Een zeer jong meisje stond in de open deur. Het zoldervenster, door ’t welk het licht in het vertrek viel, was recht tegenover de deur en verlichtte deze gestalte met een vaal schijnsel. Het meisje was bleek, tenger, mager; slechts een hemd en een rok bedekten haar bibberende naakte lijf. Een bindtouw was haar ceintuur, evenals een bindtouw haar kapsel samenhield; knokige schouders kwamen uit het hemd, zij was ziekelijk bleek, met uitstekende wangbeenderen, roode handen, half open mond die reeds tanden miste, doffe, brutale, gemeene oogen, de vormen van een halfvolwassen meisje, en den blik eener oude verdorven vrouw; vijftig en vijftien jaren ondereen gemengd; een dier tevens zwakke en leelijke wezens, die ons doen huiveren of weenen.
Marius was opgestaan en aanschouwde met een soort van verbazing dit schepsel, dat een dier schimmen geleek, welke soms in den droom verschijnen.
Vooral scheen het smartelijk, dat dit meisje blijkbaar niet ter wereld was gekomen om leelijk te zijn. In haar kindsheid moest zij zelfs schoon zijn geweest. De bevalligheid der jeugd worstelde nog bij haar tegen de leelijkheid van vroegtijdigen ouderdom, de vrucht van buitensporigheid en armoede. Een overblijfsel van schoonheid lag nog op dit zestienjarig gezicht, als de bleeke zonnestraal die bij een wintermorgen door grijze wolken wordt verdoofd.
Dat gezicht kwam Marius niet geheel onbekend voor. Hij meende zich te herinneren het ergens gezien te hebben.
„Wat begeert ge?” vroeg hij.
Het meisje antwoordde met een stem als die van een dronken galeiboef:
„Hier is een brief voor u, mijnheer Marius.”
Zij noemde Marius bij zijn naam, er was alzoo geen twijfel dat zij bepaaldelijk hem bedoelde, maar wie was dit meisje? Hoe kende zij zijn naam?
Zonder te wachten dat hij haar verzocht te naderen, trad zij binnen. Zij trad stoutmoedig voort, terwijl ze met een onbeschaamdheid, die het hart toekneep, haar blik door de kamer en op het nog afgehaalde bed sloeg. Zij was blootsvoets. Door de groote scheuren in haar rok kon men haar lange beenen en magere knieën zien. Zij bibberde van koude.
Zij hield een brief in de hand, dien zij Marius aanbood.
Toen Marius den brief opende, merkte hij dat de groote ouwel nog nat was. De brief kon dus niet van verre komen. Hij las:
„Lieve buurman,—geëerde jonge heer!
„Ik heb uw goedheid jegens mij vernomen, dat gij, zes maanden geleden, mijn huishuur betaald hebt. Ik zegen u, jong mensch. Mijn oudste dochter zal u zeggen, dat wij sedert twee dagen, met ons vieren zonder brood, en mijn vrouw ziek is. Zoo ik mij in mijn gedachten omtrent u niet bedrieg, durf ik hopen, dat uw edelmoedig hart zich zal verteederen bij deze mededeeling en u zal dringen mij behulpzaam te zijn door mij een kleine weldaad te bewijzen.
Ik ben met de hoogachting en onderscheiding, die men aan de weldoeners der menschheid schuldig is
Jondrette.”
P.S. Mijn dochter zal op uw orders wachten, waarde heer Marius.”
Deze brief, die midden in het duistere avontuur viel, ’t welk Marius sedert den vorigen avond bezighield, was een lichtstraal in de duisternis. Alles helderde zich eensklaps op.
Deze brief kwam van waar de vier andere brieven kwamen. Het was dezelfde hand, dezelfde stijl, dezelfde spelling, hetzelfde papier, dezelfde tabaksreuk.
Er waren vijf brieven, vijf geschiedenissen, vijf namen, vijf handteekeningen, en één onderteekenaar. De Spaansche kapitein don Alvarès, de ongelukkige moeder Balizard, de tooneeldichter Genflot, de oude komediant Fatanbou heetten alle vier Jondrette, zoo ten minste Jondrette zelf Jondrette heette.
Sedert den reeds langen tijd, dat Marius het huis bewoonde, was hij, zooals gezegd is, zelden in de gelegenheid geweest zijn allernaaste buren te zien of slechts op te merken. Zijn geest was elders, en waar de geest is, is het oog. Hij had zekerlijk meer dan eens de Jondrettes in de gang en op de trap ontmoet; maar zij waren voor hem slechts schimmen geweest, en zoo weinig had hij er op gelet, dat hij den vorigen avond de dochters van Jondrette tegen ’t lijf was geloopen, zonder ze te kennen, want zij waren ’t ongetwijfeld geweest, en zij, die zijn kamer was binnengegaan, had, bij den afkeer en het medelijden, welke zij hem inboezemde, nauwelijks een flauwe herinnering in hem opgewekt, dat hij haar elders ontmoet had.
Nu zag hij alles duidelijk. Hij begreep, dat zijn buurman Jondrette in zijn nood er een bedrijf van maakte, op de weldadigheid van menschlievende personen te werken, dat hij zich hun adressen bezorgde, en dat hij onder verdichte namen aan lieden, die hij rijk en mededeelzaam geloofde, brieven schreef, welke zijn dochters voor eigen kosten en gevaar bezorgden; want deze vader waagde zijn dochters; hij dobbelde met het lot en zette haar op ’t spel. Marius begreep, uit haar hijgende vlucht van den vorigen avond, haar schrik en de zonderlinge woorden, welke hij had gehoord, dat deze rampzaligen bovendien nog andere treurige beroepen uitoefenden, en dat zij door een en ander, te midden der menschelijke maatschappij, zooals die is samengesteld, twee ellendige wezens waren geworden, die noch kinderen, noch meisjes, noch vrouwen, maar een soort van onreine en onschuldige monsters waren.
Treurige schepsels zonder naam, zonder leeftijd, zonder sekse, voor wie noch goed noch kwaad meer mogelijk is, en die, nauwelijks uit de kindsheid getreden, niets meer in deze wereld hebben, noch vrijheid, noch deugd, noch verantwoordelijkheid. Zielen, die gisteren ontloken, heden verwelkt zijn, die bloemen gelijkende, welke op de straat zijn gevallen, door allerlei slijk bezoedeld en door een rad verpletterd worden.
Terwijl Marius intusschen zijn verbaasden, smartelijken blik op haar richtte, ging het meisje met de vermetelheid van een spooksel heen en weder door het vertrek. Zij bewoog zich zonder zich om haar naaktheid te bekommeren. Haar los en gescheurd hemd viel soms tot onder haar borst. Zij verschoof de stoelen, verplaatste de toiletzaken die op de commode stonden, raakte de kleederen van Marius aan en snuffelde in alle hoeken.
„Ha!” zeide zij, „hebt ge een spiegel?”
En zij neuriede, als ware zij alleen geweest, liedjes uit vaudevilles, vroolijke refreins, die door haar holle, heesche stem afschuwelijk klonken. Onder deze stoutmoedigheid kwam echter een zekere gedwongenheid, ongerustheid en deemoedigheid uit. Onbeschaamdheid is een schande.
Niets was treuriger dan haar in de kamer zoo te zien rondfladderen als een vogel, die door het licht verblind is of den vleugel gebroken heeft. Men gevoelde, dat de vroolijke, vrije bewegingen van het meisje, onder andere voorwaarden van opvoeding en lotsbestemming, iets geheel anders, iets zachts en bekoorlijks konden geweest zijn. Onder de dieren verandert nimmer een wezen, dat geschapen is om duif te zijn, in een uil. Dit vindt men alleen bij de menschen.
Marius dacht, en liet haar begaan.
Zij naderde de tafel.
„Ha, zeide zij, boeken!”
Een glans verlichtte haar glazig oog. Zij hernam, en haar stem drukte het geluk uit, zich op iets te kunnen beroemen, waarvoor geen menschelijk schepsel ongevoelig is:
„Ik kan lezen.”
Zij greep driftig het opengeslagen boek van de tafel en las tamelijk vlug:
„…: Generaal Banduin ontving bevel met de vijf bataljons zijner brigade het kasteel van Hougoment, dat in het midden van de vlakte van Waterloo ligt, in te nemen…”
Zij brak ’t lezen af, met de woorden:
„Ha! Waterloo! dat ken ik. ’t Was een fameuze slag! mijn vader was er bij. Mijn vader heeft in ’t leger gediend. Wij zijn bonapartisten, dat verzeker ik u. Waterloo was tegen de Engelschen.”
Zij legde het boek neder, nam een pen en riep:
„Ik kan ook schrijven!”
Zij doopte de pen in den inkt, wendde zich tot Marius en zeide:
„Wilt ge ’t zien. Kijk, ik zal een woord schrijven om ’t u te toonen.”
Vóór hij tijd had te antwoorden schreef zij op een vel papier, dat op de tafel lag: „De dienders zijn er.”
Toen hernam zij, de pen wegwerpende:
„Er zijn geen spelfouten in. Zie slechts. Mijn zuster en ik hebben een goede opvoeding gehad. Wij zijn niet altijd geweest wat wij nu zijn. Wij waren niet bestemd om …”
Eensklaps zweeg zij, richtte haar doffen blik op Marius, begon luid te lachen en zeide op een toon, die alle angsten, door hondsche onverschilligheid onderdrukt verried:
„Och, kom!”
En op een vroolijke wijs zong zij:
J’ai faim, mon père.
Pas de fricot.
J’ai froid, ma mère.
Pas de tricot.
Grelotte,
Lolotte!
Sanglote,
Jacquot.
Toen zij dit couplet gezongen had, riep zij haastig:
„Gaat ge soms naar den schouwburg, mijnheer Marius? Ik ga er dikwijls heen. Ik heb een jongen broeder, die een vriend der acteurs is en mij soms kaartjes geeft. Maar ik houd niet van de galerij; men zit er ongemakkelijk. ’t Is er meestal stampvol; en er zijn lieden die leelijk rieken.”
Daarop zag zij Marius aan, en zeide op zonderlingen toon:
„Weet ge wel, mijnheer Marius, dat ge een zeer lieve jongen zijt?”
En op denzelfden tijd kwam bij beiden dezelfde gedachte op, die haar deed glimlachen en hem deed blozen.
Zij naderde hem en legde een hand op zijn schouder:
„Hoewel ge geen acht op mij slaat, mijnheer Marius, ken ik u toch. Ik ontmoet u hier op de trap en zie u nu en dan bij den ouden heer Mabeuf ingaan, die in de nabijheid van [181]Austerlitz woont, wanneer ik daar wandel. Uw verward haar staat u zeer goed.”
Zij poogde haar stem zeer zacht te maken, doch zij klonk slechts zeer grof. Een gedeelte harer woorden ging op den weg van haar keel naar de lippen verloren, evenals in een klavier, waaraan toetsen ontbreken.
Marius was een weinig achteruit gegaan.
„Juffer,” zeide hij, op koelen, ernstigen toon, „ik heb hier een pakje, dat geloof ik van u is. Vergun mij ’t u weder te geven.”
En hij overhandigde haar het pakje met de vier brieven.
Zij klapte in haar handen en riep:
„Wij hebben ’t overal gezocht.”
Toen greep zij haastig het pakje, en opende het, terwijl zij zeide:
„Mijn God! mijn zuster en ik hebben overal gezocht. Hebt gij ’t gevonden? Op den boulevard, niet waar? Ja, ’t moet op den boulevard zijn. Weet ge, ’t is ons ontvallen, toen wij op den loop gingen. Mijn lieve zusje heeft die domheid begaan. Toen wij te huis kwamen was ’t weg. Omdat wij niet wilden geslagen worden, ’t geen onnoodig, volkomen onnoodig, geheel en al onnoodig is, zeiden wij, dat de brieven bezorgd waren bij de personen welke men ons had opgegeven. Ja wel! hier zijn de brieven! Maar waaraan hebt ge gezien, dat ze mij behoorden? Ha, ja, aan ’t schrift. Gij zijt het dus, dien wij gisteren tegen ’t lijf zijn geloopen. ’t Was zoo donker, dat men niet zien kon. Niet waar? Ik vroeg aan mijn zuster: Was ’t een heer? Mijn zuster antwoordde: Ik geloof, dat ’t een heer was.”
Intusschen had zij den bedelbrief „aan den weldadigen heer der kerk van St. Jacques-du-Haut-Pas” geopend.
„Zie,” zeide zij, „deze is voor den ouden man, die naar de mis gaat. ’t Is nu de tijd, dat ik hem dien brengen moet. Hij zal ons misschien zooveel geven om te kunnen ontbijten.”
En wederom lachende, voegde zij er bij:
„Weet ge wat het wezen zal, zoo wij heden ontbijten? ’t Zal ons ontbijt zijn van eergisteren, ons middagmaal van eergisteren, ons ontbijt van gisteren, ons middagmaal van gisteren, dit alles zullen wij van morgen in ééns hebben. Nu, zoo ge er niet mede tevreden zijt, berst dan, honden!”
Dit herinnerde Marius wat de ongelukkige bij hem kwam zoeken.
Hij tastte in zijn vestzak, maar vond niets.
Het meisje sprak op een wijze voort, alsof zij er niet meer aan dacht, dat Marius tegenwoordig was.
„Soms ga ik ’s avonds uit. Soms kom ik niet weer t’huis. Verleden winter, vóór dat wij hier kwamen, woonden wij onder de bogen der bruggen. Wij drongen ons dicht op elkaar om niet te bevriezen. Mijn klein zusje weende. Water! ’t is treurig. Als ik er aan dacht mij te verdrinken, zeide ik: Neen, ’t is te koud. Ik ga, als ik wil, alleen uit en slaap in slooten. Weet ge, des nachts als ik op den boulevard ga, schijnen mij de boomen als masten en de donkere huizen zwaar als de torens van Notre Dame, ik verbeeld mij, dat de witte muren water zijn en zeg dan: zie, daar is water! De sterren zijn als illumineerglazen, ’t is alsof zij rooken en de wind ze uitwaait; ik ben dan duizelig alsof paarden mij in de ooren snoven, en hoewel ’t nacht is, hoor ik straatorgels en het geratel van weefgetouwen, wat weet ik! Ik geloof, dat men mij met steenen werpt; ik vlucht zonder te weten waarom… alles draait, draait… ’t Is aardig als men niet gegeten heeft…”
Zij zag hem verwilderd aan.
Na al zijn zakken doorzocht te hebben, gelukte het Marius eindelijk vijf francs zestien sous bijeen te krijgen. Dit was alles wat hij op dit oogenblik in de wereld bezat.
„Dit is voor mijn middagmaal van heden,” dacht hij, „morgen zullen wij zien.” Hij hield de zestien sous en gaf het meisje de vijf francs.
Zij nam het geld.
„Goed!” zeide zij: „dat is zonneschijn.”
En alsof de zon de kracht had de fragmenten van gemeene en dieventaal in haar hersens te ontdooien, braakte zij in verrukking eene menigte onsamenhangende woorden en zinnen in die taal uit. Toen trok zij haar hemd weer over de schouders, maakte voor Marius een diepe buiging, vervolgens een gemeenzamen handwenk en trad naar de deur, zeggende:
„Goeden dag, mijnheer. Om ’t even, ik ga toch mijn oude opzoeken.”
De commode voorbijgaande zag zij er een uitgedroogde korst brood in het stof liggen, zij greep ze, beet er in en zeide:
„’t Is lekker, maar hard, men bijt er zijn tanden op stuk.”
Toen verdween zij.
















