Maandag, 20/04/2026 - 07:29

Nauwelijks zat de heer Leblanc of hij wendde de oogen naar de ledige kribben.

„Hoe gaat het met de kleine gewonde?” vroeg hij.

„Slecht,” antwoordde Jondrette treurig, met verplichtenden glimlach, „zeer slecht, mijn waarde heer. Haar zuster is met haar uitgegaan om haar te laten verbinden. Ge zult ze aanstonds zien, als zij terugkomen.”

„Uw vrouw schijnt beter te zijn?” hernam mijnheer Leblanc, een blik op den zonderlingen opschik van vrouw Jondrette slaande, die tusschen hem en de deur stond, als wilde zij den uitgang bewaken, en hem in een dreigende houding aanziende.

„Zij is doodziek,” zei Jondrette. „Maar wat zal men zeggen, mijnheer! zij bezit een wonderbaar sterke geestkracht. ’t Is geen vrouw, ’t is een os.”

Vrouw Jondrette, door dit compliment gestreeld, hernam met de liefelijkheid van een gevleid monster:

„Ge zijt steeds al te goed voor mij, Jondrette!”

„Jondrette,” zei de heer Leblanc, „ik meende dat uw naam Fabantou was?”

„Fabantou, genaamd Jondrette!” hernam de man schielijk. „Een acteurs-bijnaam.” En terwijl hij zijn vrouw een blik toewierp, dien de heer Leblanc niet zag, vervolgde hij, op een toon van vriendelijke ophemeling:

„O, wij hebben altijd heel goed met elkander geleefd, mijne arme lieve vrouw en ik! Wat zouden wij anders ook gehad hebben? Wij zijn zoo ongelukkig, mijn eerbiedwaardige heer! Men heeft armen, maar geen arbeid! men heeft goeden wil, maar geen werk! Ik weet niet, hoe de regeering hieromtrent handelt, maar op mijn woord van eer mijnheer, ik ben geen jakobijn, geen slecht burger, mijnheer, ik wensch haar niets geen kwaad; maar zoo ik een der ministers was, ’t zou, zoo waar ik leef, anders gaan. Bijvoorbeeld, ik wilde mijn dochters het doozen maken laten leeren. Hoe, een beroep? zult ge zeggen. Ja! een beroep! een broodwinning. Welk een val! mijn weldoener! welk een vernedering, na geweest te zijn wat wij waren! Helaas! er is niets overgebleven van onze dagen van voorspoed. Niets ter wereld dan een schilderij, waaraan ik veel waarde hecht, maar waarvan ik mij toch zou willen ontdoen, want men moet leven, ja, men moet leven!”

Terwijl Jondrette aldus schijnbaar verward sprak, doch zonder dat dit iets aan de sluwe, bezadigde uitdrukking van zijn gelaat ontnam, sloeg Marius de oogen op en zag op den achtergrond van het vertrek iemand, dien hij nog niet gezien had. Een man was zoo zacht binnengekomen, dat men de deur niet had hooren opengaan. Deze man droeg een vuil gelen gebreiden borstrok, versleten en vol gaten, een wijde pantalon van katoenfluweel, sokken aan de voeten, geen overhemd, blooten hals, bloote getatoueerde armen, terwijl zijn gezicht was zwart gemaakt. Hij had stil, met over elkander geslagen armen op het naaste bed plaats genomen, en wijl hij achter vrouw Jondrette zat, kon men hem slechts onduidelijk zien.

Een soort van magnetisch instinct, dat den blik waarschuwt, veroorzaakte, dat de heer Leblanc schier tegelijkertijd met Marius omzag. Hij kon een gebaar van verwondering niet bedwingen, ’t welk Jondrette opmerkte.

„Ha, ik zie!” riep Jondrette, met een houding van welgevallen zijn jas dichtknoopende, „gij beziet mijn jas? Hij zit mij goed, niet waar, hij zit mij goed!”

„Wie is die man?” vroeg de heer Leblanc.

„Hij?” hernam Jondrette. „Een buurman, laat hij u niet hinderen.”

De buurman zag er zeer zonderling uit. Maar in de voorstad Saint Marceau zijn veel fabrieken van chemicaliën. De meeste werklieden in die fabrieken hebben een zwart gezicht. Overigens gaf het geheele voorkomen van den heer Leblanc het eerlijkst en onverschrokkenst vertrouwen te kennen. Hij hernam:

„Vergeving, wat zeidet gij ook, mijnheer Fabantou?”

„Ik zeide u, mijnheer en waarde beschermer,” hernam Jondrette, de ellebogen op de tafel leggende en den heer Leblanc met strakke, teedere oogen, als die van een boaslang, aanstarende, „ik zeide u, dat ik een schilderij te koop had.”

Een zacht gerucht liet zich aan de deur hooren. Een tweede persoon trad binnen en zette zich op het bed, achter vrouw Jondrette. Evenals de eerste had hij bloote armen en een masker van inkt of roet voor ’t gezicht.

Hoewel deze man letterlijk de kamer was binnengeslopen, had de heer Leblanc hem evenwel opgemerkt.

„Sla er geen acht op,” zei Jondrette. „’t Zijn lieden van het huis. Ik zeide dan, dat mij nog een kostbare schilderij was overgebleven…. Zie hier, mijnheer, zie.”

Hij stond op, ging naar den muur, waartegen het bord waarvan wij gesproken hebben stond, en draaide het om, terwijl hij ’t echter tegen den muur liet staan. ’t Was werkelijk iets dat een schilderij geleek en door de kaars min of meer in het licht kwam. Marius kon er niets van onderscheiden, wijl Jondrette tusschen hem en de schilderij stond; hij zag slechts onduidelijk een soort van hoofdpersoon in ruw kladwerk, met harde kleuren als van een uithangbord.

„Wat is dat?” vroeg de heer Leblanc.

Jondrette sprak met ophef:

„Een meesterstuk, een kostbare schilderij, mijn weldoener! ik ben er niet minder aan gehecht dan aan mijne beide dochters; het wekt dierbare herinneringen in mij op; maar ik zeg nog eens en wil mijn woorden niet intrekken, ik ben zoo ongelukkig, dat ik mij ervan moet ontdoen…”

Hetzij toevallig, hetzij dat de heer Leblanc een opwelling van ongerustheid gevoelde, hij wendde zijn blik weder, terwijl hij de schilderij bezag, naar den achtergrond der kamer. Er waren nu vier mannen, drie op het bed zittende en één bij den deurpost staande; alle vier met bloote armen, bewegingloos, en met zwart gemaakte gezichten. Een dergenen die op het bed zaten, leunde tegen den muur met gesloten oogen en scheen te slapen. Hij was oud, en had een vreeselijk aanzien met zijn wit haar en zwart gezicht. De twee anderen schenen jong, de een had een zwaren baard, de andere lang haar, geen hunner droeg schoenen; zij die geen sokken hadden, waren blootsvoets.

Jondrette bespeurde dat de blik van den heer Leblanc op deze mannen was gericht.

„’t Zijn vrienden, buren,” zeide hij. „Zij zijn zwart, wijl zij met kolen omgaan. ’t Zijn stokers. Sla geen acht op hen, mijn weldoener, maar koop mij mijn schilderij af. Heb medelijden met mijn ellende. Ik zal ze u niet duur verkoopen. Hoe hoog schat gij ze?”

„Wel,” zei de heer Leblanc, op Jondrette een schuinschen blik slaande, als iemand die op zijn hoede is; „’t is een uithangbord van een of andere herberg, dat misschien drie francs waard is.”

Jondrette antwoordde heel bedaard:

„Hebt ge uw portefeuille bij u? ik zou mij met duizend kronen tevreden stellen.”

De heer Leblanc stond op, plaatste zich tegen den muur en sloeg een snellen blik door de kamer. Jondrette stond aan zijn linkerzijde bij het venster, en vrouw Jondrette met de vier mannen aan zijn rechterzijde bij de deur. De vier mannen verroerden zich niet en schenen hem zelfs niet te zien; Jondrette begon weder op klagenden toon te spreken, en met zulk een verwilderd oog en erbarmelijke stem, dat de heer Leblanc kon meenen, dat degene dien hij voor zich had, van ellende krankzinnig was geworden.

„Zoo ge mijn schilderij niet koopt, waarde weldoener,” zei Jondrette, „zie ik geen uitkomst en blijft mij niets over dan in het water te springen. Ik wilde mijn dochters kartonwerken laten leeren. Daarvoor heeft men een tafel met zijplankjes noodig, opdat het glas niet op den grond kan vallen; een opzettelijk daarvoor gemaakt fornuis, een pot met drie vakken, voor de verschillende lijmsoorten, al naar zij voor hout, papier [of stoffen moeten dienen, een mes voor het snijden van het karton, een vormblok, een hamertje om de stalen versierselen te spijkeren, penseelen, en de drommel weet wat al meer! en dat alles om vier sous daags te verdienen! en men werkt veertien uren! en ieder doosje gaat dertien malen door de hand der werkster! en het papier bevochtigen! en niets bevlekken! de lijm warm houden! ik zeg u, vier sous daags! hoe wilt ge dat men daarvan leve!”

Terwijl hij dus sprak zag Jondrette den heer Leblanc niet aan, die hem gadesloeg. Het oog van den heer Leblanc was op Jondrette, en dat van dezen op de deur gericht. Marius hield met ingehouden adem beiden in ’t oog.

Mijnheer Leblanc scheen bij zich zelven te vragen:

„Is hij krankzinnig?” Jondrette herhaalde twee of drie keeren in allerlei afwisseling van klaag- en jammertoon: „Mij blijft niets over dan in ’t water te springen! ik ben onlangs daartoe bij de brug van Austerlitz drie treden naar beneden gegaan!”

Eensklaps schitterde zijn dof oog van een helsche vlam; deze kleine man richtte zich op en werd verschrikkelijk; hij trad naar den heer Leblanc en riep hem met donderende stem toe:

„Van dit alles is thans geen sprake! herkent ge mij?”

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *