Maandag, 20/04/2026 - 09:07

De zomer verstreek, daarna de herfst; de winter kwam. Noch mijnheer Leblanc noch zijn dochter hadden weder een voet in het Luxemburg gezet. Marius dacht aan niets, dan hoe hij haar lief en bekoorlijk gezicht zou kunnen wederzien. Hij zocht immer, hij zocht overal, maar vond niets. Hij was niet meer de enthusiastische denker, de beraden, vurige, standvastige man, die stoutmoedig het lot het hoofd biedt; de geest die toekomst op toekomst bouwt; het jonge hoofd vol plannen, ontwerpen, trots, gedachten en wil; hij was een verloren hond. Hij verzonk in treurige zwaarmoedigheid. ’t Was gedaan. Hij had afkeer van den arbeid, het wandelen vermoeide, de eenzaamheid verveelde hem; de vrije natuur, vroeger zoo vol beelden, licht, stemmen, raadgevingen, uitzichten, grenzen en onderricht, was nu ledig voor hem. Het scheen hem alsof alles verdwenen was.

Hij dacht nog altijd, want hij kon niet anders; maar hij vond geen behagen meer in zijn gedachten. Op alles wat zij hem voortdurend zacht voorstelden, antwoordde hij somber: „waartoe?”

Hij deed zich honderden verwijten. Waarom volgde ik haar? Ik was reeds zoo gelukkig haar slechts te zien! Zij zag mij aan; was dat niet onbeschrijfelijk veel? Zij scheen mij te beminnen. Was dat niet alles? Wat wilde ik meer? Er is niets meer. Ik was dwaas. ’t Is mijn schuld enz. enz. Courfeyrac, wien hij niets toevertrouwde, dit was zoo zijn aard, maar die bijna alles begreep, dit was ook zoo diens aard, was begonnen hem met zijn verliefdheid geluk te wenschen, waarover hij zich elders verbaasde; maar toen hij Marius tot zulk een zwaarmoedigheid zag vervallen, zeide hij tot hem: „Ik zie, dat ge niets dan een ezel zijt geweest. Kom, ga mede naar la Chaumière.”

Op een fraaien Septemberdag had Marius zich door Courfeyrac, Bossuet en Grantaire naar een bal te Sceaux laten medevoeren, in de hoop – welk een droom! – haar misschien dáár te zullen wedervinden. Het spreekt vanzelf dat hij haar niet vond, welke hij zocht. – ’t Is toch hier, mompelde Grantaire bij zich zelven, dat men alle lichte vrouwen vindt. Marius liet zijn vrienden op het bal en ging alleen te voet, vermoeid, koortsig, met doffe oogen en treurig, in den nacht, verdoofd door het geraas en het stof der rijtuigen, die vol vroolijke, zingende gasten van het feest wederkeerden en hem voorbijreden, moedeloos, en om zich te verfrisschen den scherpen reuk der noteboomen inademende, huiswaarts.

Hij leefde wederom meer en meer in eenzaamheid, geheel aan zijn treurigheid en zwaarmoedigheid overgegeven, in zijn smart heen- en wedergaande gelijk de wolf in zijn hok, overal de afwezige zoekende, door liefde verstompt.

Eens had hij een ontmoeting, die een zonderlingen indruk op hem maakte. In een der kleine straten in de nabijheid van den boulevard der Invaliden had hij iemand als een arbeider gekleed ontmoet, met een pet met breeden klep op, waaruit lokken zeer wit haar te voorschijn kwamen. Marius werd door de fraaiheid van dit witte haar getroffen en beschouwde dien man, die langzaam en als in smartelijke gedachten verdiept, voortging. Zonderling, hij meende den heer Leblanc te herkennen. ’t Was hetzelfde haar, hetzelfde gezicht, zooveel de pet dit vergunde te zien, dezelfde houding; maar treuriger. Maar waarom in deze arbeiderskleeding? Wat beteekende dat? wat beduidde deze vermomming? Marius was zeer verbaasd. Tot bezinning gekomen, was zijn eerste gedachte den man te volgen, die hem misschien op het spoor zou brengen, dat hij zocht. Hij wilde in allen gevalle den man van dichterbij zien en het raadsel oplossen. Maar hij bedacht zich te lang; reeds was de man uit het gezicht verdwenen. Hij was een zijstraat ingegaan en Marius kon hem niet wedervinden.

Deze ontmoeting hield hem eenige dagen bezig; eindelijk vergat hij ze. – ’t Is in allen gevalle waarschijnlijk ook niets anders dan een gelijkenis, dacht hij.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *