Maandag, 20/04/2026 - 07:29

De steden hebben, even zoowel als de wouden, haar holen, waarin zich het boosaardigste en schrikkelijkste wat zij bevatten verbergt. Maar in de steden is, hetgeen zich aldus verbergt, wild, onrein en nietig; dat wil zeggen leelijk; wat zich in de wouden verbergt is wreed, wild en groot, dat wil zeggen schoon. Hoe het zij, de schuilplaatsen der dieren zijn boven die der menschen te verkiezen. Dierenholen zijn beter dan menschenholen.

Wat Marius zag was zulk een hol.

Marius was arm en zijn kamer armoedig; maar even edel als zijn armoede was, was zijn verblijf zindelijk. Het kot, waar hij nu zijn blik insloeg, was afschuwelijk, vuil, walgelijk, donker en smerig. Geen ander huisraad dan een matten stoel, een kreupele tafel, eenige potscherven en in twee hoeken twee niet te beschrijven slaapsteden; geen ander licht dan dat uit een zoldervenster met vier ruiten, vol spinrag, kwam. Dit licht was juist genoeg om een mensch als een spookgestalte te doen voorkomen. De muren hadden een rotachtig aanzien en waren gescheurd en met naden, als een door een afschuwelijke ziekte misvormd gelaat; zij zweetten een druipend kleverig vocht uit. Men zag er met houtskool ruwe ontuchtige figuren op geteekend.

De door Marius bewoonde kamer had een steenen vloer; die der andere had noch steenen, noch planken, en men ging er op de zwart geworden kalk waarin de steenen gemetseld waren geweest. Op zekeren ongelijken grond, waarin het stof als gegroeid was en die sinds lang geen bezem gevoeld had, lagen grillig dooreen allerlei leelijke vodden, sloffen, sokken. Dit vertrek had echter een stookplaats, en daarom werd het voor veertig francs ’s jaars verhuurd. Er waren in die stookplaats een komfoor, een pot, gebroken planken, aan spijkers hangende vodden, een vogelkooi, asch en zelfs een weinig vuur. Een paar spanen rookten er treurig.

De leelijkheid van dit vertrek kwam te meer uit, wijl het ruim was. Er waren uitspringende wanden, kanten, donkere holen, dakpannen, baaien en kapen. Hierdoor ontstonden afzichtelijke hoeken, waar ’t oog niet kon doordringen, doch waarin zekerlijk monsterachtige spinnen en duizendbeenen moesten huizen, misschien ook wel, wie weet welke, monsterachtige menschelijke wezens.

Eene krib stond bij de deur, een andere bij het venster. Beide kwamen met het eind tegen den schoorsteen en stonden tegenover Marius. In een hoek dicht bij de opening, door welke Marius keek, hing aan den muur in een zwarte lijst een gekleurde prent, waaronder met groote letters geschreven stond: de droom. Zij stelde een slapende vrouw voor, met een slapend kind op haar schoot, een arend in een wolk, met een kroon in den bek, welke kroon de vrouw van het hoofd des kinds afwendde zonder dat zij overigens ontwaakte; op den achtergrond Napoleon in een stralenkrans op een donkerblauwe kolom, met geel kapiteel rustende, waarop deze inscriptie:

  • Marengo
  • Austerlits
  • Jena
  • Wagramme
  • Elot

Onder deze schilderij stond een vierkant houten bord, meer lang dan breed, schuins tegen den muur. Het geleek een omgekeerde schilderij, die men van den muur afgenomen en daar zoolang neergezet had, om ze later weder op te hangen.

Aan de tafel waarop Marius een pen, inkt en papier zag, zat een klein, mager, bleek man van ongeveer zestig jaren, met sluw, wreed en onrustig gelaat; kortom een afschuwelijke kerel.

Zoo Lavater dat gezicht had gezien, zou hij er den gier gepaard aan den procureur in hebben gevonden; den roofvogel en den chicaneur, die wederzijds elkander leelijker maakten en aanvulden; de chicaneur door den roofvogel gemeen, en de roofvogel door den chicaneur afschuwelijk te maken.

Dezen man had een langen grijzen baard. Hij had een vrouwenhemd aan, dat zijn harige borst en zijn met steile grijze haren begroeide armen bloot liet. Beneden dit hemd zag men een beslijkte broek en laarzen, waaruit de teenen staken.

Hij rookte een pijp. Er was geen brood in het hol, maar wel tabak. Hij schreef waarschijnlijk een brief van de soort als Marius gelezen had.

Op den hoek der tafel zag men een roodachtig, onvolledig boekdeel, welks formaat een roman verried. Op den omslag las men in groote kapitale letters: Dieu, le Roi, l’honneur et les dames par Ducray-Duminil. 1814.

Terwijl de man schreef sprak hij luid, en Marius hoorde deze woorden:

„Er mag geen gelijkheid zijn, zelfs niet wanneer men dood is! Zie Père-Lachaise! De grooten, de rijken, liggen boven in de acacia-laan die bestraat is. Zij kunnen er met rijtuig komen. Maar de kleinen, de armen, de ongelukkigen! O, men legt ze beneden, waar men tot aan de knieën in de modder, in gaten en plassen zinkt. Men legt ze daar, opdat zij spoediger vergaan zouden. Men kan ze niet bezoeken zonder in den grond te zakken.”

Hij zweeg, sloeg met de vuist op de tafel en knarsetandend voegde hij er bij:

„Ik zou de wereld willen verslinden!”

Een dikke vrouw, die even goed veertig als honderd jaar oud kon zijn, zat op haar bloote voeten voor den schoorsteen gehurkt.

Ook zij droeg niets dan een hemd en een gebreiden onderrok met stukken oud laken opgelapt. Een voorschoot van grof linnen bedekte de helft van den rok. Hoewel deze vrouw ineengedoken zat, kon men zien dat zij zeer groot van gestalte was, ’t was een soort van reuzin, bij haar man vergeleken. Zij had leelijk, ros, grijsachtig haar, waarin zij nu en dan met haar groote smerige handen, met platte nagels, woelde.

Nevens haar lag op den grond, geheel opengeslagen, een boekdeel van hetzelfde formaat als het vorige, en waarschijnlijk van denzelfden roman.

Op een der legersteden zag Marius onduidelijk een lang, bleek, schier naakt meisje, met hangende beenen zitten, dat niet scheen te hooren, noch te zien, noch te leven.

Zeker de jongere zuster van degene die bij hem was geweest.

Zij scheen elf of twaalf jaar oud. Doch zoo men haar nauwkeurig beschouwde, ontdekte men, dat zij wel veertien jaar oud moest zijn. Dit was het kind, hetwelk den vorigen avond op den boulevard had gezegd: „Ik ging aan den haal!”

Zij behoorde tot de ziekelijke soort, welke lang ten achter blijft, doch dan eensklaps en snel opgroeit. ’t Is de armoede, die zulke treurige menschelijke planten voortbrengt. Deze schepsels hebben noch kindsheid, noch jeugd. Op vijftienjarigen leeftijd schijnen zij twaalf jaar, op zestienjarigen twintig jaar oud te zijn. Heden klein meisje, morgen vrouw. ’t Is alsof zij het leven met groote stappen doorloopen om te eerder aan het einde te zijn.

Op dit oogenblik geleek dit wezen een kind.

Overigens vertoonde zich in dit verblijf geen het minste spoor van arbeid; geen weefgetouw, geen spinnewiel, geenerlei werktuig. In een hoek lag eenig verdacht ijzerwerk. ’t Was de vadzige luiheid, welke op de wanhoop volgt en de gansche vernietiging voorafgaat.

Marius aanschouwde een poos dit akelig verblijf, dat schrikkelijker dan ’t inwendige van een graf scheen, want men zag de menschelijke ziel bewegen en het leven er in kloppen.

De holen, de kelders, de kuilen, waarin sommige behoeftigen der laagste trappen van het maatschappelijk gebouw kruipen, zijn niet volkomen het graf, maar de voorkamers ervan: gelijk de rijken hun grootste pracht aan den ingang hunner paleizen ten toon stellen, schijnt de dood zijn grootste ellende in die voorkamers te vertoonen, welke aan hem grenzen.

De man zweeg nu, de vrouw sprak niet, het meisje scheen niet te ademen. Men hoorde de pen over het papier krassen.

De man bromde, zonder zijn schrijven te staken: „canaille, canaille, alles is canaille!”

Deze variant op Salomo’s uitroep: „IJdelheid” enz., deed de vrouw zuchten.

„Wees bedaard, mijn vriend,” zeide zij. „Maak u niet kwaad, mijn lieve. Ge zijt waarlijk al te goed door aan al die lieden te schrijven, mijn beste.”

In den nood dringen de lichamen tegen elkander als in de koude, maar de harten verwijderen zich. Naar alle waarschijnlijkheid had deze vrouw dien man moeten beminnen met al de liefde welke in haar was, maar vermoedelijk was deze liefde, door de dagelijksche wederzijdsche verwijten eener vreeselijke armoede, die op het geheele gezin drukte, uitgedoofd. Er was in haar nog slechts de asch van genegenheid voor haar man. Evenwel waren de teedere namen, gelijk vaak gebeurt, overgebleven. Zij noemde hem nog steeds: „mijn lieve, mijn hart, mijn vriend enz.” met den mond, maar het hart zweeg.

De man had zich weder aan ’t schrijven gezet.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *