbeaux,
Monté sur des échasses.
Quand on passait dessous,
On lui payait deux sous.
Einde van het derde deel.
















