Maandag, 20/04/2026 - 09:07

Boek VIII. De slechte arme


Hoofdstuk I. Marius zoekt een meisje met een hoed, en ontmoet een man met een pet

De zomer verstreek, daarna de herfst; de winter kwam. Noch mijnheer Leblanc noch zijn dochter hadden weder een voet in het Luxemburg gezet. Marius dacht aan niets, dan hoe hij haar lief en bekoorlijk gezicht zou kunnen wederzien. Hij zocht immer, hij zocht overal, maar vond niets. Hij was niet meer...

Hoofdstuk II. Een vond

Marius woonde nog altijd in het huis Gorbeau. Hij lette er op niemand. Op dat tijdstip waren trouwens in dat huis geen andere [171]bewoners dan hij en de familie Jondrette, voor wie hij eens de huur had betaald, zonder overigens ooit met den vader, de moeder of de dochters gesproken te hebben. De...

Hoofdstuk III. Vier brieven

Toen hij zich ’s avonds ontkleedde om naar bed te gaan, voelde hij in den zak van zijn jas het pakje, dat hij op den boulevard had opgeraapt. Hij had er niet meer aan gedacht. Nu meende hij, dat het nuttig kon zijn het te openen, wijl het misschien het adres der meisjes kon bevatten, […]

Hoofdstuk IV. Een roos in ellende

Een zeer jong meisje stond in de open deur. Het zoldervenster, door ’t welk het licht in het vertrek viel, was recht tegenover de deur en verlichtte deze gestalte met een vaal schijnsel. Het meisje was bleek, tenger, mager; slechts een hemd en een rok bedekten haar bibberende naakte lijf. Een...

Hoofdstuk V. Het spiegat

Marius, die sedert vijf jaren in armoede, in ontbering en zelfs in nood had geleefd, zag nu, dat hij de wezenlijke ellende der armoede niet gekend had. Hij had ze nu gezien. ’t Was het spooksel, dat zooeven voorbij zijn oogen was gegaan. Inderdaad, die slechts de ellende van den man heeft gezien,...

Hoofdstuk VI. De wilde mensch in zijn hol

De steden hebben, even zoowel als de wouden, haar holen, waarin zich het boosaardigste en schrikkelijkste wat zij bevatten verbergt. Maar in de steden is, hetgeen zich aldus verbergt, wild, onrein en nietig; dat wil zeggen leelijk; wat zich in de wouden verbergt is wreed, wild en groot, dat wil...

Hoofdstuk VII. Strategie en tactiek

Marius, wiens hart bedrukt was, wilde het soort van observatorium dat hij uitgevonden had, verlaten, toen een gerucht zijn aandacht trok en er hem deed blijven. Eensklaps werd de deur van het vertrek geopend. De oudste dochter verscheen op den drempel. Zij droeg grove mansschoenen met slijk...

Hoofdstuk VIII. Een lichtstraal in het hol

Het groote meisje naderde en legde haar hand op die haars vaders, zeggende: „Voel, hoe koud ik ben.” „Och,” antwoordde de vader, „ik ben nog kouder dan gij.” De moeder riep heftig: „Gij, gij hebt immers altijd alles beter dan anderen; tot zelfs het kwade toe.” „Zwijg!” zei de...

Hoofdstuk IX. Jondrette weent bijna

Het was zoo donker in het vertrek, dat degenen, die van buiten kwamen, aanvankelijk in een kelder meenden te gaan. De beide zoo even gekomenen naderden dus eenigszins aarzelend, nauwelijks de voorwerpen kunnende onderscheiden, terwijl zij volkomen gezien en opgenomen werden door de oogen der...

Hoofdstuk X. Tarief der huurrijtuigen: twee francs in ’t uur

Niets van dit tooneel was aan Marius ontgaan, en evenwel had hij er inderdaad weinig van gezien. Zijn oogen waren steeds gericht geweest op de jonge dame, zijn hart had haar om zoo te spreken geheel omvat en opgenomen, zoodra zij dit vertrek was binnengekomen. Zoolang zij er geweest was, had hij in...

Hoofdstuk XI. Dienstaanbieding van de armoede aan de smart

Marius ging langzaam de trap op; toen hij zijn kamertje wilde binnengaan, zag hij achter zich, in de gang, de oudste dochter van Jondrette die hem volgde. Haar gezicht verwekte hem afkeer, zij was het, die zijn vijf francs had, ’t was te laat om ze haar terug te vragen, de cabriolet was er niet...

Hoofdstuk XII. Besteding van het vijffrancsstuk van den heer Leblanc

Niets was in het aanzien van het gezin veranderd, dan dat de vrouw en dochters het pak kleeren verdeeld en de wollen kousen en jakken aangetrokken hadden. Twee nieuwe dekens waren op de beide kribben gelegd. Jondrette was blijkbaar juist binnengekomen. Hij hijgde nog van de buitenlucht. Zijn...

Hoofdstuk XIII. Twee alleen bidden niet op een afgelegen plaats

Hoe droomerig Marius tegenwoordig ook was, bezat hij echter, zooals wij gezegd hebben, een vaste, krachtige natuur. Zijn eenzaam, denkend leven, dat deelneming en medelijden in hem ontwikkelde, had wellicht zijn driftigen aard eenigszins getemperd, maar zijn afkeer van wat laag en verachtelijk is...

Hoofdstuk XIV. Waarin een politieagent twee pistolen aan een advocaat geeft

Aan het huis No. 14 in de rue de Pontoise gekomen, klom Marius naar de eerste verdieping en verzocht den commissaris van politie te spreken. „Mijnheer de commissaris is hier niet,” zei een schrijver; „maar er is hier een inspecteur die hem vervangt. Wilt ge dezen spreken? Is er haast bij?”...

Hoofdstuk XV.  Jondrette doet inkoopen

Eenige oogenblikken later, tegen drie uren, ging Courfeyrac toevallig door de straat Mouffetard in gezelschap van Bossuet. De sneeuw viel sterker dan vroeger en bedekte den weg. Bossuet zeide tot Courfeyrac: „Bij het zien van al deze sneeuwvlokken zou men zeggen, dat er in den hemel een pest...

Hoofdstuk XVI. Het liedje op een Engelsche wijs, in 1832 in de mode

Marius ging op zijn bed zitten. Het kon half zes zijn geweest. Nog slechts een half uur scheidde hem van ’t geen zou gebeuren. Hij hoorde zijn aderen kloppen, zooals men een horloge in de duisternis hoort. Hij dacht aan den dubbelen gang, die in dit oogenblik in de duisternis gemaakt werd: de...

Hoofdstuk XVII. Hoe het vijffrancsstuk van Marius besteed werd

Marius oordeelde dat het oogenblik gekomen was, om zich weder op zijn observatorium te begeven. In een oogwenk, en met de vlugheid der jeugd, was hij voor de opening in den wand. Hij zag er door. Het verblijf van Jondrette had een zonderling aanzien, en Marius ontdekte nu de oorzaak van het...

Hoofdstuk XX. De hinderlaag

De deur van het vertrek werd eensklaps geopend en drie mannen in blauwlinnen kielen, met zwart papieren maskers voor, traden te voorschijn. De eerste was mager en had een langen met ijzer beslagen knuppel, de tweede, een soort van kolossus, droeg bij het midden van den steel een zware bijl,...

Hoofdstuk XXI. Men moet altijd eerst de offers vatten

Javert had, zoodra het donker werd, agenten op de loer gesteld en zelf zich achter de boomen der straat de la Barrière der Gobelins tegenover het huis Gorbeau en den boulevard verscholen. Hij was begonnen met de twee meisjes te willen inpakken, die gelast waren de toegangen van het huis te...

Hoofdstuk XXII. De kleine die in het tweede deel schreeuwde

Den dag, nadat deze gebeurtenissen in het huis op den boulevard de l’Hopital waren voorgevallen, ging een knaap, die van de brug van Austerlitz scheen te komen, langs het rechter voetpad naar de barrière van Fontainebleau. ’t Was een donkere avond. Deze knaap was bleek, mager, in lompen...

Hoofdstuk XVIII. De twee stoelen van Marius staan tegenover elkander

Eensklaps deed de verwijderde, treurige klank eener klok de glasruiten trillen. Het sloeg op St. Médard zes uren. Jondrette knikte bij iederen klokslag met het hoofd. Na den zesden slag snoot hij de kaars met zijn vingers. Toen ging hij door de kamer, luisterde in de gang, ging en luisterde weder....

Hoofdstuk XIX. Een donkere achtergrond

Nauwelijks zat de heer Leblanc of hij wendde de oogen naar de ledige kribben. „Hoe gaat het met de kleine gewonde?” vroeg hij. „Slecht,” antwoordde Jondrette treurig, met verplichtenden glimlach, „zeer slecht, mijn waarde heer. Haar zuster is met haar uitgegaan om haar te laten verbinden....