Maandag, 20/04/2026 - 09:05

Er waren vier nieuwe reizigers aangekomen.

Cosette was in treurige gedachten; want, hoewel eerst acht jaren oud, had zij bereids zooveel geleden, dat zij even sombere mijmeringen had als eene oude vrouw.

Haar ooglid was blond, tengevolge van een vuistslag, dien Thénardier haar had gegeven, hetgeen vrouw Thénardier herhaaldelijk deed zeggen: Hoe leelijk is zij met haar blauwe oog!

Cosette dacht er aan, dat het avond was, laat in den avond; dat zij onverwacht de kannen en karaffen in de kamers der aangekomen reizigers had moeten vullen en er geen water meer in ’t vat was.

Het stelde haar toch eenigszins gerust, dat men ten huize van Thénardier weinig water dronk. ’t Ontbrak niet aan lieden, die dorst hadden; maar ’t was een dorst die zich liever met wijn dan met water lescht. Wie een glas water tusschen al die glazen wijn had gevraagd, zou al deze mannen een wilde hebben toegeschenen. Er was evenwel een oogenblik, dat het kind beefde; vrouw Thénardier lichtte het deksel op van een pot die op ’t vuur stond, nam een glas en naderde haastig het watervat. Zij draaide de kraan om; het kind had het hoofd opgericht en volgde al haar bewegingen. Een dunne waterstraal vloeide uit de kraan en vulde ten halve het glas. – Zie, er is geen water meer! zeide zij en zweeg toen een oogenblik. Het kind hield haar adem in.

„Nu,” hernam vrouw Thénardier, het halfvolle glas beziende, „’t zal wel genoeg zijn.”

Cosette hervatte haar arbeid, maar langer dan een kwartieruurs voelde zij haar hart als een hamer in haar borst kloppen.

Zij telde de minuten, die aldus verliepen, en had wel gewenscht, dat reeds de volgende morgen daar was.

Nu en dan zag een der drinkers naar de straat en riep: – ’t Is zoo donker als in een oven! – of: – Men moet een kat zijn om in dit uur zonder lantaarn uit te gaan! – En Cosette rilde.

Eensklaps trad een der in de herberg logeerende kramers binnen, en zeide met ruwe stem:

„Men heeft mijn paard geen water gegeven.”

„O, zeker,” zei vrouw Thénardier.

„Ik zeg u van neen, vrouw,” hernam de koopman.

Cosette was van onder de tafel gekomen.

„Ja, gewis, mijnheer,” zeide zij, „het paard heeft gedronken, het heeft uit den emmer, den emmer leeg gedronken; ik zelve heb het te drinken gegeven en er meê gepraat.”

’t Was niet waar, Cosette loog.

„Zie, zoo’n klein ding eens brutaal liegen,” riep de koopman uit. „Ik zeg u, dat het paard niet gedronken heeft, kleine deugniet. Het snuift op bijzondere wijze als het niet gedronken heeft, ik weet het heel juist.”

Cosette hield vol en voegde er met een van angst bevende stem bij, die men nauwelijks kon verstaan:

„En ’t heeft zelfs zeer veel gedronken.”

„Nu,” hernam de koopman vergramd, „’t doet er niet toe; laat men mijn paard te drinken geven en daarmede uit.”

Cosette keerde onder de tafel terug.

„Ge hebt gelijk,” zei vrouw Thénardier, „zoo het dier niet gedronken heeft, moet het drinken.”

En een blik om zich slaande:

„Nu, waar is ze?”

Zij bukte en ontdekte Cosette stijf aan ’t andere einde der tafel, schier onder de voeten der drinkers.

„Wilt ge komen?” riep vrouw Thénardier.

Cosette kwam uit den hoek, waarin zij zich verborgen had. Vrouw Thénardier hernam:

„Welaan, ondeugend nest, geef het paard water.”

„Maar er is geen water meer, madame,” zei Cosette bedeesd.

Vrouw Thénardier deed de voordeur wagenwijd open en hernam:

„Nu, ga ’t dan halen!”

Cosette boog het hoofd en nam een ledigen emmer, die in den hoek van den schoorsteen stond.

Deze emmer was grooter dan zij zelve, en ’t kind had er gemakkelijk in kunnen zitten.

Vrouw Thénardier keerde naar het vuur terug en proefde met een houten lepel ’t geen in den pot was, daarbij brommende:

„Er is rijkelijk water in. Nu, daarom is ’t niet slechter. Ik geloof dat ik de uien wel had kunnen sparen.”

Toen zocht zij in een lade, waarin klein geld, peper en sjalotten waren, en zeide:

„Daar, juffer pad, breng als ge terugkomt een grof brood van den bakker mede; hier hebt ge een vijftien-stuiversstuk.”

Cosette had een zakje in haar voorschoot; zonder te spreken nam zij het geld en stak het in dat zakje.

Toen bleef zij stijf staan, met den emmer in de hand, voor de open deur. Zij scheen te wachten, tot men haar te hulp kwam.

„Ga toch!” riep vrouw Thénardier.

Cosette ging. De deur sloot zich achter haar.

 



Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *