Niets was in het aanzien van het gezin veranderd, dan dat de vrouw en dochters het pak kleeren verdeeld en de wollen kousen en jakken aangetrokken hadden. Twee nieuwe dekens waren op de beide kribben gelegd.
Jondrette was blijkbaar juist binnengekomen. Hij hijgde nog van de buitenlucht. Zijn dochters zaten op den grond bij den schoorsteen; de oudste verbond de hand der jongste. De vrouw zat met verbaasd gezicht als ineengezegen op de het dichtst bij den haard staande krib. Jondrette liep met groote stappen door het vertrek heen en weder. Zijn oogen hadden een buitengewone uitdrukking.
De vrouw, die beschroomd voor haar man scheen en als van stomme verbazing getroffen, waagde het tot hem te zeggen:
„Wat zegt gij? Zijt ge er zeker van?”
„Gewis! ’t Is wel acht jaar geleden; maar ik herken hem volkomen, ik herkende hem terstond. Is ’t u dan niet dadelijk in het oog gevallen?”
„Neen.”
„Ik heb u toch nog wel gezegd: merk hem goed op! ’t Is zijn gestalte, zijn gezicht, nauwelijks iets verouderd; er zijn lieden die niet verouderen; ik weet niet wat zij er voor doen. ’t Was de toon zijner stem. Hij was beter gekleed, anders niet. Ha, oude geheimzinnige duivel, nu heb ik u!
Hij zweeg en zeide vervolgens tot zijn dochters:
„Gaat!—’t Is zonderling dat ’t u niet in ’t oog is gevallen.”
Zij stonden op om te gaan.
De moeder stamelde:
„Met haar gewonde hand?”
„De lucht zal haar goed doen,” zei Jondrette. „Gaat.”
De man behoorde blijkbaar tot die lieden, welke geen tegenspraak dulden. De beide meisjes gingen.
Juist toen zij uit de deur wilden gaan, hield de vader de oudste bij den arm tegen en zeide op een bijzonderen toon:
„Precies te vijf uren moet ge beiden weder hier zijn. Ik heb u noodig.”
Marius verdubbelde zijn opmerkzaamheid.
Toen Jondrette met zijn vrouw alleen was, ging hij wederom een paar keeren zwijgend het vertrek op en neer. Vervolgens bracht hij eenige oogenblikken door met de slip van het vrouwenhemd, dat hij droeg, weder in zijn broek te stoppen.
Eensklaps wendde hij zich tot zijn vrouw, sloeg de armen over elkander en riep:
„Wil ik u iets zeggen? de jonge dame…”
„Nu wat?” hernam de vrouw, „de jonge dame?”
Marius kon niet twijfelen, ’t was inderdaad van haar, dat men sprak. Met gloeienden angst luisterde hij. Zijn geheel leven lag in zijn ooren.
Jondrette had zich voorover gebogen en zeer zacht met zijn vrouw gesproken. Toen richtte hij zich weder op en zeide luid:
„Deze is ’t!”
„Die?” hernam de vrouw.
„Ja, zij!” herhaalde de man.
’t Is niet mogelijk de uitdrukking weder te geven, die in het woord „die” der moeder lag. In haar afgrijselijken toon waren verwondering, woede, haat, toorn vermengd. Eenige woorden, vermoedelijk de naam, door haar man deze dikke halfslapende vrouw ingefluisterd, waren voldoende geweest om haar op te wekken, en nu werd zij van afzichtelijk vreeselijk.
„Niet mogelijk!” riep zij; „als ik er aan denk, dat mijn dochters blootsvoets gaan en geen kleeren aan ’t lijf hebben. Hoe! een satijnen mantel, een fluweelen hoed, laarsjes, en alles! voor meer dan tweehonderd francs aan ’t lijf! zoodat men haar voor een dame zou moeten houden! neen, ge bedriegt u! daarbij was de andere leelijk, deze ziet er niet slecht uit; zij is waarlijk niet leelijk; zij kan het niet zijn!”
„Ik zeg u, dat zij ’t is. Ge zult zien.”
Bij deze zoo stellige bevestiging hief vrouw Jondrette haar rood, blond gezicht op en zag met een ontstelden blik naar boven! In dezen oogenblik scheen zij Marius nog vreeselijker dan haar man. ’t Was een zeug met den blik van een tijgerin.
„Wat, hernam zij, zou deze afschuwelijke schoone jonge dame, die mijn dochters met een blik van medelijden aanzag, die bedeldeern zijn. O! ik zou haar met mijn klomp den buik willen intrappen.”
Zij sprong van het bed, en bleef een oogenblik staan met hangend haar, uitgezette neusvleugelen, open mond, gebalde vuisten, het hoofd in den nek geworpen. Toen zeeg zij weder op de krib neder. De man ging op en neder, zonder op zijn vrouw te letten.
Na eenige oogenblikken stilte naderde hij haar en bleef, gelijk een oogenblik te voren, met over elkander geslagen armen voor haar staan.
„Zal ik u nog eens iets zeggen?”
„Wat?” vroeg zij.
Kortaf en met zachte stem antwoordde hij:
„Dat mijn fortuin gemaakt is.”
Vrouw Jondrette staarde hem aan met een blik, die te kennen gaf: „Wordt degeen, die tot mij spreekt gek?”
Hij hernam:
„Voor den donder! ’t is reeds lang genoeg dat ik tot de armenparochie behoor: sterf van honger als gij vuur hebt, sterf van kou als gij brood hebt; ik heb ellende genoeg gehad! mijn eigen pak en dat van anderen. Ik scherts niet meer, noch vind het grappig. Mijn God! Ik heb nu lang genoeg geleden. Ik wil nu eten als ik honger en drinken als ik dorst heb; ik wil luieren, slapen, wanneer ’t mij lust; enfin, vóór ik sterf, wil ik ook een beurt hebben en een weinig millionair zijn.”
Hij ging nog eens door het vertrek, en voegde er bij:
„Gelijk anderen.”
„Wat bedoelt ge?” vroeg de vrouw.
Hij schudde het hoofd, knipoogde en verhief de stem als een marktschreeuwer, die op de straat iets verklaren wil:
„Wat ik bedoel? Luister!”
„Stil,” mompelde vrouw Jondrette, „niet zoo luid; ’t zijn zaken, die anderen niet behoeven te hooren.”
„Kom! wie zou ’t hooren? de buurman? Ik heb hem straks zien uitgaan. En bovendien kan die ezel wel hooren? Hij is overigens, zooals ik u zeg, uitgegaan.”
Jondrette sprak evenwel als door een soort van instinct zachter, doch niet zoo zacht of Marius kon zijn woorden verstaan. Als een gunstige omstandigheid voor Marius kwam hierbij, dat de gevallen sneeuw het geraas der rijtuigen op den boulevard verdoofde, en Marius dus geen woord ontging.
Marius hoorde nu dit:
„Luister goed. Wij hebben den Cresus gevangen. ’t Is zoo goed als geschied. Alles is geregeld. Ik heb mijn lieden gesproken. Hij komt van avond te zes uren, zijn zestig francs brengen, de canaille! Hebt ge gehoord, hoe ik hem met mijn zestig francs huur, mijn huisheer, en 4 Februari beet heb gehad? ’t is nog geen drie maanden! Hij zal dus te zes uren komen; op dat uur gaat de buurman eten; vrouw Burgon is uit schoonmaken; er is dus niemand in huis. De buurman komt nooit vóór elf uren t’huis. De meisjes zullen de wacht houden. Gij moet ons helpen. Het moet gebeuren!”
„En zoo ’t niet gebeurt?” vroeg de vrouw.
Jondrette maakte een heilloos gebaar, zeggende:
„Dan zullen wij ’t hem wel leeren.”
Hij lachte luide.
’t Was de eerste keer dat Marius hem zag lachen. Die lach was kil en flauw en deed iemand rillen.
Jondrette opende een kast bij den schoorsteen, en nam er een oude pet uit, die hij opzette, na hem met zijn mouw afgeveegd te hebben.
„Nu ga ik uit,” zeide hij. „Ik moet nog lieden spreken… goede. Ge zult zien, hoe goed het gaat. Ik zal niet lang uitblijven; ’t zal een mooie slag zijn; blijf gij te huis.”
Toen bleef hij met beide handen in zijn broekzakken een oogenblik in nadenken staan en riep eindelijk:
„’t Is in allen geval gelukkig, dat hij mij niet herkend heeft. Zoo hij mij herkend had, zou hij niet terugkomen. Hij zou ons ontsnappen. ’t Is mijn baard, die mij gered heeft! mijn romantische baard; mijn lief romantisch baardje!”
En wederom lachte hij.
Hij trad naar het venster. Het sneeuwde nog altijd en de lucht was grijs.
„’t Is een hondenweer!” zeide hij.
Toen knoopte hij de jas dicht.
„Ze is mij te wijd,” zeide hij. „Om ’t even; de oude schurk heeft wel gedaan ze mij te laten. Ik zou anders niet hebben kunnen uitgaan, en alles was mis geweest. Aan welke omstandigheden hangen toch de gebeurtenissen?”
Hij drukte de pet op zijn oogen en ging uit.
Nauwelijks kon hij eenige schreden gedaan hebben, toen de deur weder geopend werd en zijn woest en ruw gezicht opnieuw in de woning verscheen.
„Ik vergat iets,” zeide hij. „Ge moet houtskool halen.” En hij wierp het vijffrancstuk dat de „menschenvriend” hem gegeven had in den schoot der vrouw.
„Houtskool?” vroeg de vrouw.
„Ja.”
„Hoeveel maten?”
„Twee.”
„Dit is dertig sous. Voor het overige zal ik een middagmaal gereed maken.”
„Verduiveld, neen.”
„Waarom?”
„Geef het vijffrancstuk niet geheel uit.”
„Waarom?”
„Wijl ik iets voor mij moet koopen.”
„Wat?”
„Iets.”
„Hoeveel hebt ge noodig?”
„Is hier in de buurt een ijzerwinkel?”
„In de straat Mouffetard.”
„Ha, ja! op den hoek eener straat, ik herinner mij.”
„Zeg mij hoeveel ge noodig hebt.”
„Twee en een half of drie francs.”
„Er zal niet veel voor het eten overblijven.”
„Vandaag denken wij niet aan eten. Er is iets beter te doen.”
„’t Is goed, mijn schat.”
Op deze woorden der vrouw stiet Jondrette de deur dicht, en nu hoorde Marius hem haastig door de gang en de trap afgaan.
Op St. Medard sloeg het één uur.
















