Maandag, 20/04/2026 - 09:06

Marius, wiens hart bedrukt was, wilde het soort van observatorium dat hij uitgevonden had, verlaten, toen een gerucht zijn aandacht trok en er hem deed blijven.

Eensklaps werd de deur van het vertrek geopend. De oudste dochter verscheen op den drempel. Zij droeg grove mansschoenen met slijk overdekt, die tot aan haar roode enkels was gespat, en een oude gescheurde mantille, die ze niet gedragen had, toen Marius haar vóór een uur had gezien, maar die zij waarschijnlijk aan de deur had nedergelegd, om te meer medelijden te verwekken, en bij ’t heengaan weder omgedaan had. Zij trad binnen, stiet de deur achter zich dicht, stond [189]even stil om in den adem te schieten, want zij hijgde vreeselijk, en riep toen op zegevierenden verheugden toon:

„Hij komt!”

De man hief de oogen op, de vrouw wendde het hoofd om, het zusje bewoog zich niet.

„Wie?” vroeg de vader.

„De mijnheer.”

„De menschenvriend?”

„Ja.”

„Van de kerk St. Jacques?”

„Ja.”

„Die oude?”

„Ja.”

„Zal hij spoedig komen?”

„Hij volgt mij.”

„Is ’t zeker?”

„Gewis. – In een huurrijtuig.”

„In een huurrijtuig! ’t Is een Rothschild!”

De vader stond op.

„Hoe zijt ge hier zeker van? Als hij per rijtuig komt, hoe komt het dan, dat ge hier vóór hem zijt? Hebt ge hem ten minste het adres wel gegeven? Hebt ge hem wel gezegd, dat het de laatste deur rechts aan het einde van de gang is? Als hij zich maar niet vergist! Ge hebt hem dus in de kerk gevonden? Heeft hij mijn brief gelezen? Wat heeft hij u gezegd?”

„Ho! ho! ho!” riep de dochter, „wat draaft ge door, man! Ik zal u zeggen: ik trad de kerk binnen, vond hem op zijn gewone plaats, boog voor hem en stelde hem den brief ter hand. Hij las hem en zeide mij: „Waar woont ge, mijn kind?” Ik antwoordde: Ik zal ’t u wijzen, mijnheer. „Neen,” zeide hij; „geef mij uw adres; mijn dochter heeft nog eenige boodschappen te doen, ik zal een rijtuig nemen en er even spoedig zijn als gij.” Ik gaf hem het adres. Toen ik hem het huis aanduidde, scheen hij een oogenblik verwonderd en aarzelend, maar zeide eindelijk: „Om ’t even, ik zal gaan.” Toen de mis geëindigd was, zag ik hem met zijn dochter de kerk verlaten, en beiden in een huurrijtuig plaats nemen. Ik heb hem duidelijk gezegd de laatste deur rechts, aan ’t einde van de gang.”

„Wat geeft u zekerheid, dat hij komen zal?”

„Ik heb de huurkoets gezien, toen zij de straat Petit-Banquier inreed, daarom heb ik zoo hard geloopen.”

„Hoe weet ge, dat het dezelfde huurkoets is?”

„Wijl ik het nummer ervan had onthouden.”[190]

„Welk nummer?”

„440.”

„Goed, ge zijt een schrandere meid.”

Met stouten blik aanschouwde zij haar vader, en hem op de schoenen wijzende, die zij aan de voeten had, zeide zij:

„Schrander, ’t is mogelijk, maar ik zeg u, dat ik deze schoenen niet meer aandoe en ze niet meer hebben wil; vooreerst om mijn gezondheid, en dan om de zindelijkheid. Er is niets hatelijker dan zolen die het water inzuigen, en onderweg spatten. Ik ga liever barrevoets.”

„Ge hebt gelijk,” antwoordde de vader op vriendelijken toon, die bij de ruwheid van de dochter sterk uitkwam; „maar dan zal men u niet meer in de kerken toelaten; armen moeten schoenen hebben. Men gaat niet barrevoets tot den goeden God,” voegde hij er bitter bij. En op het oogenblik terugkomende, dat hem bezighield: „Nu, zijt ge zeker, heel zeker, dat hij komt?”

