Javert had, zoodra het donker werd, agenten op de loer gesteld en zelf zich achter de boomen der straat de la Barrière der Gobelins tegenover het huis Gorbeau en den boulevard verscholen. Hij was begonnen met de twee meisjes te willen inpakken, die gelast waren de toegangen van het huis te bewaken. Doch hij had alleen Azelme gevat. Eponine was niet meer op haar post, maar verdwenen, en hij had haar niet kunnen vangen. Toen had Javert gewacht naar het afgesproken teeken. Het heen en weder rijden van het huurrijtuig had hem in niet geringe onrust gebracht. Eindelijk was hij ongeduldig geworden, en in de overtuiging dat hier een nest was, en zeker dat er een vangst was te doen, wijl hij verscheidene bandieten had herkend, die waren binnengegaan, besloot hij ten laatste ook binnen te gaan, zonder langer op het pistoolschot te wachten.
Men weet, dat hij den huissleutel van Marius had. Hij was te juister ure gekomen.
De verschrikte bandieten wierpen zich op de wapens, welke zij in alle hoeken hadden geworpen, toen zij wilden vluchten. In minder dan een seconde tijds groepeerden zich deze zeven afschuwelijke lieden in een verdedigende houding, de eene met zijn bijl, de andere met zijn sleutel, de derde met den knuppel, de anderen met staven, tangen en hamers; Thénardier met het mes in de hand. Vrouw Thénardier nam een grooten straatsteen, die in een hoek lag en haar dochters tot zitbankje diende.
Javert zette den hoed weder op, deed een paar schreden in de kamer, met de armen over elkander, den stok onder den arm, den degen in de scheede.
„Halt!” riep hij. „Gij zult niet door het venster, maar door de deur gaan; dit is niet zoo gevaarlijk. Gij zijt zeven man sterk, wij zijn met ons vijftienen. Laat ons dus niet als straatjongens vechten. Houdt uw fatsoen.”
Bigrenaille nam een pistool, dat hij onder zijn kiel droeg, en gaf het Thénardier, dezen in ’t oor fluisterend: „’t Is Javert. Ik durf op dien man niet te schieten. Durft gij?”
„Waarom niet?” antwoordde Thénardier.
„Schiet dan!”
Thénardier nam het pistool, en legde op Javert aan.
Javert, die drie schreden van hem stond, aanschouwde hem strak en zeide niets anders dan:
„Schiet niet; het pistool zal ketsen.”
Thénardier drukte af. Het pistool weigerde.
„Heb ik ’t niet gezegd!” riep Javert.
Bigrenaille wierp zijn knots Javert voor de voeten, en zeide:
„Gij zijt de keizer der duivels! ik geef mij over.”
„En gij?” vroeg Javert de andere bandieten.
Zij antwoordden:
„Wij ook.”
Javert hernam bedaard:
„Zoo is ’t goed, ik heb u immers gezegd, dat ge uw fatsoen moest houden.”
„Slechts één verzoek,” hernam Bigrenaille; „dat men mij tabak geve, zoo lang ik opgesloten ben.”
„Toegestaan,” zei Javert.
En zich omkeerende, riep hij:
„Komt nu binnen!”
Verscheiden stadssergeanten, met den degen in de vuist, en politieagenten, met knuppels en stokken gewapend, stormden toe op Javerts geroep. Men knevelde de bandieten. Deze troep menschen, ternauwernood door een kaars beschenen, vervulden het hol met duisternis.
„Allen de duimschroeven aangelegd!” riep Javert.
„Nadert als ge durft,” riep een stem, die geen mannenstem scheen, doch welke niemand voor een vrouwenstem zou erkend hebben. Vrouw Thénardier had zich in een hoek bij het venster verschanst en deze woorden uitgebraakt.
De stadssergeanten en politieagenten traden achteruit.
Zij had haar shawl afgeworpen, maar haar hoed opgehouden; haar man, achter haar gehurkt, was schier onzichtbaar onder den gevallen shawl, en zij dekte hem met haar lichaam, terwijl zij met beide handen den straatsteen boven haar hoofd hief, als een reuzin die een rotsklomp wil slingeren.
„Neemt u in acht!” riep zij.
Allen deinsden naar de gang. Een groote ruimte ontstond in ’t midden van ’t vertrek.
Vrouw Thénardier sloeg een blik op de bandieten, die zich hadden laten binden, en mompelde met schorre, barsche stem:
„Lafaards!”
Javert trad glimlachend in de ledige ruimte, die vrouw Thénardier met bliksemende oogen beheerschte.
„Nader niet, ga!” riep zij, „of ik verpletter u!”
„Een grenadier!” riep Javert; „ge hebt een baard als een man, wijfje, maar ik heb nagels als een vrouw.”
Hij naderde haar dichter.
Vrouw Thénardier, die schrikkelijk was om te zien, met haar woest vliegend haar, zette de beenen van elkander, boog zich achterover en wierp uit alle macht de straatkei naar Javerts hoofd. Javert bukte, de steen vloog over hem, tegen den muur, waarvan brokken kalk vielen, en rolde achter de voeten van Javert.
Ter zelfder tijd naderde Javert het echtpaar Thénardier. Hij legde een zijner forsche vuisten op den schouder der vrouw, en de andere op het hoofd van den man.
„De duimschroeven!” riep hij.
De politieagenten kwamen toeschieten, en in weinige seconden was Javerts bevel volbracht.
Vrouw Thénardier was als verpletterd, zij zag haar handen en die van haar man gekneveld, zonk op den grond en riep weenend:
„Mijn dochters!”
„Zij zijn in zekerheid,” zei Javert.
Ondertusschen hadden de politieagenten den slapenden dronkaard achter de deur gevonden en schudden hem. Hij werd wakker en stamelde:
„Is ’t gedaan, Jondrette?”
„Ja,” antwoordde Javert.
De zes bandieten stonden gekneveld; zij hadden overigens nog hun spookachtig voorkomen; drie met zwartgemaakte gezichten, drie gemaskerd.
„Houdt uw maskers,” zei Javert.
Hij monsterde ze toen met een blik als dien van Frederik II op de parade van Potsdam, en zeide tot de drie „stokers”:
„Goeden dag, Bigrenaille! Goeden dag, Brujon! Goeden dag, Deux-Milliards!”
En zich toen tot de drie gemaskerden wendende, zeide hij tot den man met de bijl:
„Goeden dag, Gueulemer!”
Tot den man met den knuppel:
„Goeden dag, Babet!”
En tot den buikspreker:
„Wees gegroet, Claquesous!”
In hetzelfde oogenblik ontdekte hij den gevangene der bandieten, die sedert de komst der politieagenten geen woord had gesproken en zijn hoofd gebogen hield.
„Maakt mijnheer los!” zei Javert, „en dat niemand de kamer verlate!”
Dit gezegd hebbende ging hij met waardigheid aan de tafel zitten, waarop nog de kaars en de inktpot stonden, nam een gezegeld papier uit zijn zak en begon zijn proces-verbaal.
Toen hij eenige regels geschreven had, behelzende de gewone formules, sloeg hij de oogen op, zeggende:
„Laat de heer naderen, dien deze heeren gebonden hadden.”
De agenten zagen naar hem om.
„Nu,” vroeg Javert, „waar is hij?”
De gevangene der bandieten, de heer Leblanc, de heer Urbain Fabre, de vader van Ursula of de Leeuwerik, was verdwenen.
De deur was bewaakt, maar het venster niet. Zoodra hij los was en terwijl Javert het proces-verbaal schreef, had hij van de verwarring, het gewoel, het gedrang, de duisternis en van ]een oogenblik dat men niet op hem lette, gebruik gemaakt om door het venster te ontvluchten.
Een agent ijlde naar het raam en zag er uit. Hij zag niemand.
De touwladder slingerde nog.
„Verduiveld!” zei Javert binnensmonds, „dit moest de beste van de vangst zijn!”
















