Maandag, 20/04/2026 - 06:17

Toen hij zich ’s avonds ontkleedde om naar bed te gaan, voelde hij in den zak van zijn jas het pakje, dat hij op den boulevard had opgeraapt. Hij had er niet meer aan gedacht. Nu meende hij, dat het nuttig kon zijn het te openen, wijl het misschien het adres der meisjes kon bevatten, zoo het pakje haar werkelijk behoorde, of in allen geval de noodige inlichtingen, om het aan den persoon terug te bezorgen, die het verloren had.

Hij opende het omslag.

Dit was niet verzegeld en bevatte vier brieven, die evenmin verzegeld waren.

Er stonden adressen op.

Alle vier roken vreeselijk naar tabak.

Op den eersten brief stond dit adres: „Aan mevrouw, mevrouw de markiezin de Grucheray, op het plein tegenover de kamer der gedeputeerden, No….”

Marius geloofde nu de inlichtingen te zullen vinden, welke hij zocht, en vermits de brief niet gesloten was, mocht hij waarschijnlijk zonder bezwaar gelezen worden.

Hij luidde als volgt, met dezelfde fouten van taal en stijl:

„Mevrouw de markiezin,

„De deugd van het mededoogen en der milddadigheid is de engste band die de maatschappij samenhoudt. Wend uw christelijk gevoel en medelijdenden blik naar een ongelukkigen Spanjaard, een offer van zijn trouw en verkleefdheid aan de heilige zaak der legitimiteit, waarvoor hij zijn bloed gestort, zijn fortuin, alles gewijd heeft, om deze zaak te verdedigen en die zich nu in de diepste ellende bevindt. Hij twijfelt niet dat uwedele hem eenige hulp zal verleenen, om het uiterst smartelijk leven te behouden van een militair van goede geboorte en een man van eer, vol kwetsuren, die vooraf op de menschelijkheid rekent, die u bezielt en op de belangstelling van mevrouw de markiezin voor zulk een ongelukkige natie. Hun bede zal niet vruchteloos zijn, en hun dank zal u een aangename herinnering blijven.

„Met gevoelens van hoogachting, waarmede ik de eer heb te zijn,

Mevrouw,

„Don Alvarès, Spaansch kapitein der Caballerie, naar Frankrijk uitgeweken koningsgezinde, die voor zijn vaderland op reis is en wien geld ontbreekt om zijn reis voort te zetten.”

Bij de handteekening was geen woonplaats gevoegd. Marius hoopte het adres in den tweeden brief te vinden, die tot opschrift had: „Aan Mevrouw, Mevrouw de gravin de Montvernet, straat Cassette No. 9.” Marius las het volgende:

„Mevrouw de gravin.

„Ik ben een ongelukkige huismoeder met zes kinderen, waarvan het jongste slechts acht maanden oud is. Ik ben sinds mijn laatste kraambed ziek en sedert vijf maanden door mijn man verlaten, zonder eenige hulp ter wereld en in de vreeselijkste armoede.

„In de hoop op mevrouw de gravin, heeft zij, mevrouw, de eer te zijn met diepen eerbied

„Vrouw Balizard.”

Marius nam den derden brief, die evenals de vorigen een bedelbrief was, en las:

„Mijnheer Pabourgeot, kiezer, koopman in wollen stoffen in ’t groot, straat St. Denis, hoek der straat aux Fers.

„Ik neem de vrijheid u dezen brief te zenden, met het verzoek mij de kostbare gunst uwer sympathie te schenken en uwe belangstelling in een letterkundige, die aan het Théâtre Français een drama heeft gezonden. Het onderwerp is historisch en het stuk speelt in Auvergne, tijdens het Keizerrijk; ik geloof dat de stijl natuurlijk, kernachtig en niet zonder verdienste is. Op vier plaatsen zijn er liedjes ingelascht. Overigens is het komieke, ernstige, verrassende er ingemengd met de verscheidenheid der karakters, en een romantische tint ligt zacht over de geheele intrigue verspreid, die geheimzinnig, te midden van treffende tusschenbedrijven voortgaat en zich in schitterende tooneelen oplost.

„’t Is mijn hoofddoel aan den wensch te voldoen, die hoe langer hoe meer den mensch onzer eeuw bezielt, namelijk de mode, dezen grilligen en zonderlingen weerhaan, die bij elken wind verandert.

„In weerwil dezer hoedanigheden heb ik reden te vreezen, dat de ijverzucht en het egoïsme der bevoorrechte schrijvers mij uit den schouwburg zullen verdringen, want de bitterheden waarmede men de nieuwelingen overlaadt zijn mij niet onbekend.

„Mijnheer Pabourgeot, de naam, dien gij terecht hebt, van een verlicht beschermer der letterkundigen te zijn, verstout mij mijn dochter te zenden, die u onzen armoedigen toestand zal blootleggen, want wij hebben gebrek aan brood en brand in dit strenge seizoen. ’t Is niet noodig u te zeggen, dat ik u mijn drama, en alle die ik nog maken zal, wensch op te dragen en u te bewijzen, hoe vurig ik naar de eer streef mij in uw bescherming te stellen, en mijn geschriften met uw naam op te luisteren. Zoo ge u verwaardigt mij met een kleine gift te vereeren, zal ik mij dadelijk aan een gedicht zetten om u mijn schatting van dankbaarheid te voldoen. Dat gedicht, ’t welk ik zoo volmaakt mogelijk zal pogen te maken, zal u worden gezonden vóór het aan ’t hoofd van het drama zal geplaatst en op het tooneel gedebuteerd worden.

„Aan mijnheer
en mevrouw Pabourgeot
mijn eerbiedigste hulde.

Genflot, letterkundige.”

P. S. „Al is ’t maar twee francs.”

„Vergeving dat ik u mijn dochter zend en niet zelf kom, maar treurige redenen van kleeding veroorloven mij, helaas, niet, uit te gaan…”

Nu opende Marius den vierden brief, aldus geadresseerd: „Aan den weldadigen Heer van de Kerk St. Jacques du Haut-Pas.

„Weldadig man,

„Zoo ge u wilt verwaardigen mijn dochter te vergezellen, zult ge een bittere armoede vinden en ik zal u mijn certificaten toonen.

„Bij ’t gezicht dezer stukken zal uw edelmoedige ziel bewogen worden door een levendig gevoel van medelijden, want echte wijsgeeren gevoelen immer levendige aandoeningen.

„Ge moet bekennen, mededoogend man, dat men in den vreeselijksten nood moet zijn en het zeer smartelijk valt, dit door de overheid te moeten doen bevestigen, ten einde eenigen bijstand te erlangen, alsof men niet vrij ware te lijden en van gebrek te sterven, in afwachting dat men onze armoede lenige. Het lot is zeer wreed voor sommigen en al te overdadig en begunstigend voor anderen.

„Ik wacht uw tegenwoordigheid of uw gift, zoo ge zoo goed wilt zijn, en verzoek u de betuigingen van mijn eerbied te willen ontvangen, waarmede ik de eer heb te zijn,

Wezenlijk grootmoedig man,

Uw zeer onderdanige en zeer gehoorzame dienaar,

P. Fabantou, dramatisch artist.”

Na deze vier brieven gelezen te hebben, wist Marius nog weinig meer dan vroeger.

Vooreerst gaf geen der onderteekenaars zijn woonplaats op.

Vervolgens schenen de brieven van vier verschillende personen te zijn; van don Alvarès, van vrouw Balizard, van den dichter Genflot en van den dramatischen artist Fabantou; maar ’t was zonderling, dat deze brieven alle vier door dezelfde hand geschreven waren.

Wat zou hij er anders uit afleiden, dan dat zij ook van denzelfden persoon kwamen?

Bovendien, en dit maakte de gissing nog waarschijnlijker, waren de vier brieven op hetzelfde grove en verkleurde papier geschreven, ook hadden zij denzelfden tabaksreuk en, hoewel ’t duidelijk was dat men den stijl had willen afwisselen, kwamen er echter dezelfde soort van spelfouten in voor, zoowel bij den letterkundige Genflot als bij den Spaanschen kapitein.

’t Was vergeefsche moeite dit kleine geheim te willen doorgronden. Zoo ’t geen vond ware geweest, zou ’t een fopperij geleken hebben. Marius was te droefgeestig om behagen te vinden zelfs in een scherts van het toeval, of om zich op te houden met een spel, dat de openbare straat met hem scheen te willen spelen. Het scheen hem, alsof hij blindemannetje was tusschen deze vier brieven, en deze hem voor den mal hielden.

Overigens duidde in die brieven niets aan, dat zij aan de meisjes behoorden, welke Marius op den Boulevard ontmoet had. ’t Waren in allen geval papieren, die blijkbaar geen de minste waarde hadden.

Marius stak ze weder in het omslag, wierp ze in een hoek en legde zich te bed.

Den volgenden morgen tegen zeven uren was hij opgestaan, had ontbeten en wilde zich aan ’t werk zetten, toen zacht aan zijn deur werd geklopt.

Vermits hij niets bezat, nam hij nimmer den sleutel uit zijn deur, behalve slechts wanneer hij aan een dringend werk bezig was. Overigens liet hij, zelfs wanneer hij uitging, den sleutel in de deur. – „Men zal u bestelen,” zei vrouw Bougon. – „Wat?” vroeg Marius. – Men had hem evenwel op zekeren dag een paar oude laarzen ontstolen, tot groote zelfvoldoening van vrouw Bougon.

Men klopte nogmaals zeer zacht.

„Binnen,” zei Marius.

De deur werd geopend.

„Wat wilt ge, vrouw Bougon?” vroeg Marius zonder zijn oogen van de boeken en papieren op te slaan, die op de tafel lagen.

Een stem, welke niet die van vrouw Bougon was, antwoordde:

„Vergeving, mijnheer…”

’t Was een doffe, gebroken, schorre stem, als van een oud man die dronken is of zich overschreeuwd heeft.

Marius hief ijlings het hoofd op en zag een meisje.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *