Maandag, 20/04/2026 - 09:59

Aan het huis No. 14 in de rue de Pontoise gekomen, klom Marius naar de eerste verdieping en verzocht den commissaris van politie te spreken.

„Mijnheer de commissaris is hier niet,” zei een schrijver; „maar er is hier een inspecteur die hem vervangt. Wilt ge dezen spreken? Is er haast bij?”

„Ja,” zei Marius.

De klerk voerde hem in het vertrek van den commissaris. Een man van rijzige gestalte stond achter een traliehek tegen een kachel, met beide handen de slippen van een ruime overjas met drie kragen ophoudende. ’t Was een vierkant gezicht, met dunne krachtige lippen, zwarte, halfgrijze bakkebaarden en een blik, die uw zakken scheen om te keeren. Men zou van dien blik hebben kunnen zeggen, niet dat hij doordringend was, maar dat hij omwoelde.

Het voorkomen van dien man was weinig minder wreed en geducht dan dat van Jondrette; de dog is soms niet minder gevaarlijk dan de wolf.

„Wat wilt ge?” zeide hij tot Marius, zonder hem mijnheer te noemen.

„Mijnheer de commissaris van politie?”

„Hij is afwezend. Ik vervang hem.”

„’t Betreft een zeer geheime zaak.”

„Spreek dan.”

„Er is veel haast bij.”

„Spreek dan spoedig.”

Deze kalme, barsche man was tegelijk schrikbarend en geruststellend. Hij boezemde vrees en vertrouwen in. Marius verhaalde hem de zaak. – Dat iemand, dien hij slechts van gezicht kende, dien avond in een hinderlaag zou worden gelokt; – dat hij, Marius Pontmercy, advocaat, de kamer naast het vertrek waar het plan beraamd was bewonende, door den dunnen wand de geheele overlegging gehoord had – dat de aanlegger van het plan Jondrette heette; – dat hij zeker medeplichtigen zou hebben, waarschijnlijk barrière-schooiers, onder anderen een zekeren Panchaud, genoemd Printanier of Bigrenaille; – dat de dochters van Jondrette op wacht zouden staan – dat er geen middel bestond om den bedreigden persoon te waarschuwen, aangezien men zijn naam niet kende; – en eindelijk, dat dit alles ’s avonds te zes uren op de eenzaamste plek van den boulevard de l’Hôpital zou worden uitgevoerd, in het huis No. 50–52.

Toen de inspecteur dit nummer hoorde noemen, hief hij het hoofd op en zeide koel:

„’t Is dus in de kamer aan ’t einde van de gang?”

„Juist,” zei Marius, en hij voegde erbij: „kent ge dat huis?”

De inspecteur zweeg een oogenblik, toen antwoordde hij, terwijl hij den zool van zijn laars voor de opening van de kachel warmde:

„Wel mogelijk.”

Hij voegde er binnensmonds, minder tot Marius dan tot zijn das sprekende, bij:

„Daar moet iets van Patron-Minette onder schuilen.”

Die naam trof Marius.

Patron-Minette,” zeide hij. „Ik heb inderdaad dat woord hooren noemen.”

En hij verhaalde aan den inspecteur het gesprek tusschen den langharigen en den gebaarden man, die in de sneeuw, achter den muur der straat Petit-Banquier zaten.

De inspecteur mompelde:

„De langharige moet Brujon zijn, en de gebaarde Demi-Liard, genaamd Deux-Milliards.”

Hij sloeg de oogen neder en dacht na.

„Den ouden Chose vermoed ik er ook bij. Daar heb ik mijn jas gebrand. Men stookt deze vervloekte kachels altijd zoo hard. Nummer 50 – 52, vroeger ’t huis Gorbeau.”

Toen sloeg hij zijn blik op Marius en vroeg:

„Hebt ge niemand dan dien gebaarde en dien langharige gezien?”

„En Panchaud.”

„Hebt ge er ook niet een kleinen modegek zien zwerven?”

„Neen.”

„Noch een dikken, die op den olifant in den plantentuin gelijkt?”

„Neen.”

„Noch een kerel, die zoo rood als een vos is?”

„Neen.”

„Nu, niemand ziet dezen vierde, zelfs niet zijn adjudanten, bedienden en ondergeschikten. ’t Is dus niet te verwonderen, dat gij hem niet gezien hebt.”

„Wie zijn al deze menschen?” vroeg Marius.

De inspecteur antwoordde:

„’t Is trouwens hun uur niet.”

Weder zweeg hij, waarna hij hernam:

„No. 50 – 52! Ik ken dat hol. – ’t Is onmogelijk ons er in te verbergen zonder dat de acteurs het zien; en dan zouden zij er af zijn met het kluchtspel niet op te voeren. Zij zijn zoo bescheiden; het publiek hindert hen. Dat niet, dat niet! Ik wil ze hooren zingen en ze laten dansen.”

Na deze alleenspraak wendde hij zich tot Marius en vroeg, hem strak in de oogen ziende:

„Zijt ge bang?”

„Waarvoor?” zei Marius.

„Voor die lieden?”

„Evenmin als voor u!” antwoordde Marius ruw, die er op begon te letten, dat deze politiebeambte hem nog niet mijnheer had genoemd.

De inspecteur zag Marius nog strakker in de oogen en hernam met een soort van plechtigen nadruk:

„Gij spreekt als een moedig, eerlijk man. De moed vreest de misdaad niet, evenmin als de eerlijkheid het gezag.”

Marius viel hem in de rede:

„Goed, maar wat zijt ge voornemens?”

De inspecteur antwoordde niets anders dan:

„De bewoners van dat huis hebben ieder een sleutel van de voordeur om ’s nachts te kunnen binnenkomen. Gij hebt er zeker ook een, niet waar?”

„Ja,” zei Marius.

„Hebt ge hem bij u?”

„Ja.”

„Geef hem mij,” zei de inspecteur.

Marius nam den sleutel uit zijn zak, en gaf hem den inspecteur, zeggende:

„Zoo ik u raden mag, breng dan versterking mede.”

De inspecteur sloeg een blik op Marius als Voltaire op een lid der academie uit de provincie zou hebben geslagen, die hem een vers had voorgesteld; hij stak tegelijkertijd zijn twee groote handen in de wijde zakken van zijn jas, haalde er twee zakpistolen uit, die hij Marius aanbood, terwijl hij kortaf en schielijk zeide:

„Neem deze. Ga weder naar huis. Verberg u in uw kamer, zoodat men gelooft dat ge uit zijt. Zij zijn geladen; ieder met twee kogels. Let wel op: gij hebt mij gezegd dat er een gat in den muur is. De lieden zullen komen. Laat hen een weinig hun gang gaan. Als ge oordeelt dat het genoeg is en tijd wordt hen tegen te houden, los dan een pistoolschot in de lucht, tegen den zolder, om ’t even waar. Maar vooral niet te vroeg. Wacht totdat er een begin van uitvoering is. Ge zijt advocaat en weet wat dat te zeggen is.”

Marius nam de pistolen en stak ze in den zijzak van zijn jas.

„Dat veroorzaakt een bult, men kan ’t zien,” zei de inspecteur. „Steek ze liever in uw broekzakken.”

Marius deed het.

„Nu is er voor niemand een minuut meer te verliezen,” vervolgde de inspecteur. „Hoe laat is het? half drie. Dus te zeven uren?”

„Om zes uur,” zei Marius.

„Ik heb den tijd,” hernam de inspecteur, „maar ook niet meer dan den tijd. Vergeet niets van ’t geen ik u gezegd heb. Één pistoolschot.”

„Wees gerust,” antwoordde Marius.

En terwijl Marius de hand aan den deurknop sloeg om te gaan, riep de inspecteur hem toe:

„Mocht ge mij vóór dien tijd noodig hebben, kom dan of zend iemand. Laat naar den inspecteur Javert vragen.”

 

 

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *