Marius woonde nog altijd in het huis Gorbeau. Hij lette er op niemand.
Op dat tijdstip waren trouwens in dat huis geen andere [171]bewoners dan hij en de familie Jondrette, voor wie hij eens de huur had betaald, zonder overigens ooit met den vader, de moeder of de dochters gesproken te hebben. De andere bewoners waren of verhuisd, of overleden, of bij gebreke van betaling op de straat gezet.
Op een dag in dezen winter had de zon zich des namiddags even vertoond; ’t was de 2de Februari, op Maria-lichtmis, welker verraderlijke zon, de voorloopster eener zesweeksche koude, aan Mathieu Laensberg deze terecht klassiek gebleven verzen inboezemde:
Qu’il luise ou qu’il luiserne,
L’ours rentre en sa caverne.1
Marius was uit zijn hol gekomen; de avond daalde. ’t Was tijd te gaan eten, want hij was, helaas, weder aan het eten moeten gaan. O zwakheden der ideale liefde!
Hij was juist de stoep overgestapt, welke juffrouw Bougon bezig was te vegen, terwijl zij deze alleenspraak hield:
„Wat is tegenwoordig goedkoop? alles is even duur. Alleen de zorgen des levens zijn goedkoop; zorg en moeite heeft men in overvloed voor niets.”
Langzaam ging Marius in gedachten en met gebogen hoofd over den boulevard naar de straat St. Jacques.
Eensklaps voelde hij zich in de avondschemering tegen het lijf loopen; hij wendde het hoofd en zag twee in lompen gekleede meisjes, het eene lang en mager, het andere kleiner, die buiten adem, hijgend, verschrikt voortijlden als vluchtten zij. Zij waren van den anderen kant gekomen, hadden hem niet gezien en in ’t voorbijgaan hem gestooten. Marius onderscheidde in de schemering haar bleeke gezichten, haar verwarde, vliegende haren, haar leelijke mutsen, gescheurde kleederen en bloote voeten. Onder ’t loopen spraken zij met elkander. De grootste zeide met zachte stem:
„Zij kwamen en hadden mij bijna gepakt.”
De andere antwoordde: „Ik zag ze komen en ging aan den haal.”
Marius begreep aan haar vreemde uitdrukkingen, dat de gendarmes of stadssergeanten beide meisjes bijna gegrepen hadden en zij ’t ontkomen waren.
Zij verscholen zich tusschen de boomen van den boulevard achter hem, en zij vertoonden daar voor eenige oogenblikken in de duisternis een flauwen schijn, die echter spoedig verdween.
Marius had een oogenblik stilgestaan. Hij wilde nu zijn weg vervolgen, toen hij aan zijn voeten een klein grijs pakje bespeurde. Hij bukte en raapte het op. ’t Was een soort van omslag, dat papieren scheen te bevatten.
De ongelukkigen hebben het laten vallen, dacht hij.
Hij keerde terug, riep, maar vond ze niet, stak het pakje in zijn zak en ging naar zijn diner.
Onderweg zag hij in een gang der straat Mouffetard de doodkist van een kind, met een zwart laken overdekt, op drie stoelen en door een kaars verlicht. De beide meisjes van de schemering kwamen hem weder in ’t geheugen.
„Arme moeders! dacht hij! Er is iets nog treuriger dan zijn kinderen te zien sterven; namelijk ze slecht te zien leven.”
Vervolgens verlieten hem deze sombere gedachten, welke zijn droefgeestigheid eenige afleiding gaven, en hij verzonk weder in zijn gewone mijmeringen.
Hij dacht weder aan zijn liefde van zes maanden, en aan zijn geluk onder den blooten hemel, en aan de schoone boomen van het Luxemburg.
„Hoe somber is mijn leven geworden,” dacht hij. „Nog altijd verschijnen mij jonge meisjes; maar vroeger waren ’t engelen; thans zijn ’t duivelinnen.”
1
Zij moge schijnen of stralen,
De beer keert naar zijn hol terug.
