„Hij volgt mij op de hielen,” was het antwoord.

De man richtte het hoofd op. Er kwam een soort van glans op zijn gezicht.

„Vrouw,” riep hij, „hoort ge. De menschenvriend komt. Doof het vuur uit.”

De verbaasde moeder bewoog zich niet.

Met de vlugheid van een koordedanser nam de vader een gebersten pot van den schoorsteen en wierp water op de rookende spaanders.

Toen zeide hij tot zijn oudste dochter:

„Komaan, ruk de mat uit den stoel.”

Zijn dochter begreep hem niet.

Hij greep den stoel en trapte de mat ervan in, zoodat zijn been er doorging.

Terwijl hij zijn been er weer uittrok, vroeg hij aan zijn dochter:

„Is ’t koud?”

„Fel koud; het sneeuwt.”

Zich toen tot zijn dochter wendende, die op het bed bij het venster zat, riep hij haar toe, met donderende stem:

„Haast u, van ’t bed, luiwammes! Zult ge dan nooit iets doen! sla een ruit in!”

Bibberend sprong het meisje van het bed.

„Sla een ruit in!” herhaalde hij.

Het kind was als versuft.

„Hoort ge niet?” herhaalde de vader, „ik zeg u, dat ge een ruit moet stuk slaan.”

Met angstige gehoorzaamheid richtte het meisje zich op de [191]teenen omhoog, en sloeg met haar vuist een glasruit stuk. Het glas viel rinkelend op den grond.

„Goed,” zei de vader.

Hij was ernstig en driftig. Zijn blik doorvloog haastig al de hoeken van ’t vertrek.

Hij geleek een veldheer, met de laatste toebereidselen voor een veldslag bezig, die zoo aanstonds beginnen zal.

De moeder, die nog niet gesproken had, richtte zich op en vroeg met zulk een langzame en doffe stem, alsof de woorden die zij sprak bevrozen waren:

„Lieve man, wat wilt ge doen?”

„Ga naar bed,” antwoordde de man.

De toon, waarop dit gezegd werd, gedoogde geen bedenking. De moeder gehoorzaamde en wierp zich loom en zwaar op een der kribben.

Intusschen hoorde men in een hoek snikken.

„Wat is er?” vroeg de vader.

De jongste dochter toonde haar bloedende hand, zonder uit den donkeren hoek te voorschijn te komen, waarin zij was neergehurkt. Zij had zich met het stuk slaan der ruit gekwetst; en was naar het bed harer moeder gegaan, waar zij stil weende.

’t Was nu de beurt der moeder om zich op te richten en te schreeuwen.

„Zie nu, wat voor domheden gij begint; zij heeft zich aan het glas gesneden, toen zij het stuk sloeg.”

„Des te beter,” zei de man, „ik had er op gerekend…”

„Wat? des te beter?” hernam de vrouw.

„Zwijg!” riep de vader, „ik hef de vrijheid der pers op!”

En van het vrouwenhemd, dat hij droeg, scheurde hij een lap af, en wond dien schielijk om de bloedende hand van het meisje.

Na dit gedaan te hebben, sloeg hij een tevreden blik op zijn gescheurd hemd.

„Ook het hemd,” zeide hij, „alles heeft nu een goed aanzien.”

Een ijskoude wind floot door de ruit in de kamer. De mist drong binnen en verspreidde zich door het vertrek. De wind joeg de sneeuw binnen. De koude, welke de zon van den vorigen dag, van Maria-lichtmis, had beloofd, was inderdaad gekomen.

De vader sloeg zijn blik in ’t rond, als wilde hij zich overtuigen, dat hij niets vergeten had. Hij nam een oude schop, en strooide asch op de bevochtigde spaanders aan den haard, om ze geheel te verbergen.

Toen richtte hij zich op, en tegen den schoorsteen leunend, zeide hij: „Nu kunnen wij den menschenvriend afwachten.”

 

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *