Maandag, 20/04/2026 - 07:20

Reeds bij den aanvang der restauratie geraakte het klooster van Klein-Picpus in verval, grootendeels ten gevolge van het uitsterven dezer orde in ’t algemeen, die, gelijk alle geestelijke orden allengs verdwijnt. De bespiegeling is, als het gebed, een behoefte der menschheid; maar zij zal evenals alles wat de revolutie heeft geraakt, een hervorming ondergaan en in plaats van den maatschappelijken vooruitgang vijandig, hem gunstig zijn.

Het huis van Klein-Picpus ontvolkte zich snel. In 1840 was het kleine klooster evenals het pensionaat verdwenen. Er waren noch oude vrouwen noch jonge meisjes meer; de eersten waren overleden, de tweeden waren heengegaan. Volaverunt.

De regel der Eeuwigdurende aanbidding is van een vreeselijke strengheid; weinigen voelen er roeping voor, en de orde vindt geen nieuwelingen. In 1845 kwamen er nog eenige leekezusters bij; maar geen koorzusters. Veertig jaren geleden was het getal der religieusen bijna honderd; vijftien jaar geleden niet meer dan achtentwintig. Hoeveel zijn er thans? In 1847 was de priorin jong, een bewijs dat de kring der kapittelmoeders zich verengde. Zij was geen veertig jaar oud. Naar gelang het getal vermindert, wordt de arbeid zwaarder, en de dienst van iedere non moeielijker; toen reeds zag men het oogenblik naderen, dat de zware regel van den H. Benedictus door slechts een twaalftal smartelijk gebogen schouders zou moeten gedragen worden. ’t Is een onverbiddelijke last, die voor weinigen of velen dezelfde blijft. Hij drukte, hij verplet. Ook stierven de nonnen. Tijdens de schrijver van dit boek nog te Parijs woonde, stierven er twee; de eene vijfentwintig jaar, de andere drieëntwintig jaar oud. Uithoofde van dat verval heeft het klooster van de opvoeding der kinderen afgezien.

Wij hebben dit buitengewoon, onbekend, duister huis niet kunnen voorbijgaan zonder er binnen te treden, en ook onze lezers te doen binnentreden, die ons, misschien ten nutte van sommigen, de treurige geschiedenis van Jean Valjean hooren verhalen. Wij zijn dat klooster binnengedrongen, dat vol is van die oude gebruiken, welke thans zoo nieuw schijnen. ’t Is de gesloten tuin. Hortus conclusus. Wij hebben van dit zonderling verblijf uitvoerig en met eerbied gesproken, ten minste in zoo verre eerbied en uitvoerigheid vereenigbaar zijn. Wij begrijpen niet alles, maar wij spotten met niets. Wij zijn evenver van het hosanna van Joseph de Maistre gebleven, die ten laatste zelfs den beul heilig verklaart, als van den grijnslach van Voltaire, die zelfs het kruis bespot.

’t Was, in ’t voorbijgaan gezegd, een inconsequentie van Voltaire; want hij zou zekerlijk Jezus evenzeer hebben verdedigd als hij Calas verdedigde. En welke beteekenis heeft in allen gevalle het kruis, zelfs voor hen, die de bovennatuurlijke menschwording loochenen? De vermoording van een wijze.

De godsdienstige idée ondergaat in de negentiende eeuw een crisis. Men verleert sommige dingen, en dat is goed, mits men in plaats van ’t verleerde iets anders leere. Geen ledigheid mag in ’t menschelijk hart zijn. Veel wordt gesloopt, en ’t is goed dat men het sloope, mits daarvoor iets anders worde opgebouwd.

Wij willen intusschen de dingen bestudeeren, die niet meer zijn. ’t Is noodzakelijk ze te kennen, ware het slechts om ze te vermijden. De namaaksels van het verleden nemen valsche namen aan en noemen zich gaarne toekomst. Dat spook, het verleden, vervalscht lichtelijk zijn pas. Hoeden wij ons voor het bedrog. Zijn wij voorzichtig. Het verleden heeft een gezicht, het bijgeloof, en een masker, de geveinsdheid. Toonen wij het gezicht en rukken wij het masker af.

De kloosters werpen een zeer ingewikkeld vraagstuk op: Een kwestie van beschaving, die ze verwerpt; een kwestie van vrijheid, die ze beschermt.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *